Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2047

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
05/00056
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de door belanghebbende bij zijn beroepschrift overgelegde balansen van B en C is het Hof van oordeel dat de feitelijke werkzaamheden van deze vennootschappen bestonden uit het beleggen van vermogen. De activa van deze vennootschappen bestaan immers volgens deze balansen vrijwel uitsluitend uit liquide middelen, effecten en vorderingen op E en belanghebbende, terwijl uit de passiefzijde van de balans blijkt dat deze activa slechts voor een gering deel gefinancierd zijn door middel van leningen verkregen van niet verbonden personen of lichamen. Afgezien van de na 1 januari 1995 voortgezette financiering van E werden door C en B naar het oordeel van het Hof geen risico's gelopen die een particuliere vermogensbelegger met een zelfde vermogenspositie in het kader van normaal vermogensbeheer niet zou hebben aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/26.1.3
FutD 2007-0689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00056

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraken van de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel belastingdienst Z van de Rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op de bezwaarschriften betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen voor de jaren 1995 tot en met 1999 en de bij die aanslagen afgegeven beschikkingen tot vaststelling en verrekening van verliezen, alsmede de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1996 tot en met 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

Inkomstenbelasting 1995:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1995 aangifte had gedaan van een inkomen van f 88.885,-, en - naar verrekening van verliezen - een belastbaar inkomen van nihil, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een inkomen van f 848.020,- en - na verrekening van verliezen - een belastbaar inkomen van f 254.873,-.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag verminderd tot één naar een belastbaar inkomen van f 51.058,-.

Vermogensbelasting 1996:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1996 aangifte had gedaan van een vermogen van f 2.266.326,-, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een vermogen van f 6.761.000,-

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Inkomstenbelasting 1996:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1996 aangifte had gedaan van een verlies van f 22.670,- heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 848.020,- en - na verrekening van verliezen - een belastbaar inkomen van f 367.980,-.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag verminderd tot één naar een belastbaar inkomen van f 364.990,-.

Vermogensbelasting 1997:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1997 aangifte had gedaan van een vermogen van f 2.170.406,-, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een vermogen van f 6.666.000,-.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Inkomstenbelasting 1997:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1997 aangifte had gedaan van een inkomen van f 139.240,-, en - naar verrekening van verliezen - een belastbaar inkomen van nihil, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 139.240,-.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Vermogensbelasting 1998:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1998 aangifte had gedaan van een vermogen van f 2.274.167,-, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een vermogen van f 6.472.687,-

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Inkomstenbelasting 1998:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1998 aangifte had gedaan van een inkomen van f 109.862,-, en - naar verrekening van verliezen - een belastbaar inkomen van nihil, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 109.862,-.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Vermogensbelasting 1999:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1999 aangifte had gedaan van een vermogen van f 5.850.178,-, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd conform de ingediende aangifte.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Inkomstenbelasting 1999:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1995 aangifte had gedaan van een inkomen van f 11.068,-, en - naar verrekening van verliezen - een belastbaar inkomen van nihil, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 49.174,-.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Vermogensbelasting 2000:

Nadat belanghebbende voor het jaar 1998 aangifte had gedaan van een vermogen van f 6.267.273,-, heeft de Inspecteur een aanslag voor dat jaar opgelegd conform de ingediende aangifte.

Op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij een van de bestreden uitspraken de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van ? 37,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Na te zijn uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 5 oktober 2006, heeft belanghebbende bij brief van 3 oktober 2006 op de voet van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek bij het Hof ingediend strekkende tot wraking van de drie leden van het Hof die de zaak behandelen. De wrakingskamer van het Hof heeft dit verzoek ter zitting van 5 oktober 2006 behandeld en op diezelfde dag onder nummer: wraking 31/04-2006 uitspraak gedaan. Bij deze uitspraak is het wrakingsverzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 5 oktober 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat belanghebbende op 3 juli 2006 telefonisch heeft ingestemd met datum, plaats en tijdstip van de mondelinge behandeling.

De griffier heeft voorts verklaard dat hij belanghebbende bij op 2 augustus 2006, met nummer 3S RRRK 6291716, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is te zamen met zijn echtgenote mevrouw A elk voor de helft houder van de aandelen in Beleggings- en beheermaatschappij B B.V. (hierna: B) en Beleggings- en beheermaatschappij C B.V. (hierna: C). Belanghebbende is tevens directeur van deze beide vennootschappen.

2.2. In 1990 zijn C en B gestart met de financiering van D B.V., later genaamd E B.V. (verder: E).

2.4. De aandelen in E worden gehouden door F, een zoon van belanghebbende, en diens echtgenote. Sedert begin 1992 houdt E zich bezig met de groothandel in, en de im- en export van zogenaamde baby- en kleuterhardware, bestaande onder meer uit kinderwagens en wandelwagens.

2.5. Per ultimo 1991 had C een lening in rekening-courant verstrekt aan E van ƒ 954.344,--. B had op dat moment geen lening verstrekt aan E. Per ultimo 1992 was B in de plaats getreden van C als verstrekker van kredieten aan E. Op laatstgenoemd tijdstip beliep de door B aan E verstrekte lening ƒ 1.274.924,--. C had op dat moment geen vordering op E. Per ultimo 1993 beliep de vordering van B op E ƒ 1.194.061,-- en per ultimo 1994 was deze vordering gegroeid tot ƒ 4.335.417,--. In 1993 en 1994 heeft C geen leningen aan E verstrekt. Wel had C blijkens de toelichting op haar fiscale balans per 31 december 1994 een pandrecht verleend op een tegoed groot ƒ 1.100.000,-- bij de Rabobank te Y, in verband met een aan E verstrekt crediet in rekening courant. Het betreft een door diezelfde Rabobank verstrekte geldlening aan E.

2.6. Op 28 december 1993 hebben B, C, E, F en diens echtgenote een overeenkomst gesloten. In die overeenkomst staat ondermeer het volgende:

"1. B draagt zorg voor de financiering van E met name door het verstrekken van geldleningen, het verlenen van credieten in rekening-courant en het garant staan tegenover derden voor bepaalde credieten door betrokkenen verstrekt aan E.

2. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van tien jaar, ingaande op 1 januari 1994 en eindigende op 31 december 2003.

3. Over de te verstrekken geldleningen zal B rente in rekening brengen, uitgaande van een rentevoet welke fractioneel ligt boven die welke de bankrelatie van C hanteert voor de berekening van de rente over deposito's van C. Deze rentevoet is thans 25 basispunten onder 1 maands Aibor (Amsterdam inter bank offered rate).

4. (...)

5. B zal over de tien in artikel 2 van deze overeenkomst bedoelde jaren een aandeel in de winst van E genieten groot 25%. (...)

6. (...)

a. (..)

b. Bij het einde der overeenkomst dienen alle schulden van E aan B en C te worden afgelost en beide B.V.'s te worden ontslagen van alle verplichtingen tegenover derden, verband houdende met de financiering van E. E is alsdan verplicht tot vrijwaring van beide B.V.'s voor aanspraken van derden, alsmede tot het verrichten van al hetgeen nodig is om het ontslag uit verplichtingen jegens derden te verkrijgen.

(...)".

2.7. Het verloop van de schuld van E aan belanghebbende en/of B, de verliezen van E en het vermogen van E in de jaren 1994 tot en met 2000 zijn in onderstaand schema weergegeven in guldens:

Ultimo jaar Schuld van E Resultaat van E Vermogen van E

1994 4.335.417 533.178 -/- 1.439.965 -/-

1995 4.867.336 566.697 -/- 1.969.227 -/-

1996 5.249.676 1.823.748 -/- 3.794.512 -/-

1997 5.235.628 668.294 -/- 4.461.643 -/-

1998 5.227.544 93.112 -/- 4.555.959 -/-

1999 5.219.290 239.715 -/- Niet bekend

2000 5.003.862 Niet bekend Niet bekend

2.8. Bij uitspraak van 15 november 2001, nr. 98/02189, heeft het Hof op het beroep van C inzake de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1994 geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat C ter zake van zogenaamde financieringsovereenkomst E d.d. 28 december 1993 enig risico loopt of heeft gelopen. In die zaak heeft het Hof voorts geoordeeld dat het blijkens die overeenkomst B en niet C is die als financier van E optreedt, dat ook overigens niet is gebleken dat C in 1994 als financier van E is opgetreden en dat uit de overeenkomst ook niet blijkt dat C in een andere hoedanigheid dan als financier van E enig risico loopt. Op die grond heeft het Hof de aanspraak van C op vorming van een voorziening ter zake de aan E verstrekte kredieten afgewezen. Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 31 januari 2003, nr. 37 830.

2.9. De waarde per 1 januari 1995 van de eigen woning van belanghebbende is bij beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken vastgesteld op f 769.000,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Moet de vanaf 1 januari 1995 voortgezette financiering van E door B voor de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 1995 tot en met 1999 worden aangemerkt als een uitdeling van winst door B aan belanghebbende

3.1.2. Is de waarde van de eigen woning van belanghebbende tot een te hoog bedrag in aanmerking genomen in de aanslagen inkomstenbelasting over 1995 en 1996 en vermogenbelasting over 1996 en 1997?

3.1.3. Maakt belanghebbende terecht aanspraak op aftrek van advocaatkosten ten bedrage van f 35.018,- op zijn arbeidsinkomsten van 1999?

3.1.4. Heeft belanghebbende recht op toepassing van de ondernemingsvrijstelling bij de heffing van vermogensbelasting over de jaren 1996 tot en met 1998?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. De Inspecteur heeft daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

Het vermogen van E was ultimo 1994 na onafgebroken verliezen in 1991 tot en met 1994 reeds gedaald tot negatief f 1.439.965,-. De toekomstperspectieven van E waren door een hooglopend conflict met een machtige toeleverancier zeer somber. Belanghebbende heeft zelf geschetst hoe die toeleverancier alles in het werk heeft gesteld om E de nek te breken. Belanghebbende was hiermee van het begin af aan bekend. Elke zakelijke financier zou de geldkraan hebben dichtgedraaid. De voortgezette geldverstrekking moet uitsluitend worden toegeschreven aan de persoonlijke wens van de aandeelhouders van belanghebbende, namelijk de wens om hun zoon te helpen.

De toename van het saldo van de rekening-courant vanaf 1 januari 1995 moet worden opgevat als een uitdeling van belanghebbende aan haar aandeelhouders, de heer en mevrouw X1. Zij wensten hun zoon, de enig aandeelhouder van E, aldus te helpen. Anders dan ik in mijn verweerschrift heb betoogd moeten de schenkingen niet worden geëlimineerd uit het verloop van de rekening-courant, zoals weergegeven op blad 11 van het verweerschrift.

3.3. Belanghebbende concludeert naar het Hof begrijpt tot vernietiging van de bestreden uitspraken, en vermindering van de opgelegde aanslagen conform de door hem ingediende aangiften.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

Vooraf en ambtshalve

Blijkens de onder 1 laatste alinea vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging aan belanghebbende van 2 augustus 2006 op 3 augustus 2006 aan hem uitgereikt.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil

4.1. In de jaren 1995 tot en met 1997 is de schuld van E toegenomen van f 4.335.417,- ultimo 1994 tot f 5.235.628, ultimo 1997. De Inspecteur betoogt dat deze toename moet worden gekwalificeerd als een uitdeling van B aan belanghebbende. Hij stelt in dit verband dat het vermogen van E ultimo 1994 na onafgebroken verliezen in 1991 tot en met 1994 reeds gedaald was tot negatief f 1.439.965,- en dat de toekomstperspectieven van E door een hooglopend conflict met een machtige toeleverancier zeer somber waren en dat belanghebbende hiermee bekend was. Om die redenen zou, zo betoogt de Inspecteur, elke zakelijke financier de geldkraan hebben dichtgedraaid en moet de voortgezette geldverstrekking uitsluitend worden toegeschreven aan de persoonlijke wens van belanghebbende, namelijk de wens om zijn zoon te helpen. Het Hof acht de hiervoor weergegeven stellingen van de Inspecteur aannemelijk en onderschrijft diens betoog. Om die reden moeten de geldverstrekkingen aan E door belanghebbende in 1995 en de daarop volgende jaren gezien worden als uitdelingen van winst van B aan haar aandeelhouders, belanghebbende en zijn echtgenote. Op grond van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995 en 1996), moet de uitdeling aan de echtgenote van belanghebbende, worden toegerekend aan belanghebbende. De omvang van deze uitdeling moet worden gesteld op de toename van de rekening-courantschuld in elk jaar. Dat was in 1995 f 531.919,- en in 1996 f 382.340,-. Ter zitting heeft de Inspecteur zich hiermee akkoord verklaard. Dit betekent dat de aanslag inkomstenbelasting over 1995, waarin rekening is gehouden met een uitdeling van f 550.000,-, in zoverre te hoog is.

4.2. De Inspecteur heeft gesteld dat hij de waarde van de eigen woning van belanghebbende voor toepassing van het huurwaardeforfait in de aanslagen inkomstenbelasting over 1995 en 1996, heeft gesteld op 60 percent van de bij een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde. Belanghebbende heeft voor zijn standpunt dat uitgegaan moet worden van een lagere waarde geen enkele onderbouwing gegeven. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met zijn hiervoor weergegeven geloofwaardige verklaring voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aldus is uitgegaan van een juiste waarde van de eigen woning.

4.3. Aangaande zijn aanspraak op aftrek van advocaatkosten heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de omvang deze kosten en het vereiste oorzakelijk verband met de verwerving, de inning of het behoud van zijn arbeidsinkomsten aannemelijk kan worden geoordeeld. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn ook anderszins niet komen vast te staan.

4.4. Op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, onderdeel c, van de Wet op de vermogensbelasting 1964, in samenhang met artikel 8, zesde lid, onderdeel b, van de wet op de vennootschapsbelasting 1969 bestaat geen recht op toepassing van de ondernemingsvrijstelling in de vermogensbelasting ter zake van aandelen in vennootschappen waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat uit het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid. Op grond van de door belanghebbende bij zijn beroepschrift overgelegde balansen van B en C is het Hof van oordeel dat de feitelijke werkzaamheden van deze vennootschappen bestonden uit het beleggen van vermogen. De activa van deze vennootschappen bestaan immers volgens deze balansen vrijwel uitsluitend uit liquide middelen, effecten en vorderingen op E en belanghebbende, terwijl uit de passiefzijde van de balans blijkt dat deze activa slechts voor een gering deel gefinancierd zijn door middel van leningen verkregen van niet verbonden personen of lichamen. Afgezien van de na 1 januari 1995 voortgezette financiering van E werden door C en B naar het oordeel van het Hof geen risico's gelopen die een particuliere vermogensbelegger met een zelfde vermogenspositie in het kader van normaal vermogensbeheer niet zou hebben aanvaard.

4.5. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het beroep gegrond is. De aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 1995 moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 32.977,- (te weten f 51.058, minus het verschil tussen f 550.000,- en

f 531.919,-).

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof in beginsel termen aanwezig de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Van zodanige kosten is echter niet gebleken. Weliswaar behoort tot de stukken van het geding een brief van 1 juni 2005 aan het Hof, waarin een advocaat namens belanghebbende vraagt alle correspondentie aangaande deze zaak aan haar adres te zenden, maar overigens is van enige bemoeienis door deze advocaat in deze zaak niets gebleken. Dit brengt mee dat bij afwezigheid van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, voor een veroordeling in die kosten geen plaats is.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995

- handhaaft de overigen uitspraken,

- vermindert de over het jaar 1995 opgelegde aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 32.977,-, en

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ? 37,- en

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan op 24 januari 2007 door A.J. van Soest, voorzitter, R.J. Koopman en N. van Beelen, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 24 januari 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.