Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2455

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-01-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
04/00683
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BB6436, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BB6436
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel het onderhavige op 28 augustus 2002 ingediende bezwaarschrift uitdrukkelijk is gericht tegen de door de belanghebbende op 15 augustus 2002 voor de maand juli 2002 gedane aangifte, heeft de Inspecteur dit bezwaarschrift aangemerkt als te zijn gericht tegen de nadien, te weten op 31 augustus 2002, aan de belanghebbende afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968. Ook bij dit uitgangspunt had de Inspecteur de belanghebbende echter niet-ontvankelijk in haar onderhavige bezwaar dienen te verklaren, nu ingevolge het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan (slechts) achterwege blijft indien het bestreden besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Ondanks het feit dat het Hof tijdens het onderzoek ter zitting partijen er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het onder 2.2 vermelde bezwaarschrift mogelijk niet-ontvankelijk was, ongeacht of het gericht is tegen de aangifte over de maand juli 2002 dan wel de 2.5 vermelde voor bezwaar vatbare beschikking, zijn feiten noch omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou volgen, dat de aan de belanghebbende afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968 van 31 augustus 2002 reeds tot stand was gekomen vóór de indiening van het onderhavige bezwaarschrift; evenmin zijn feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de belanghebbende ten tijde van de indiening van dit bezwaarschrift redelijkerwijs kon menen dat deze beschikking reeds tot stand was gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0732
NTFR 2007/640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/00683

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de Gemeente X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift tegen de aangifte omzetbelasting over de maand juli 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij op 15 augustus 2002 ontvangen aangifte omzetbelasting met nummer 1, gedateerd 14 augustus 2002, heeft de belanghebbende aangifte gedaan over de maand juli 2002. Bij deze aangifte heeft de belanghebbende op de voet van artikel 33 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) verzocht om een teruggaaf van € 32,= omzetbelasting. Deze teruggaaf is verleend bij voor bezwaar vatbare beschikking van 31 augustus 2002 met nummer 2. Bij op 28 augustus 2002 ontvangen bezwaarschrift d.d. 26 augustus 2002 heeft de belanghebbende bezwaar ingediend tegen de door haar ingediende aangifte. Bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2004 heeft de Inspecteur de bij vorenbedoelde beschikking verleende teruggaaf van € 32,= verhoogd tot € 17.311,=.

1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 273,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 8 december 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende ,alsmede, de Inspecteur.

Partijen hebben verzocht deze zaak op de voet van artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te voegen met de zaak, die bij het Hof (nu) bekend is onder nummer 04/00685. Dit verzoek is door het Hof niet gehonoreerd. Wel zijn beide zaken met instemming van partijen tijdens het onderzoek ter zitting gelijktijdig behandeld.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.5. De belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting een pleitnota met 2 bijlagen voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de 2 bij deze pleitnota behorende bijlagen. Het Hof rekent deze pleitnota met bijlagen eveneens tot de gedingstukken.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde op het onderzoek ter zitting stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Bij op 15 augustus 2002 ontvangen aangifte omzetbelasting met nummer 1, gedateerd 14 augustus 2002, heeft de belanghebbende aangifte gedaan over de maand juli 2002. Bij deze aangifte heeft de belanghebbende op de voet van artikel 33, eerste lid van de Wet OB 1968 verzocht om een teruggaaf van € 32,= aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting.

2.2. Bij op 28 augustus 2002 ontvangen bezwaarschrift d.d. 26 augustus 2002 heeft de belanghebbende bezwaar ingediend tegen de door haar ingediende aangifte. Dit bezwaarschrift luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt:

'Hierbij maak ik namens de Gemeente X, sector A, pro forma bezwaar tegen de op 14 augustus jl. gedateerde en ingediende BTW-aangifte over de maand juli 2002 waarin de Gemeente € 32 heeft teruggevraagd.'.

2.3. Het onder 2.2 vermelde bezwaarschrift is gemotiveerd bij brief van 21 januari 2003, die, voor zover te dezen relevant, luidt als volgt:

'Op 26 augustus 2002 heb ik namens de gemeente X pro forma bezwaar gemaakt tegen de aangifte BTW over het tijdvak juli 2002. De aangifte vermeldt een negatief bedrag van € 32. De gemeente heeft echter verzuimd een bedrag van € 287.999 via die aangifte terug te vragen. Hierna zal ik gemotiveerd aangeven op grond waarvan de gemeente van oordeel is dat zij aanspraak heeft op teruggaaf van genoemd bedrag.'.

2.4. In de motivering van het beroepschrift van 13 mei 2004 schrijft de belanghebbende op pagina 2 onderaan en pagina 3 bovenaan, voor zover te dezen relevant, het volgende:

'Mijn conclusie is dat de termijnen voor het indienen van de aangifte/declaratie in acht zijn genomen, evenals die voor het indienen van de bezwaar- en beroepschriften. Om misverstanden dienaangaande te vermijden, vermeld ik nog dat volgens een uitspraak van de Hoge Raad ( 18 december 1991, nr 27 128, BNB 1992/183) het indienen van een bezwaarschrift tegen een negatieve aangifte mogelijk is. Belanghebbenden zijn niet genoodzaakt de uitspraak op het naar hun mening onjuiste verzoek om teruggaaf af te wachten, ten einde daartegen bezwaar te maken en vervolgens in voorkomend geval beroep aan te tekenen tegen een (gedeeltelijke) afwijzing van het bezwaarschrift.

Ik vermeld dit, omdat de inspecteur in de aanhef van de motivering van zijn uitspraak aangaande de BTW-aangifte over juli 2002 constateert dat ik op 28 augustus 2002 bezwaar heb gemaakt tegen een beschikking op een verzoek om teruggaaf van 31 augustus 2002. Deze vaststelling zou twijfels kunnen doen rijzen over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift, hoewel de inspecteur daarover geen opmerkingen maakt. Materieel heeft de uitspraak van de inspecteur betrekking op het bezwaarschrift tegen de aangifte over de maand juli 2002, ter zake waarvan, zoals ik hiervoor al heb aangegeven, de termijnen in acht zijn genomen.'.

2.5. De onder 2.1 vermelde teruggaaf is verleend bij voor bezwaar vatbare beschikking van 31 augustus 2002 met nummer 2.

2.6. Bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2004 heeft de Inspecteur de bij onder 2.5 vermelde beschikking verleende teruggaaf van € 32,= verhoogd tot € 17.311,=. De bij deze uitspraak behorende motivering van 4 maart 2004 luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt:

'Op 28 augustus 2002 heb ik van u een bezwaarschrift ontvangen waarin u namens uw cliënt, Gemeente X, bezwaar maakt tegen de beschikking van 31 augustus 2002 op uw verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over de maand juli 2002, beschikkingnummer 2.'.

2.7. De belanghebbende heeft - onweersproken - gesteld, dat de onder 2.6 bedoelde uitspraak een uitspraak is op het onder 2.2 vermelde bezwaarschrift.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaar tegen de aangifte over de maand juli 2002?

II. Zo deze vraag bevestigend moet worden beantwoord: Heeft de belanghebbende recht op teruggaaf van aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting tot een bedrag van € 287.999,=?

De belanghebbende is van oordeel dat vragen I en II bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur heeft de beantwoording van vraag I open gelaten en hij is met betrekking tot vraag II van oordeel dat deze ontkennend moeten worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.5 vermelde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben partijen het volgende - kort weergegeven - toegevoegd:

De belanghebbende

- De belanghebbende legt een 'Overeenkomst bouwkundige werkzaamheden'en een opstelling van facturen, ingekomen in de maand juli 2002, over.

- In aanvulling op de tweede alinea van de pleitnota: Er zijn verschillende aannemers werkzaam geweest. Een aantal springt eruit, bijvoorbeeld B die goed is voor 70% van de kosten, zoals stucwerk, tegelwerk enz. Verder waren er aannemers voor de liften en niet-aannemers, zoals architecten en installateurs voor geluidsisolatie. Door 5 aannemers zijn 89% van de kosten gemaakt.

- In het arrest Waterschap Zeeuws Vlaanderen is de vraag gesteld of een overheidslichaam iets als particulier vermogen aan kan merken en op die vraag is geen antwoord gekomen. De in de pleitnota opgenomen interpretatie is enigszins subjectief.

- Naar aanleiding van de vraag van Uw Hof of inzake het geschil omtrent het BTW-compensatiefonds een beschikking is afgegeven moet het antwoord worden schuldig gebleven. Uw Hof houdt de belanghebbende voor, dat indien alsnog bezwaar wordt aangetekend tegen een beschikking inzake het geschil omtrent het BTW-compensatiefonds dat dan beoordeeld zal moeten worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Uw Hof houdt partijen voor dat de zaken dan uit elkaar gaan lopen. Naar het oordeel van de belanghebbende wordt primair niet aan compensatie toegekomen. Dus de niet-ontvankelijkheid in het geschil omtrent het BTW-compensatiefonds is niet echt een probleem.

- Uw Hof houdt partijen voor, dat ook in de zaak met betrekking tot de aangifte over de maand juli 2002 een probleem speelt inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar. Uw Hof houdt partijen voor dat én een bezwaar tegen de aangifte, waarbij om teruggaaf wordt verzocht, én een bezwaar tegen de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij de gevraagde teruggaaf wordt verleend zich slecht laat denken. Alsdan zouden er twee procedures ontstaan over één verzoek om teruggaaf. Voorts lijkt het bezwaar van 26 augustus 2002 als bezwaar tegen de beschikking prematuur te zijn ingediend.

- Uw Hof stelt de belanghebbende de vraag of ook bezwaar is gemaakt tegen de voor bezwaar vatbare beschikking van 31 augustus 2002. De belanghebbende is gewend bezwaar te maken tegen haar onwelgevallige beschikkingen. Het nadeel van een bezwaar tegen die beschikking is, dat er twee procedures ontstaan over hetzelfde geschil.

- Uw Hof houdt partijen nadrukkelijk voor, dat in beide zaken problemen spelen inzake de ontvankelijkheid van de bezwaren.

- Uit het eerder overgelegde contract blijkt duidelijk dat sprake is van een voortbrenging van een gebouw in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel c van de Wet OB 1968. B krijgt opdracht om een gebouw neer te zetten. Er is een gebouw neergezet.

- De belanghebbende heeft opdracht gegeven tot verbouw en nieuwbouw van het stadskantoor. Er is een klein stukje van het oude gebouw blijven staan en daarachter is een heel groot gebouw tot stand gebracht uit hoofde van dit contract.

- Uw Hof vraagt de belanghebbende of de nota's termijnbetalingen betreffen met betrekking tot de uiteindelijke bouw. Het betreft twee of drie termijnbetalingen in dit tijdvak ter zake van de oplevering van fase I.

- Het overgelegde overzicht betreft rekeningen die in juli 2002 bij de gemeente zijn binnengekomen.

- Op de vraag van Uw Hof om een toelichting te geven op de naar het oordeel van de belanghebbende afgesproken percentages en de activiteiten van de belanghebbende wordt opgemerkt dat de belanghebbende zich hier bij de voorbereiding van de zitting niet in heeft verdiept. Voor zover nu aan te geven valt houden bijvoorbeeld ambtenaren zich in het stadskantoor bezig met de verhuur van vrijgestelde sporthallen.

- In reactie op het laatste woord van de Inspecteur wordt opgemerkt, dat hij voor het rechtstreeks verband te ver teruggaat. Het gaat om het gebruik van het stadskantoor.

De Inspecteur

– In reactie op de pleitnota van de belanghebbende wordt opgemerkt, dat niet feiten worden betwist waar wij het eerder over eens zouden zijn, maar de fiscale duiding. De fiscale duiding is door het arrest Charles anders. De overgelegde overeenkomst wil de Inspecteur eerst lezen.

– In deze zaak is, anders dan in het arrest Charles, geen sprake van de aanschaf van een pand. Het gaat om verschillende leveringen en diensten. Dan is aftrek wegens een toekomstige visie niet op zijn plaats. De etikettering gaat voor de aftrek. Aan de aftrek staat in de weg de etikettering van de afgenomen leveringen en diensten. In Nederland bestaat geen heffing als geregeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a van de Zesde Richtlijn, aldus wordt een beroep gedaan op de nationale regeling, die in dat geval geen aftrek kent.

– Wat betreft de niet-ontvankelijkheid inzake het geschil omtrent het BTW-compensatiefonds wordt opgemerkt, dat er geen sprake is van een heffingswet en niet van een rijksbelasting. In een beschikking wordt daadwerkelijk vastgesteld wat de compensatie is. Eerder is aan de belanghebbende geschreven, dat geen bezwaar en beroep openstaat tegen de opgave voor het BTW-compensatiefonds. De belanghebbende kan door de Inspecteur evenwel niet van de belastingrechter worden afgehouden.

– Naar aanleiding van de vraag van Uw Hof of inzake het geschil omtrent het BTW-compensatiefonds een beschikking is afgegeven moet het antwoord worden schuldig gebleven. Dit verloopt centraal via Breda. Uw Hof houdt partijen voor dat de zaken dan uit elkaar gaan lopen, indien alsnog bezwaar wordt aangetekend tegen een beschikking inzake het geschil omtrent het BTW-compensatiefonds.

– Uw Hof houdt partijen voor, dat ook in de zaak met betrekking tot de aangifte over de maand juli 2002 een probleem speelt inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar. Uw Hof houdt partijen voor dat én een bezwaar tegen de aangifte, waarbij om teruggaaf wordt verzocht, én een bezwaar tegen de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij de gevraagde teruggaaf wordt verleend zich slecht laat denken. Alsdan zouden er twee procedures ontstaan over één verzoek om teruggaaf. Voorts lijkt het bezwaar van 26 augustus 2002 als bezwaar tegen de beschikking prematuur te zijn ingediend.

– Naar het oordeel van de Inspecteur bedoelt de belanghebbende dat een belang bij een bezwaar tegen de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij de gevraagde teruggaaf wordt verleend ontbreekt als het bezwaar tegen de aangifte ontvankelijk is.

– Uw Hof houdt partijen nadrukkelijk voor, dat in beide zaken problemen spelen inzake de ontvankelijkheid van de bezwaren.

– Naar het oordeel van de Inspecteur zijn de aan de belanghebbende geleverde prestaties niet te duiden.

– Hetgeen B heeft gedaan wordt door de belanghebbende als een levering ex artikel 3, eerste lid, onderdeel h van de Wet OB 1968 gezien, a contrario is de rest geen levering.

– Uw Hof houdt de Inspecteur voor, indien het Hof met de Inspecteur zou meegaan, dat de cijfers niet duidelijk zijn. Hierop wordt geantwoord dat het onderscheid tussen leveringen en diensten en de etikettering daarvan niet uit de stukken blijkt.

– Naar het oordeel van de Inspecteur is het zo, dat wanneer de overheid een stadskantoor laat bouwen dat zij bezig is met haar eigen huisvesting als overheid.

3.3. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en tot het verlenen van een teruggaaf van € 287.999,=. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. De belanghebbende heeft in de motivering van het beroepschrift van 13 mei 2004 uitdrukkelijk het standpunt ingenomen, dat het onder 2.2 vermelde bezwaar is gericht tegen de over de maand juli 2002 ingediende (negatieve) aangifte en dat de belanghebbende, gelet op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 18 december 1991, nr. 27 128, onder meer gepubliceerd in BNB 1992/183, niet gehouden is te wachten op een ingevolge artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968 door de Inspecteur te geven voor bezwaar vatbare beschikking inzake het door de belanghebbende op de voet van artikel 33, eerste lid van de Wet OB 1968 bij de aangifte - naar het oordeel van de belanghebbende overigens naar een te laag bedrag - gedane verzoek om teruggaaf van aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting. De Inspecteur heeft de stelling van de belanghebbende, dat het onder 2.2 vermelde bezwaar is gericht tegen de over de maand juli 2002 ingediende aangifte niet weersproken.

4.2. Gelet op de bewoordingen van het onder 2.2 vermelde bezwaarschrift is het Hof van oordeel, dat de - door de Inspecteur onweersproken gelaten - stelling van de belanghebbende, dat het onder 2.2 vermelde bezwaar is gericht tegen de over de maand juli 2002 ingediende aangifte juist is.

4.3. Op de vraag van het Hof tijdens het onderzoek ter zitting of de belanghebbende eveneens bezwaar heeft gemaakt tegen de onder 2.5 vermelde voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968 heeft de belanghebbende geantwoord, dat zij tegen haar onwelgevallige beschikkingen bezwaar pleegt aan te tekenen. Mitsdien dient het ervoor worden gehouden, dat de belanghebbende eveneens bezwaar heeft gemaakt tegen de onder 2.5 vermelde voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968 van 31 augustus 2002.

4.4. In haar aangifte voor de omzetbelasting over maand juli 2002 heeft de belanghebbende het bedrag van de door haar over die maand terug te ontvangen, aan haar in rekening gebrachte, omzetbelasting berekend op € 32,=. Artikel 24 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (geldend in de voor het onderhavige geschil geldende tekst; hierna: de AWR) stelt de mogelijkheid van bezwaar uitsluitend open tegen, voor zover te dezen van belang, het bedrag dat door de belastingplichtige op aangifte is voldaan. Nu de belanghebbende geen enkel bedrag op de aangifte heeft voldaan, stond in casu de mogelijkheid van bezwaar niet open, zodat de Inspecteur de belanghebbende niet-ontvankelijk in het desalniettemin door haar gemaakte bezwaar had moeten verklaren. (In dit verband wijst het Hof op zijn uitspraak van 11 augustus 2006 met kenmerk 01/01844, nog niet gepubliceerd.)

4.5. De onder 4.4 gegeven uitleg van het bepaalde in artikel 24 van de AWR is uit een oogpunt van rechtsbescherming niet bezwaarlijk, nu de belastingplichtige in een zodanig geval wèl over het rechtsmiddel van bezwaar beschikt tegen de door de Inspecteur, naar aanleiding van het bij de aangifte op de voet van artikel 33, eerste lid van de Wet OB 1968 gedane verzoek om teruggaaf van aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting, af te geven voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968. Vorenbedoelde uitleg van artikel 24 van de AWR is in het onderhavige geval uit een oogpunt van rechtsbescherming in het bijzonder niet bezwaarlijk, nu de belanghebbende - zoals vermeld onder 4.3 - gewoon is bezwaar aan te tekenen tegen haar onwelgevallige voor bezwaar vatbare beschikkingen en de belanghebbende kennelijk, zie hieromtrent het overwogene onder 4.3, ook tegen de onder 2.5 vermelde beschikking bezwaar heeft aangetekend. Voorts zou het uit het oogpunt van proceseconomie bezwaarlijk zijn als een belanghebbende inzake hetzelfde materiële geschil tweemaal een rechtsingang zou worden geboden; het is immers onwenselijk dat de Inspecteur, in bezwaar, en de belastingrechter, in beroep, worden belast met twee procedures over één en hetzelfde geschil. Tevens zou dan het gevaar zich voordoen dat de alsdan zich voordoende twee (rechterlijke) procedures zouden leiden tot verschillende (rechterlijke) beslissingen inzake hetzelfde geschil.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, had de Inspecteur de belanghebbende niet-ontvankelijk dienen te verklaren in haar bezwaar tegen de door haar voor de maand juli 2002 gedane aangifte.

4.7. Hoewel het onderhavige op 28 augustus 2002 ingediende bezwaarschrift uitdrukkelijk is gericht tegen de door de belanghebbende op 15 augustus 2002 voor de maand juli 2002 gedane aangifte, heeft de Inspecteur dit bezwaarschrift aangemerkt als te zijn gericht tegen de nadien, te weten op 31 augustus 2002, aan de belanghebbende afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968.

4.8. Ook bij dit uitgangspunt had de Inspecteur de belanghebbende echter niet-ontvankelijk in haar onderhavige bezwaar dienen te verklaren, nu ingevolge het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan (slechts) achterwege blijft indien het bestreden besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Ondanks het feit dat het Hof tijdens het onderzoek ter zitting partijen er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het onder 2.2 vermelde bezwaarschrift mogelijk niet-ontvankelijk was, ongeacht of het gericht is tegen de aangifte over de maand juli 2002 dan wel de 2.5 vermelde voor bezwaar vatbare beschikking, zijn feiten noch omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou volgen, dat de aan de belanghebbende afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 33, zevende lid van de Wet OB 1968 van 31 augustus 2002 reeds tot stand was gekomen vóór de indiening van het onderhavige bezwaarschrift; evenmin zijn feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de belanghebbende ten tijde van de indiening van dit bezwaarschrift redelijkerwijs kon menen dat deze beschikking reeds tot stand was gekomen.

4.9. Uit het vorenoverwogene volgt, dat het Hof moet doen wat de Inspecteur had behoren te doen, namelijk de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaren in haar bezwaar.

4.10. Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

4.11. Gelet op de ontkennende beantwoording van vraag I komt vraag II niet meer aan de orde.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken waarin de belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. De samenhangende zaak betreft de zaak onder nummer 04/00685. Het Hof stelt de kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (samenhangende zaken) is € 966,=. Gelet op de samenhangende zaak onder nummer 04/00685 zal in deze zaak de helft van dit bedrag, € 483,=, worden toegekend.

5.2. Nu het beroep gedeeltelijk gegrond is, dient, gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aan de belanghebbende het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,= te worden vergoed.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet beslist worden als volgt:

Het Hof:

– verklaart het beroep gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraak,

* verklaart de belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen de aangifte omzetbelasting voor de maand juli 2002;

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van de belanghebbende, vastgesteld op € 483,=;

* gelast dat aan de belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,=; en

– wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten en het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan op 4 januari 2007 door A. Bijlsma, voorzitter, P. Fortuin en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 4 januari 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.