Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA1905

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
R200600950
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man heeft naar het oordeel van het hof niet aan zijn (zware) stelplicht voldaan met betrekking tot de ingrijpende wijziging van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SBW

5 maart 2007

Sector Civiel recht

Rekestnummer R06/00950

Zaaknummer eerste aanleg 101486/FA RK 05-568

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.E. Lenglet,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 12 juni 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn verplichting tot betaling van alimentatie ten behoeve van de vrouw te stellen op nihil althans te verlagen conform zijn resterende draagkracht met terugwerkende kracht vanaf 10 januari 2005 althans vanaf een zodanig tijdstip als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 september 2006, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen en de man derhalve in zijn verzoek zoals omschreven in zijn beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hem dit verzoek te ontzeggen als zijnde rechtens ongegrond en/of onbewezen, kosten rechtens.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg –naar het hof begrijpt- op 6 december 2005;

- de brief van de advocaat van de man d.d. 11 januari 2007 met bijlagen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 11 mei 1994 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gewezen echt-scheidingsbeschikking van 28 juni 2001 van de rechtbank Maastricht is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 17 december 2001.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [B.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

4.3. Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 385,71 (ƒ 850,00) per kind per maand en als uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 317,65 (ƒ 700,00) per maand.

Vervolgens heeft dit hof bij beschikking van 6 augustus 2002 op basis van de door partijen bereikte overeenstemming de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw gewijzigd in die zin dat deze nader is vastgesteld op € 1.134,45

(ƒ 2.500,00) per maand. De alimentatie ten behoeve van de kinderen is gehandhaafd op € 385,71 per kind per maand. Voorts heeft het hof bepaald dat de wettelijke indexering voor het eerst zal worden toegepast per 1 januari 2003, zodat de onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen per 1 januari 2007 € 426,57 per kind per maand bedragen en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw € 1.254,63 per maand.

Partijen zijn volgens de beschikking van dit hof van 6 augustus 2002 overeengekomen dat de overeengekomen hoogte en duur (12 jaar) van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw niet bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald. In het convenant d.d. 7 augustus 2002 staat vermeld dat het bedrag van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ad € 1.134,45 niet bij rechter-lijke uitspraak kan worden gewijzigd op grond van wijziging van omstandigheden.

4.3.1. De man heeft wijziging gevraagd van deze onderhoudsbijdragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man nog steeds zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw en de kinderen kan nakomen en voorts dat er geen sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden en heeft vervolgens het verzoek van de man afgewezen.

De man kan zich niet verenigen met deze beslissing en komt hiervan in hoger beroep.

4.4. De man stelt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte het door Rubber Resources bv aan de man gegeven ontslag -volledig- voor risico van de man gelaten heeft. De man betwist dat de cijfers van deze vennootschap over 2002 al medio 2002 bekend waren of konden zijn, laat staan dat hij daarover “voortdurend” de beschikking heeft gehad. Hij meent dat het onzinnig is te veronderstellen dat hij zich uitgerekend in het zicht van zijn ontslag toch op een hogere alimentatie zou hebben vastgelegd, terwijl hij op grond van de beschikking van de rechtbank Maastricht van 28 juni 2001 minder alimentatie aan de vrouw hoefde te betalen dan ingevolge het echtscheidingsconvenant.

4.5. In grief 2 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat de vrouw in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap genoegen heeft genomen met minder dan haar toekwam, in ruil voor een hogere en/of langdurige alimentatie. Volgens de man verzuimt de rechtbank aan te geven hoeveel de vrouw haar inziens heeft ingeleverd op de verdeling alsook welk voordeel zij daartegenover heeft bedongen. Voorts meent hij dat de rechtbank de bewijslast te dezer zake ten onrechte omdraait, aangezien de vrouw het een en ander heeft gesteld, maar daarvan in het geheel geen bewijs geleverd heeft.

4.6. De man stelt vervolgens in grief 3 dat de rechtbank verzuimd heeft aan te geven waarom het risico - dat er minder dan 12 jaar een alimentatie van hetzelfde niveau zou kunnen worden voldaan - volledig bij de man behoort te worden gelegd. Hij stelt dat het ontslag een onvoorziene omstandigheid is en dat beide partijen niet aan die mogelijkheid hebben gedacht toen zij het convenant sloten.

4.7. Voorts stelt de man dat de rechtbank zijn verzoek ten onrechte (mede) heeft afgewezen vanwege de door hem ontvangen ontslagvergoeding van bruto € 125.000,00 (grief 4). De man meent primair dat met deze vergoeding geen rekening gehouden mag worden, omdat dit geen inkomen is, maar hoogstens een schadevergoeding. Subsidiair meent de man dat van deze vergoeding een rendement en dus extra inkomen van maximaal 4% per jaar over de netto uitkering in aanmerking genomen mag worden.

4.8. Het hof oordeelt als volgt.

4.8.1. Ter zitting heeft de man voor het eerst in deze procedure gesteld dat hij niet aan het niet-wijzigingsbeding gehouden kan worden. Volgens de man is dit beding destijds uitsluitend opgesteld voor het geval de vrouw eigen inkomsten zou gaan verwerven. Hij wijst daarbij op de brief van 12 juni 2002 van de advocaat van de vrouw aan de toenmalige advocaat van de man, waarin is vermeld bij het voorstel een niet-wijzigingsbeding op te nemen dat eventuele eigen inkomsten van de vrouw uit arbeid of vermogen geen aanleiding kunnen zijn voor verlaging van alimentatie. Als dat het geval zou zijn, zou de man op grond van het beding geen verlaging van de partneralimentatie kunnen vragen. Hij meent dat het niet-wijzigingsbeding slechts geldt voor het door hem genoemde geval en dat hij op andere wijzigingen van omstandigheden dus wel met vrucht een beroep kan doen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

4.8.2. Het door de man gestelde is naar het oordeel van het hof niet af te leiden uit het convenant d.d. 7 augustus 2002 en evenmin uit de beschikking van dit hof van 6 augustus 2002, waarin de brief van partijen d.d. 29 juli 2002, inhoudende hun overeenstemming onder meer ten aanzien van het niet-wijzigingsbeding, is overgenomen. De aan die brief voorafgegane brief van 12 juni 2002 (zie de hiervoor aangegeven passage) is gevolgd door een brief van de toenmalige advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw van 19 juni 2002 waarin staat vermeld dat het nadeel van het noemen van de wijziging (in het inkomen van de vrouw, hof) is, dat deze niet volledig is, omdat er nog veel meer wijzigingen in opgenomen kunnen worden die geen aanleiding zijn om de alimentatie te wijzigen. Om verwarring te voorkomen wordt door de advocaat van de man voorgesteld de passage omtrent het inkomen van de vrouw te laten vervallen. Gezien de meergenoemde beschikking van dit hof is dat kennelijk ook gebeurd. Ter zitting heeft de man nog aangegeven dat hij ervan uitging dat bij een verhoging van zijn inkomen, de vrouw geen verhoging van de partneralimentatie kon vragen.

Overigens is door de man niets gesteld en is niets gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij aan verklaringen of gedragingen van de vrouw de zin zoals door hem gesteld aan het niet-wijzigingsbeding mocht toekennen of dat hij dat redelijkerwijs mocht verwachten.

Het hof volgt de man dus niet in zijn standpunt dat hij (zonder meer) niet aan het niet-wijzigingsbeding gehouden kan worden.

4.8.3. Aangezien de grieven 1 tot en met 4 van de man zien op de vraag of er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigings-beding mag worden gehouden, zal het hof deze gezamenlijk behandelen.

4.8.4. Bij toepassing van artikel 1:159 lid 3 BW moet sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en wel zo dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de ene partij de andere aan het beding zou houden.

Het zal er daarbij op aan komen of een eventuele wanverhouding een gevolg is van een voor de toepassing van artikel 1:159 lid 3 BW voldoende ingrijpende wijziging ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden.

In aanmerking zal moeten worden genomen wat partijen toen aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad.

Aan de stelplicht van de verzoekende partij dienen zware eisen te worden gesteld.

4.8.5. De man heeft naar het oordeel van het hof niet aan zijn (zware) stelplicht voldaan. De man heeft niet, althans onvoldoende gesteld welke de omstandig-heden waren ten tijde van het sluiten van het convenant, ook niet nadat het hof dit ter zitting ter sprake heeft gebracht. Het hof weet niet meer dan dat waarschijnlijk, want desgevraagd aldus medegedeeld door de vrouw, het inkomen van de man over het jaar 2001 in aanmerking is genomen bij de bepaling van de alimentatie voor de vrouw. De man wist zich desgevraagd niet méér te herinneren dan dat er naar zijn idee bij het bepalen van de hoogte van de alimentatie voor de vrouw sprake was geweest van een soort handjeklap.

Over de omstandigheden ten tijde van het sluiten van het convenant is het hof dus (te) weinig bekend. Het hof kan derhalve niet beoordelen of er sprake is van een voldoende ingrijpende wijziging ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden.

Daarbij wordt nog opgemerkt, dat over de vraag welke samenhang er is tussen de overeengekomen alimentatie met het niet-wijzigingsbeding enerzijds en de wijze van verdeling van de gemeenschappelijk goederen anderzijds, partijen aanzienlijk van mening verschillen. Kennelijk heeft hen op dat punt in ieder geval niet hetzelfde voor ogen gestaan bij het sluiten van het convenant.

4.8.6. De stellingen van de man komen er op neer, dat de man ten gevolge van zijn ontslag bij Rubber Resources bv per 10 januari 2005 en zijn daarop volgende loongerelateerde WW-uitkering en vervolgens per 13 april 2005 zijn veel lagere inkomen bij de Openbare Bibliotheek Westelijke Mijnstreek, mede gelet op zijn huidige lasten (zoals vermeld door de rechtbank in de bestreden beschikking), geen draagkracht meer heeft om de overeengekomen alimentatie voor de vrouw te betalen. De overeengekomen alimentatie voldoet daardoor volgens de man niet meer aan de wettelijke maatstaven. Een volkomen wanverhouding zoals hiervoor bedoeld, is door de man niet gesteld.

4.8.7. Naar het oordeel van het hof kan er overigens geen sprake zijn van een dergelijke wanverhouding, omdat de door de man ontvangen ontslagvergoeding van € 125.000,= bruto bij de huidige omstandigheden van de man dient te worden betrokken. Het hof verwerpt dus het primaire standpunt van de man dat deze vergoeding geheel buiten beschouwing gelaten moet worden. Een dergelijke vergoeding is immers in de regel bedoeld als compensatie voor verlies van inkomen en de man wordt dan ook geacht die vergoeding aan te wenden als suppletie op zijn lagere inkomen na zijn ontslag. Hij kon en kan geacht worden gedurende langere tijd – hoe lang kan het hof bij gebrek aan nadere gegevens niet berekenen - zijn inkomen te suppleren met de ontslagvergoeding. Ook het subsidiaire standpunt van de man, dat de ontslagvergoeding niet alleen bestemd is als compensatie voor verlies van inkomen, maar ook als compensatie voor verlies van pensioenrechten en het gemis van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto, moet worden verworpen. De man heeft het hof geen enkel inzicht gegeven in de eventuele elementen van de ontslagvergoeding. Het hof zal deze vergoeding daarom geheel als compensatie voor inkomensverlies beschouwen. Het voorgaande houdt in dat ook het meer subsidiaire standpunt van de man, dat slechts rekening gehouden mag worden met een rendement van 4% over bedoelde ontslagvergoeding, moet worden verworpen.

4.8.8. Overigens kan nog de vraag worden gesteld voor wie van partijen het risico van het inkomensverlies door het ontslag komt. Dergelijk inkomensverlies is in het algemeen geen zeer uitzonderlijke omstandigheid. Als een niet-wijzigingsbeding wordt overeengekomen zal de mogelijkheid dat de inkomens van partijen erop voor- of achteruit gaan in de regel ingecalculeerd zijn. De man heeft wel gesteld dat het ontslag een door partijen onvoorziene omstandigheid is, maar niet dat deze omstandigheid zeer uitzonderlijk is. Dat betekent, dat de bewijslast, dat de man de gevolgen van dit inkomensverlies niet voor zijn risico heeft genomen op hem zou rusten. Een op dit punt toegesneden bewijsaanbod heeft de man evenwel niet gedaan.

4.8.9. Gezien het vorenoverwogene komt het hof niet toe aan de bespreking van de overige grieven van de man.

4.8.10. Op grond van het bovenstaande zal het hof het verzoek van de man afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen onder aanvulling van de gronden.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 12 juni 2006.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Philips en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.