Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2461

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
06/00059
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de Rechtbank is het Hof is van oordeel dat de onderhavige winkelcompartimenten kunnen worden aangemerkt als gedeelten van een eigendom die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk deel te worden gebruikt, zoals bedoeld in artikel 3 van de Verordening. Het Hof acht daarvoor beslissend dat winkelcompartimenten afzonderlijk (kunnen) worden verhuurd. Het Hof leidt hieruit af dat de afzonderlijke winkelcompartimenten de door de Verordening geëiste zelfstandigheid bezitten. De omstandigheid dat de compartimenten niet over een eigen toiletruimten beschikken en het winkelpersoneel derhalve gebruik moet maken van een gemeenschappelijke toiletruimte die ook door het winkelende publiek kan worden gebruikt, doet daaraan niet af. De bedoelde toiletruimte is immers juist bestemd om (mede) door het personeel van alle winkels te worden gebruikt. Bovendien, nu vier van de vijf winkelcompartimenten aan derden worden verhuurd, staat het gemeenschappelijke gebruik van de toiletruimte kennelijk niet eraan in de weg dat de compartimenten afzonderlijk (kunnen) worden verhuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/705
FutD 2007-0738
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 06/00059

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Asten (hierna: de heffingsambtenaar) tegen de uitspraak van de Rechtbank te

's-Hertogenbosch van 16 januari 2006, nr. 05/1984, betreffende na te melden aanslagen in het rioolrecht van de gemeente Asten.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor de Rechtbank

1.1. Aan X te Y (hierna: belanghebbende) zijn voor het jaar 2005 wegens de eigendom van de objecten A-straat 1, 2, 3, 4, en 5 te Y vijf - op de aanslagbiljetten 6 en 7 vermelde - aanslagen in het rioolrecht van de gemeente Asten opgelegd ten bedrage van elk € 188,75.

1.2. Het tegen deze aanslagen gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.

1.3. Vervolgens heeft belanghebbende tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar beroep ingesteld bij de Rechtbank te

's-Hertogenbosch (hierna: de Rechtbank). Bij de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslagen voor de objecten A-straat 2, 3, 4, en 5 vernietigd, de aanslag voor het object A-straat 1 gehandhaafd en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak.

2. Geding voor het Hof

2.1. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op

28 september 2006 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de heffingsambtenaar.

2.3. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

3. De feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

3.1. Belanghebbende is eigenaar van het pand A-straat 1 te Y (hierna: het pand). Het pand heeft een begane grond en een verdieping. Op de begane grond en op de verdieping bevinden zich - in totaal vijf - afsluitbare compartimenten die als winkel kunnen worden gebruikt. Het pand kent geen separate kantoor- of opslagruimten ten behoeve van de winkelcompartimenten.

3.2. Het pand heeft één ingang en één brievenbus. De door de heffingambtenaar gehanteerde nummering A-straat 1, 2, 3, 4, en 5 dient slechts om de compartimenten in het kader van de belastingheffing van elkaar te onderscheiden. Er is geen sprake van aparte adressen.

3.3. De winkelcompartimenten worden door belanghebbende verhuurd aan A B.V. en aan B B.V. De winkel van B B.V. bevindt zich op de begane grond. De drie winkels van A B.V. bevinden zich voor een deel op de begane grond en voor een deel op de verdieping. Eén winkelcompartiment staat leeg.

3.4. In het pand is slechts één toiletgroep aanwezig. De winkelcompartimenten hebben geen eigen toiletruimten. De toiletgroep, die zich op de verdieping bevindt, is bestemd voor gebruik door het personeel van de winkels alsmede voor gebruik door het winkelende publiek. Hetzelfde geldt voor de zogenoemde koffiecorner, die zich eveneens op de verdieping bevindt.

4. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

4.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is in verband met de aanwezigheid van vijf winkelcompartimenten voor de heffing van rioolrecht van de gemeente Asten sprake van vijf objecten?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Hieraan heeft de heffingsambtenaar ter zitting nog toegevoegd dat de gemeenschappelijke ruimten naar zijn mening bij de winkelcompartimenten horen en door iedereen mogen worden gebruikt.

4.3. De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en handhaving van de uitspraak op bezwaar.

Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 3 van de Verordening rioolrechten van de gemeente Asten (hierna: de Verordening) wordt het rioolrecht ook geheven van een gedeelte van een eigendom dat blijkens zijn indeling bestemd is om als afzonderlijk deel te worden gebruikt, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt.

5.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de winkelruimtes niet zijn aan te merken als afzonderlijke delen als bedoeld in artikel 3 van de Verordening. Hiervan uitgaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar zich had moeten beperken tot het opleggen van één aanslag rioolrecht voor het pand als geheel en derhalve ten onrechte vijf aanslagen rioolrecht heeft opgelegd. Tegen deze oordelen komt de heffingsambtenaar terecht op.

5.3. De Rechtbank heeft de hiervoor omschreven oordelen doen steunen op de overwegingen dat van genot van een object pas sprake is, indien de betreffende ruimte, gelet op zijn functie, voldoende zelfstandigheid bezit en dat een ruimte onvoldoende zelfstandigheid bezit, indien de gebruiker bij het gebruik van de ruimte op een wijze waarvoor die naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. De Rechtbank heeft voorts overwogen dat de onderhavige winkelcompartimenten onvoldoende zelfstandigheid bezitten, aangezien zij niet beschikken over eigen toiletten en de aanwezige personen zijn aangewezen op elders in het pand aanwezige voorzieningen.

5.4. Anders dan de Rechtbank is het Hof is van oordeel dat de onderhavige winkelcompartimenten kunnen worden aangemerkt als gedeelten van een eigendom die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk deel te worden gebruikt, zoals bedoeld in artikel 3 van de Verordening. Het Hof acht daarvoor beslissend dat winkelcompartimenten afzonderlijk (kunnen) worden verhuurd. Het Hof leidt hieruit af dat de afzonderlijke winkelcompartimenten de door de Verordening geëiste zelfstandigheid bezitten. De omstandigheid dat de compartimenten niet over een eigen toiletruimten beschikken en het winkelpersoneel derhalve gebruik moet maken van een gemeenschappelijke toiletruimte die ook door het winkelende publiek kan worden gebruikt, doet daaraan niet af. De bedoelde toiletruimte is immers juist bestemd om (mede) door het personeel van alle winkels te worden gebruikt. Bovendien, nu vier van de vijf winkelcompartimenten aan derden worden verhuurd, staat het gemeenschappelijke gebruik van de toiletruimte kennelijk niet eraan in de weg dat de compartimenten afzonderlijk (kunnen) worden verhuurd.

5.5. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de

beslissing omtrent het griffierecht; en

- bevestigt de uitspraak van de heffingsambtenaar.

Aldus gedaan op 17 januari 2007 door R.J. Koopman, voorzitter, A.J. van Soest en A.J. van Soelen, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.