Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA1900

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
20-002855-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen: Gelet op de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband ook met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat verdachte door aldus te handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld en dat er sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, gericht op het jegens het slachtoffer uitgeoefende openlijke geweld, dat van medeplegen kan worden gesproken. Dat verdachte zelf geen geweld heeft uitgeoefend jegens het slachtoffer doet daaraan niet af.

Voorwaardelijk opzet: Het geleiden van het slachtoffer naar een vijver en het (met kracht) duwen van het slachtoffer in die vijver valt naar het oordeel van het hof, mede gelet op de aard van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf, te weten het “flink in elkaar trappen” van het slachtoffer, binnen het kader van het voorgenomen misdrijf. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door deel te nemen aan de uitvoering van het voorgenomen misdrijf op de wijze als hiervoor is beschreven, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn mededaders dergelijk geweld zouden gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002855-06

Uitspraak : 16 februari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 juli 2006, parketnummer 01/835083-06 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 01/826234-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en de verdachte hiervoor hoofdelijk aansprakelijk zal stellen en dat het hof de vordering van de officier van justitie van 11 juli 2006 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank

's Hertogenbosch, parketnummer 01/826234-05, van 19 juli 2005 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, zal afwijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 maart 2006 te Valkenswaard met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, De Merendreef, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit:

- het meermalen, althans eenmaal, met (een) tot vuist gebalde hand(en) slaan/stompen en/of schoppen/trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij] en/of

- het (met kracht) vastpakken van [benadeelde partij] en/of (vervolgens) die [benadeelde partij] geleiden naar een vijver en/of

- het (met kracht) duwen van die [benadeelde partij] in of naar een vijver;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[mededader 1] en/of [mededader 2] op of omstreeks 24 maart 2006 te Valkenswaard met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, De Merendreef, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft/hebben gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit:

- het meermalen, althans eenmaal, met (een) tot vuist gebalde hand(en) slaan/stompen en/of schoppen/trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij] en/of

- het (met kracht) vastpakken van [benadeelde partij] en/of (vervolgens) die [benadeelde partij] geleiden naar een vijver en/of

- het (met kracht) duwen van die [benadeelde partij] in of naar een vijver,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 maart 2006 te Valkenswaard opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [benadeelde partij] (onder valse voorwendselen) mee te nemen naar de plaats des misdrijfs en/of die [mededader 1] en/of [mededader 2] te bellen op het moment dat [benadeelde partij] is aangekomen op de plaats des misdrijfs;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[mededader 1] en/of [mededader 2] op of omstreeks 24 maart 2006 te Valkenswaard opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij]),

- meermalen, althans eenmaal, met (een) tot vuist gebalde hand(en) slaan/stompen en/of schoppen/trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij] en/of

- het (met kracht) vastpakken van die [benadeelde partij] en/of (vervolgens) die [benadeelde partij] geleiden naar een vijver en/of

-het (met kracht) duwen van die [benadeelde partij] in of naar een vijver,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 maart 2006 te Valkenswaard opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [benadeelde partij] (onder valse voorwendselen) mee te nemen naar de plaats des misdrijfs en/of die [mededader 1] en/of [mededader 2] te bellen op het moment dat [benadeelde partij] is aangekomen op de plaats des misdrijfs.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 maart 2006 te Valkenswaard met anderen, op of aan de openbare weg, De Merendreef, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit:

- het meermalen met een tot vuist gebalde hand slaan tegen het hoofd van die [benadeelde partij] en het meermalen schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde partij] en

- het (met kracht) vastpakken van [benadeelde partij] en (vervolgens) die [benadeelde partij] geleiden naar een vijver en

- het (met kracht) duwen van die [benadeelde partij] in een vijver.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte medeplichtig is geweest aan het handelen van zijn mededaders en dat verdachte niet, zoals door de advocaat-generaal gesteld, aangemerkt kan worden als medepleger van het jegens het slachtoffer uitgeoefende geweld.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende. Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt ondermeer naar voren dat:

- verdachte actief betrokken is geweest bij de voorbereiding van het bewezen verklaarde en dat door verdachte met een van zijn mededaders is afgesproken dat het slachtoffer "flink in elkaar getrapt zou worden";

- verdachte het slachtoffer op 24 maart 2006 onder valse voorwendselen heeft meegenomen naar de plaats van het bewezen verklaarde misdrijf;

- verdachte, op het moment dat verdachte en het slachtoffer op de plaats van het bewezen verklaarde misdrijf waren aangekomen, een van zijn mededaders heeft gebeld, teneinde hem mede te delen dat het slachtoffer op de afgesproken plaats was;

- verdachte gezien en/of gehoord heeft dat zijn mededaders een aanvang namen met de uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf, doch zijn mededaders niet van verdere uitvoering van het bewezen verklaarde heeft weerhouden.

Gelet op de hiervoor weergegeven gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband ook met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat verdachte door aldus te handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld en dat er sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, gericht op het jegens het slachtoffer uitgeoefende openlijke geweld, dat van medeplegen kan worden gesproken. Dat verdachte zelf geen geweld heeft uitgeoefend jegens het slachtoffer doet daaraan niet af. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij het geleiden van het slachtoffer naar een vijver aan De Merendreef en het (met kracht) duwen van het slachtoffer in die vijver, vooraf niet heeft besproken met zijn mededaders en dat hij dit niet gewild zou hebben.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Het geleiden van het slachtoffer naar de vijver aan De Merendreef en het (met kracht) duwen van het slachtoffer in die vijver valt naar het oordeel van het hof, mede gelet op de aard van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf, te weten het "flink in elkaar trappen" van [benadeelde partij] voornoemd, binnen het kader van het voorgenomen misdrijf. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door deel te nemen aan de uitvoering van het voorgenomen misdrijf op de wijze als hiervoor is beschreven, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn mededaders dergelijk geweld zouden gebruiken. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft enerzijds rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in zijn soort in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 januari 2007 reeds eerder ter zake strafbare feiten is veroordeeld, die - evenals in het onderhavige geval - een racistische achtergrond hadden;

- de ernstige gevaarzetting voor het slachtoffer en de ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer;

- de omstandigheid dat verdachte vanaf het begin betrokken is geweest bij de voorbereiding van het bewezen verklaarde;

- de mate waarin het bewezen verklaarde, blijkens de inhoud van de door de voorzitter ter terechtzitting in hoger beroep voorgehouden brief van de vader van het slachtoffer, [vader slachtoffer], welke brief als bijlage bij het voegingsformulier is gevoegd, persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij het - vanwege de bij hem bestaande problematiek, kwetsbare - slachtoffer;

- de wijze waarop verdachte het vertrouwen van het slachtoffer dat het slachtoffer in hem, verdachte, had, heeft geschonden;

- de omstandigheid dat verdachte wist dat het slachtoffer een minder valide persoon is;

- de omstandigheid dat het hof een groot gevaar voor herhaling aanwezig acht;

- het gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke

onrust die daarvan het gevolg is.

Het hof heeft anderzijds, in strafmatigende zin, rekening gehouden met de inhoud van het zich in het dossier bevindende rapport d.d. 19 juni 2006, opgemaakt door drs. B.Y. van Toorn,

GZ-psycholoog, van welk rapport de conclusie en het advies - zakelijk weergegeven - met betrekking tot de verdachte ondermeer als volgt luiden:

Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin dat er op As-I sprake is van PDD-NOS en van misbruik van alcohol. Op As-II dient de zwakbegaafdheid benoemd te worden.

Met betrekking tot het advies aangaande de toerekingsvatbaarheid is het volgende in overweging genomen: op basis van zijn onvermogen om zich te kunnen verplaatsen in anderen en zijn onvermogen om mee te leven met anderen heeft betrokkene slechts zeer beperkt de consequenties voor zijn slachtoffer overzien. Betrokkene kon, door zijn zeer logische en inflexibele denkttrant, ook geen andere oplossing bedenken dan zijn opdrachtgever te gehoorzamen, door wie hij zich ernstig bedreigd gevoeld heeft. Op basis hiervan is het advies om betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het hof verenigt zich met voornoemde conclusie en voornoemd advies en maakt deze tot de zijne.

Het hof zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur, opleggen en aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde verbinden.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof komt op grond van voormelde overwegingen tot een oplegging van een straf welke afwijkt van datgene dat door het openbaar ministerie gevorderd is en welke afwijkt van datgene dat door of namens de verdachte ter verdediging is bepleit.

Het hof acht de hierna op te leggen straf zowel wat strafsoort als strafmaat betreft het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering tot tenuitvoerlegging van na te melden straf dient naar het oordeel van het hof te worden afgewezen, nu het vonnis dat aan deze vordering ten grondslag ligt geen onherroepelijk vonnis betreft.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR. 499,98, vermeerderd met de wettelijke rente, ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR. 380,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake het door de rechtbank toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde partij] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland, regio 's Hertogenbosch te 's Hertogenbosch en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verdachte, ook als dit inhoudt ambulante behandeling door de GGZ Eindhoven of een soortgelijke instelling.

Geeft Reclassering Nederland, regio 's Hertogenbosch opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te 's-Hertogenbosch van 11 juli 2006, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te

's Hertogenbosch van 19 juli 2005 onder parketnummer 01/826234-05 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR. 380,00 met dien verstande dat en indien en voorzover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], een bedrag te betalen van EUR. 380,00 (driehonderdtachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs en

mr. D. van Kralingen, voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 16 februari 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.