Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2753

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
06/00138
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat gelet op de vastgestelde feiten, het verhandelde ter zitting en het hiervoor gestelde, belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten met de paarden zijn aan te merken als landbouw als bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ. Belanghebbende heeft daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het hof overweegt daarbij onder meer dat de paarden immers, zoals ook ander vee, (deels)verblijven op de aan belanghebbende ter beschikking staande weilanden. Dat een deel van de paarden van belanghebbende via uitscharing gedurende een bepaalde periode op weiland elders graast, is daarbij niet van belang. Het hof overweegt daarbij tevens dat belanghebbende voor het verlenen van vergunning ingevolge de Wet milieubeheer als een agrarisch bedrijf wordt aangemerkt. Ook in uiterlijke verschijningsvorm en naar maatschappelijke opvattingen is naar het oordeel van het hof sprake van een landbouwbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/555
V-N 2007/38.33 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0758
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00138

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Z,

hierna: de Ambtenaar,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 april 2006, nummer AWB 05/3938 in het geding tussen

de heer X,

te Y,

hierna: belanghebbende

en

de Ambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij de in het kader van de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden beschikking van 28 februari 2005, nr. 000.000, heeft de Ambtenaar de waarde van de onroerende zaak A-weg 35 te Y, gemeente Z, (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 vastgesteld op € 560.000,=.

Na daartegen gemaakt bezwaar is bij de uitspraak van 23 september 2005 de waarde gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 494.000,=.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Ambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Ambtenaar vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 januari 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Ambtenaar.

1.6. De Ambtenaar heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een kleurenfoto van de onroerende zaak.

1.7. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1, 2.2. en 2.3 van de uitspraak van de Rechtbank. Voorts zijn in deze zaak op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende beschikt over een aantal gewone stallen en zogenoemde loopstallen. De paarden worden in groepen verdeeld en lopen gezamenlijk buiten of verblijven in de loopstallen.

De paddock is afgescheiden van het overige grasland. Er is overigens sprake van drie van elkaar afgescheiden paddocks voor gebruik door verschillende groepen paarden. De paddocks worden gebruikt bij het opfokken van paarden, het is de uitloop voor de paarden. De paddocks en de ondergrond van de stapmolen zijn eerst weiland geweest, het gras is vertrapt. Er wordt geen gras meer ingezaaid.

2.2. Belanghebbende houdt zich niet bezig met het trainen van paarden van derden. Op het bedrijf zijn alleen eigen paarden aanwezig. De fokmerries worden ieder jaar geïnsemineerd. De fokmerries hebben dan ook in principe ieder jaar een veulen. De fokmerries en hun nakomelingen zijn (veelal) opgenomen in stamboek KWPN.

De veulens verblijven 3 à 4 maanden bij hun moeder. Daarna worden de veulens in groepsverband apart gezet.

Een klein gedeelte van de veulens wordt als veulen verkocht.

De andere veulens worden verder grootgebracht totdat zij ca. 3 jaar zijn. De niet verkochte veulens worden aan het eind van het derde jaar afgericht voor recreatieve doeleinden en ook wel voor de (wedstrijd)sport of worden gebruikt om verder te fokken.

2.3. Bij redelijk weer lopen de paarden overdag buiten. In de zomer wordt overigens een deel van de paarden uitgeschaard. Zij worden dan ergens anders ondergebracht; ze lopen en grazen dan bijvoorbeeld in een natuurgebied. In de wintertijd, beginnende in oktober, komen de paarden weer terug naar het bedrijf. Dan worden de stallen weer gebruikt. De paddocks dienen dan voor de uitloop van de paarden. In de wintertijd worden de paarden ook bijgevoerd met krachtvoer.

2.4. De veulens worden tegen de tijd dat ze de leeftijd van 3 jaar hebben bereikt afgericht. Er wordt begonnen met ze te leren wennen aan commando's. Ze worden dan eerst aan de hand geleid. In dat kader wordt vervolgens, mede om de paarden te laten bewegen, de stapmolen gebruikt. De paarden lopen in de stapmolen dagelijks een bepaalde tijd links-om en dan rechts-om.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Kan de exploitatie van het bedrijf worden aangemerkt als het uitoefenen van de landbouw in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ?

Zo het antwoord op vraag I bevestigend luidt:

II. Kan de ondergrond van de drie paddock's en de stapmolen, een oppervlakte van 5000 m2, worden aangemerkt als cultuurgrond in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ?

Niet in geschil is dat de exploitatie van de paardenfokkerij bedrijfsmatig geschiedt. Ook is de aan de voornoemde 5000 m2 toe te rekenen waarde niet in geschil.

Belanghebbende is van oordeel dat de vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Ambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Naar aanleiding van de vraag van het hof of beoogd is incidenteel beroep in te stellen, merk ik op dat ik mij geheel kan vinden in de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak van de rechtbank is goed, er is dus geen incidenteel beroep ingesteld.

Ik heb een afschrift van de reactie van de gemeente op mijn verweerschrift ontvangen en heb er kennis van genomen. Ik ben akkoord met de behandeling van de reactie van de gemeente als een voor de zitting bij het hof ingekomen stuk.

De kwestie betreft de vraag of sprake is van landbouw en cultuurgrond. Mijn standpunt is in het verweerschrift goed uiteengezet. De gemeente ontkent het bestaan van een volwaardig agrarisch bedrijf niet. De Pachtwet noemt veeteelt en het fokken van paarden, dat zijn verschijningsvormen van landbouw.

Voor wat betreft de cultuurgrond het volgende. De paddock wordt gebruikt bij het opfokken van paarden, het is een uitloop voor de paarden. De paddock is eerst weiland geweest, het gras is vertrapt.Ik ga het gras niet meer inzaaien. Het is een vertrapt stuk weiland van ca. 4.800 m² dat in dienst staat van de landbouwactiviteit. De oppervlakte van de ondergrond voor de stapmolen is ongeveer 200 m2. Het is cultuurgrond waarop de vrijstelling van toepassing is. Zie ook de uitspraak van de rechtbank. Het is daarin goed verwoord. Het hoger beroep van de gemeente is ongegrond.

Onze fokmerries worden ieder jaar geïnsemineerd. We hebben dus ieder jaar veulens. De veulens lopen 3 à 4 maanden bij hun moeder. Daarna worden de veulens in groepsverband apart gezet.

Een klein gedeelte van de veulens wordt als veulen verkocht.

De andere veulens worden verder grootgebracht tot ca. 3 jaar. Het niet verkochte gedeelte van de veulens wordt aan het eind van het derde jaar afgericht voor recreatieve doeleinden en ook wel voor de (wedstrijd)sport of wordt gebruikt om verder te fokken.

De fokmerries en de nakomelingen van de fokmerries zijn veelal opgenomen in het stamboek KWPN.

We hebben een aantal gewone stallen en zogenoemde loopstallen.

De paarden worden in groepen verdeeld en lopen gezamenlijk buiten of verblijven in de loopstallen.

Overdag bij redelijk weer lopen de paarden buiten. In de zomer wordt overigens een deel van de paarden uitgeschaard. Zij worden dan ergens anders naar toe gebracht, ze lopen en grazen dan bijvoorbeeld in een natuurgebied verderop. In wintertijd, beginnend met oktober, komen de paarden weer terug naar het bedrijf. Dan worden de stallen weer gebruikt. De paddock dient dan voor de uitloop van de paarden. In de wintertijd worden de paarden ook bijgevoerd met krachtvoer.

De veulens worden tegen de tijd dat ze de leeftijd van 3 jaar hebben bereikt afgericht. Wij beginnen met ze te leren wennen aan commando's. Ze worden eerst aan de hand geleid. Beweging is goed voor paarden, het stimuleert ook hun bloedsomloop. In dat kader wordt de stapmolen gebruikt. De paarden lopen in de stapmolen een bepaalde tijd links-om en dan rechts-om.

De door het hof getoonde foto is de goede foto van de onroerende zaak. Ik wijs op de foto de uitloopstal en de stal voor de fokmerries aan. Links van de stallen liggen de paddocks en de stapmolen. Er zijn vanwege de verschillende groepen paarden drie van elkaar gescheiden paddocks. Het is vroeger grasland geweest. De oppervlakte van de paddocks en de ondergrond van de stapmolen is de in geding zijnde 5000 m².

Ik heb geen bezwaar tegen overlegging van de kleur-versie van de luchtfoto.

Wij trainen geen paarden van derden. Het gaat alleen om eigen paarden.

De Ambtenaar

Er is sprake van bedrijfsmatige exploitatie. De exploitatie vindt plaats om een inkomen verwerven. De stapmolen en paddock worden gebruikt in het bedrijf. Er is wel sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf, maar het is geen landbouwbedrijf. Het begrip agrarisch is ruimer dan landbouw. Ik handhaaf mijn standpunt dat er geen sprake is van een landbouwbedrijf in de zin van de Wet WOZ dan wel dat de ondergrond van de stapmolen en de paddocks niet is aan te merken als cultuurgrond.

Het geschil betreft alleen de duiding van de 5000 m2 van de stapmolen en de paddocks.

Ik heb nog een kleur-versie van de luchtfoto, die leg ik aan het hof over.

Ik ga akkoord met een kostenvergoeding voor belanghebbende als het hof zijn standpunt zou volgen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In geding is de "vrijstelling" voor bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. De Ambtenaar is van mening dat in navolging van artikel 1 van de Pachtwet de vrijstelling voor de landbouw alleen van toepassing is wanneer het fokken van paarden plaatsvindt voor consumptie van producten van het dier of van consumptie van (delen) van het dier zelf. Hij verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad 26 augustus 1998, nr. 32.598 en de uitspraak van het hof Leeuwarden van 5 december 2005, nr. 1195/02 inzake de gemeente B. Hij voert voorts aan dat op de ondergrond geen gras groeit en dat de ondergrond niet wordt aangewend om gewassen te kweken. Er is geen sprake van bewerkte, in cultuur gebrachte, grond.

4.2. In artikel 18, derde lid van de Wet WOZ is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld om de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan buiten de waardebepaling te laten.

In dat kader is in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, voorzover van belang, het volgende bepaald:

1. Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van:

a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voorzover die niet de ondergrond vormt van gebruikte eigendommen; (...)

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder landbouw verstaan landbouw in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Pachtwet.

4.3. In de toelichting op de regeling van 24 december 1994, Scrt. 1994, 252, de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, is het volgende opgenomen:

"In artikel 2 zijn de onroerende zaken opgesomd waarvan de waarde niet bepaald hoeft te worden. Artikel 220d van de Gemeentewet (stb. 1994,762), het artikel waarin de onroerende zaken staan genoemd waarvan de waarde buiten de heffingsmaatstaf blijft voor de onroerende-zaakbelastingen, is als uitgangspunt genomen.".

Bij de regeling van 19 december 1996, nr. WDB 96/654M, Stcrt. 1996, 248, is per 1 januari 1997 het tweede lid van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ ingevoerd. Dat onderdeel is in de Toelichting op die regeling als volgt toegelicht;

"Het waardegegeven van de ondergrond speelt een rol bij het bepalen van de heffingsmaatstaf voor de omslagen ter zake van gebouwde onroerende zaken als bedoeld in de Waterschapswet. In dit verband is ter verduidelijking een tweede lid aan artikel 2 toegevoegd, aangevende dat het begrip landbouw dezelfde betekenis heeft als bedoeld in de Pachtwet.".

4.4. In artikel 1 van de Pachtwet is het volgende bepaald:

"1. Deze wet verstaat onder: (...)

landbouw: 1°.akkerbouw; 2°.weidebouw; 3°.veehouderij; 4°.pluimveehouderij (...)

d. pachtovereenkomst: elke overeenkomst, in welke vorm en onder welke benaming ook aangegaan, waarbij de ene partij zich verbindt aan de andere partij tegen voldoening van een tegenprestatie een hoeve of los land in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw; (...).".

Het hof Arnhem heeft op 24 februari 1964, P.1964, 2363, bepaald dat veehouderij (paardenfokkerij) met het doel er uitsluitend mee te fokken, landbouw is in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de Pachtwet.

Het Hof Arnhem heeft in zijn uitspraak van 17 september 1990, Agr.r.1991, 4431, bepaald dat de zinsnede "ter uitoefening van de landbouw" moet worden uitgelegd als dat er sprake moet zijn van vruchttrekking met economisch doel van meer dan ondergeschikte betekenis.

4.5. In het arrest van 26 augustus 1998, nr. 32 598, V-N 1998/46.17, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het middel dat zich tegen richt tegen de oordelen van het hof faalt, aangezien deze oordelen juist zijn, zoals uiteengezet in punt 7 van de conclusie van het Openbaar Ministerie.

In voornoemde conclusie is onder meer het volgende opgenomen:

7.1. Naar de letter van de met ingang van 1 april 1986 geldende tekst van art. 8, lid 1, letter b, Wet IB 1964 is niet vrijgesteld de waardeverandering die verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend. (...)

7.6. Het gaat daarbij om het begrip "veehouderij", waaromtrent aan de rechts- en wetsgeschiedenis en aan de jurisprudentie wel aanwijzingen, zij het vooral voorbeeldsgewijs, zijn te ontlenen.

7.7. Een aanwijzing is te ontlenen aan het arrest van 1 juni 1960 NOOT 2, in die zin dat het ter beschikking stellen van een weiland voor het weiden van vee van een ander er niet onder valt. In andere zin evenwel de uitspraak van Hof Amsterdam van 1967 NOOT 3.

7.8. Een aanwijzing is te ontlenen aan het arrest van 1961 NOOT 4, in die zin dat het tijdelijk weiden van voor de slagerij bestemd vee er niet onder valt.

7.9. Een aanwijzing is te ontlenen aan de wetsgeschiedenis van 1986, in die zin dat het houden van dieren voor menselijke consumptie wel, maar dierentuinen, dierenasielen, circussen en hondenkennels niet eronder vallen.

7.10. Deze aanwijzingen tezamen genomen, dunkt mij dat de functie die de dieren ten tijde van het weiden of voederen hebben, beslissend is. Ligt deze functie, zoals in dit geval, op het terrein van de sport, dan valt men daarmee buiten de veehouderij in agrarische zin.

7.11. Ik meen daarom dat het Hof in zoverre op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

Het hof had onder meer geoordeeld dat het fokken, africhten, trainen, houden en exploiteren van paarden ten behoeve van de springsport niet is aan te merken als het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

NOOT 2 : HR 1 juni 1960, nr. 14 243, BNB 1960/196

Noot 3: Hof Amsterdam 4december 1967, nr. 304/67, BNB 1968/128

NOOT 4: HR 11 januari 1961, nr. 14 474, BNB 1961/68

4.6. Het hof Leeuwarden overweegt in zijn uitspraak van 5 december 2005, nr. 1195/02, onder meer het volgende:

"4.5. Omtrent de ter zitting namens belanghebbende aangevoerde omstandigheid betreffende het gebruik van een deel van de onroerende zaak door een buurman ten behoeve van het houden van paarden, overweegt het hof het volgende. Uit de door belanghebbende verstrekte inlichtingen bij brief van 8 oktober 2003 komt naar voren dat de ter zitting bedoelde buurman renpaarden fokt.

Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen. Voor de toepassing van dit lid wordt ingevolge het tweede lid onder landbouw verstaan landbouw in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Pachtwet.

Het hof is in het voetspoor van HR 26 augustus 1998, nr 32 598, BNB 1999/47 c*, en een artikel in het Weekblad voor fiscaal recht 1986/974 van oordeel dat het fokken van renpaarden niet onder de activiteiten kan worden geschaard die voor de landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting relevant zijn. Het gaat immers niet om het fokken van dieren ten behoeve van het verbruik van (delen of produkten van) het dier door de consument. Naar het oordeel van het hof is er geen reden voor de Wet anders te oordelen. Nu het fokken van renpaarden niet wordt aangemerkt als landbouw kan een in dat kader gesteld gebruik van een perceel niet tot vrijstelling leiden.".

4.7. Het hof is van oordeel dat gelet op de vastgestelde feiten, het verhandelde ter zitting en het hiervoor gestelde, belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten met de paarden zijn aan te merken als landbouw als bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ. Belanghebbende heeft daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het hof overweegt daarbij onder meer dat de paarden immers, zoals ook ander vee, (deels)verblijven op de aan belanghebbende ter beschikking staande weilanden. Dat een deel van de paarden van belanghebbende via uitscharing gedurende een bepaalde periode op weiland elders graast, is daarbij niet van belang. Het hof overweegt daarbij tevens dat belanghebbende voor het verlenen van vergunning ingevolge de Wet milieubeheer als een agrarisch bedrijf wordt aangemerkt. Ook in uiterlijke verschijningsvorm en naar maatschappelijke opvattingen is naar het oordeel van het hof sprake van een landbouwbedrijf.

4.8. Hoewel de invulling van de zogenoemde landbouwvrijstelling van de inkomstenbelasting niet zonder meer kan worden overgenomen, ziet het hof in die invulling toch steun voor zijn standpunt. Het hof verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2005, nr. 39 781, V-N 2005/25.7. Ook in het onderhavige geval is het bedrijf in overwegende mate gericht op het opfokken van paarden, andere dan sport-, springpaarden e.d.

Dat geldt ook, hoewel er sprake is van wetgeving met een communautaire basis, zie artikel 25 en bijlage A van de Zesde richtlijn, voor de invulling van het begrip landbouwer voor de heffing van omzetbelasting. Zie terzake Hoge Raad 17 oktober 2003, nr. 38 890, V-N 2003/56.19. Zoals hiervoor al is overwogen is naar maatschappelijke opvattingen sprake van een landbouwbedrijf, terwijl ook het fokken en houden van de paarden samenhangt (eigen weiland en uitscharen van paarden) met de exploitatie van de bodem.

4.9. Met betrekking tot het beroep van de Ambtenaar op het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998, nr. 32 598, V-N 1998/46.17. en de uitspraak van het hof Leeuwarden van 10 december 2003, nr. 1195/02. ter ondersteuning van zijn standpunt dat geen sprake zou zijn van een landbouwbedrijf overweegt het hof het volgende.

Het beroep op voornoemd arrest van de Hoge Raad wijst het hof af, omdat in dit geval belanghebbende zich niet bezighoudt met het niet tot het landbouwbedrijf te rekenen trainen van paarden voor de (spring)sport. Het hof is verder van oordeel dat zowel de aard als de omvang van de activiteiten van belanghebbende als de soort dieren niet te vergelijken zijn met het laten grazen van door een ander gefokte renpaarden uit de uitspraak van het hof Leeuwarden, terwijl het hof verder van oordeel is dat met het verbruik van het dier door de consument bij het opfokken van paarden niet alleen kan zijn gedoeld op als voedsel dienen van het dier.

4.10. Gelet op de terzake geldende bepaling is het hof van oordeel, anders dan belanghebbende kennelijk voorstaat, dat voor de toepassing van de in geding zijnde "vrijstelling" het enkele gebruik van de paddocks en de ondergrond van de stapmolen voor de landbouwdoeleinden onvoldoende is.

Beoordeeld zal moeten worden of de betreffende paddocks en ondergrond van de stapmolen als cultuurgrond voor de uitoefening ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd. De Ambtenaar beantwoordt de vraag of in dezen sprake is van cultuurgrond ontkennend.

4.11. In zijn arrest van 28 juni 2002, nr. 36 895, V-N 2002/36.34, heeft de Hoge Raad zijn eerdere oordeel inzake de uitleg van het begrip cultuurgrond bevestigd.

De Hoge Raad oordeelt in voornoemd arrest als volgt:

Kennelijk en met juistheid heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat slechts dan sprake is van cultuurgrond in de zin van de vrijstellingsbepaling, indien de grond (primair) de functie heeft gewassen te voeden en te doen groeien (HR 24 september 1997, nr. 31 953, BNB 1997/378). Die uitkomst acht het hof ook in overeenstemming met de grammaticale uitleg van en de maatschappelijke opvattingen over het begrip cultuurgrond.

4.12. De drie paddocks en de ondergrond van de stapmolen zijn afgescheiden van het grasland. Tussen partijen is verder niet in geding dat op de ondergrond van de paddocks en de stapmolen geen gras groeit en dat er in de huidige bedrijfsvoering ook nimmer meer gras zal worden ingezaaid. Gelet op de feiten en omstandigheden worden de paddocks en stapmolen als zodanig duurzaam gebruikt in het bedrijf van belanghebbende. De Ambtenaar heeft in hoger beroep nog, onweersproken, gesteld dat de paddocks vanwege het intensieve gebruik zand bevatten om de paarden op een zachte en goed gedraineerde ondergrond te laten lopen. Gezien het vorenstaande kunnen de paddocks en de ondergrond van de stapmolen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als cultuurgrond in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ.

4.13. Dat de betreffende ondergrond eerder met gras was ingezaaid en voorheen behoorde bij het weiland van belanghebbende doet daar niet aan af. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat indien de ondergrond weer de bestemming weiland wordt gegeven er mogelijk opnieuw gras zou kunnen worden ingezaaid. De betreffende (onder)grond heeft immers anders dan voorbijgaand een andere functie dan het voeden en doen groeien van gewassen gekregen. Gezien het vorenstaande mist de vrijstelling van artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ toepassing en is de andersluidende uitspraak van de rechtbank Breda onjuist.

4.14. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag I aan de aan de zijde belanghebbende en is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag II aan de Ambtenaar.

In dat verband dient het hoger beroep van de Ambtenaar gegrond te worden verklaard, dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd en dient de uitspraak van de Ambtenaar te worden bevestigd.

1.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

. . .

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Ambtenaar ingestelde beroep ongegrond;

- bevestigt uitspraak van de Ambtenaar

Aldus gedaan op 20 maart 2007 door G.D. van Norden, voorzitter, J.W.J. Huige en T. Blokland, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Afschriften van de uitspraak zijn op 20 maart 2007 aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.