Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA1889

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
20-012369-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging of dwang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-012369-05

Uitspraak : 22 maart 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 29 december 2005 in de strafzaak met parketnummer 02-801741-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [1959],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde en de verdachte zal veroordelen terzake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1

primair

hij op of omstreeks 14 december 2005 te Tilburg [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (en/of aldus indirect tegen voornoemde [slachtoffer]) gezegd dat "Als [slachtoffer] aan de kinderen in de wijk komt, dan kom ik aan de kinderen van [slachtoffer]. Daar kunnen jullie zeker van zijn. Ik ben bereid om daar acht jaar van mijn vrijheid voor op te geven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden voornoemde [slachtoffer] bereikt hebben;

subsidiair

hij op of omstreeks 14 december te Tilburg, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer] en/of diens kinderen, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, opzettelijk dreigend tegen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (en/of aldus indirect tegen voornoemde [slachtoffer]) heeft gezegd: "Als [slachtoffer] aan de kinderen in de wijk komt, dan kom ik aan de kinderen van [slachtoffer]. Daar kunnen jullie zeker van zijn. Ik ben bereid om daar acht jaar van mijn vrijheid voor op te geven.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

In de eerste plaats acht het niet bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd, nu toch volgens de tenlastelegging het dreigement aan het adres van diens kinderen was gericht.

In de tweede plaats acht het niet bewezen dat de verdachte heeft gedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, aangezien in de tenlastegelegde bewoordingen heel wel een dreigement met andere dan de hier genoemde misdrijven besloten kan liggen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 december 2005 te Tilburg, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] door bedreiging met geweld gericht tegen diens kinderen, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, opzettelijk dreigend tegen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft gezegd: "Als [slachtoffer] aan de kinderen in de wijk komt, dan kom ik aan de kinderen van [slachtoffer]. Daar kunnen jullie zeker van zijn. Ik ben bereid om daar acht jaar van mijn vrijheid voor op te geven.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling, die aan het verkort arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van de verdachte is ten verweer betoogd dat verdachte van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte de tenlastegelegde woorden niet op de wijze zoals in het proces-verbaal door verbalisanten is gerelateerd heeft gezegd, in het bijzonder niet in die combinatie en in die volgorde.

Voorts is aangevoerd dat verdachte niemand ergens toe wilde dwingen, althans niet de bedoeling daartoe had, maar dat hij slechts iets bespreekbaar wilde maken.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt:

Een ambtsedig proces-verbaal d.d. 20 december 2005 van [verbalisant 1], hoofdinspecteur van politie Midden en West Brabant, en [verbalisant 2], inspecteur van politie Midden en West Brabant, houdt - onder andere - het volgende in:

"Vanuit het stedelijk veiligheidsprogramma is de bestuurlijke aanpak voorbereid om de veiligheid en de leefsituatie in de wijk [woonwijk] in Tilburg structureel te verbeteren. Daarnaast is in 2005 vanuit onder de vlag van het Regionaal Platform Fraudebestrijding een Interventieteam [woonwijk] gestart waarin wordt deelgenomen door gemeente, Openbaar Ministerie, politie, belastingdienst, UWV en woningbouwcorporaties.

In het projectplan Wijkgerichte aanpak [woonwijk] Tilburg is als doelstelling opgenomen 'om door middel van integrale handhaving de uitkeringsfraude, belastingfraude, illegale bewoning, het illegaal bij- en aanbouwen, hennepteelt en daarmee samenhangende misstanden aan te pakken en op die wijze een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de naleving van de rechtsregels, de veiligheid en openbare orde'.

Naar aanleiding van deze integrale aanpak werd er een actie ingepland om de hennepteelt aan te pakken, de kwekerijen op te sporen en te ontmantelen. Op 4 oktober zijn bij 42 woningen hennepkwekerijen (waarvan 3 xtc gerelateerde panden) aangetroffen, waarvan 16 in particuliere woningen en 26 in huurwoningen van corporaties. Op basis van een gedegen risico-inventarisatie zijn inmiddels naar aanleiding van de veegactie van 4 oktober 2005 een 22-tal panden aangewezen, welke een dusdanige gevaarzetting (brand door kortsluiting) hadden of waar een link naar XTC zat, waardoor is besloten om deze gezinnen uit de woning te plaatsen. Ten aanzien van deze gezinnen is er een procedure opgestart waarin de huurovereenkomst uiteindelijk zal worden ontbonden.

Op 7 december 2005 ontvingen bewoners van 22 panden een schrijven waarin de procedure tot ontbinding van de huur werd aangezegd. Nu het traject lopende is en er door een deurwaarder dagvaardingen zijn uitgereikt ten behoeve van de ontruiming, bereiken diverse berichten van maatschappelijke onrust afkomstig van de bewoners van de wijk [woonwijk].

In het kader van deze maatschappelijke onrust bereikte mij verbalisant [verbalisant 1] het verzoek van de heer [verdachte] dat hij een gesprek aan wilde gaan met mij in mijn functie als teamchef.

[verdachte] is een bewoner uit de wijk [woonwijk]. Zijn dochter, [betrokkene], is een van de bewoners die een schrijven heeft ontvangen in verband met de ontbinding van de huurovereenkomst.

Op 14 december 2004 vond dit gesprek plaats.

[verdachte] wordt zichtbaar fel, als er gesproken wordt over de schrijnende gevallen. Hiermee doelend op de drie tot vier alleenstaande moeders met kinderen die uit hun woningen zullen worden gezet. Hij is van mening dat wanneer deze trieste gevallen worden uitgezet er veel verzet zal zijn in de wijk. [verdachte] benoemt dat het desnoods oorlog wordt. [verdachte] gebruikt de letterlijke woorden: 'Als [slachtoffer] aan deze kinderen in de wijk komt, dan kom ik aan de kinderen van [slachtoffer]. Daar kunnen jullie zeker van zijn. Ik ben bereid om daar acht jaar van mijn vrijheid voor op te geven. Het is mij dit allemaal waard. Zo ben ik en er is niets wat mij dan nog tegenhoudt.' "

Voorts hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter 's hofs terechtzitting van onderscheidenlijk 16 november 2006 en 8 maart 2007 verklaard - onder andere -:

"Voor zover ik me kan herinneren zijn de woorden van [verdachte] zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal, ook zo door hem gezegd. Zoals het staat weergegeven, zo is het ook gezegd. Toen ik [verdachte] die woorden hoorde zeggen, dacht ik nog: 'Wat gebeurt me nu? Om dat zo maar tegenover de politie te zeggen!'

Ik en mijn collega hebben de door [verdachte] gebezigde woorden goed onthouden omdat die cruciaal waren. We hebben ze zo goed mogelijk onthouden en opgeschreven."

Onderscheidenlijk:

"Voor zover er in ons proces-verbaal sprake zou zijn geweest van een samenvatting van uitlatingen van de verdachte is in elk geval de context waarin die zijn gedaan ongewijzigd gebleven."

Ten slotte heeft de verdachte ter 's hofs zitting van 16 november 2006 - onder andere - verklaard:

"Ik was het niet eens met de wijze van optreden door de politie in die wijk. Ik wilde daar mijn mening over geven. Misschien hadden ze daar begrip voor en kon ik het beleid daarmee op een goede manier veranderen."

Uit het bovenoverwogene trekt het hof het gevolg dat de verdachte zich heeft uitgesproken op de wijze als verwoord in de tenlastelegging en dat hij daarmee de bedoeling had om (burgemeester) [slachtoffer] te dwingen het beleid ten aanzien van hennepkwekerijen te wijzigen, dan wel dat beleid niet verder te doen uitvoeren dan wel hennepkwekerijen te dulden.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 284, eerste lid aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 45, eerste lid, (oud) van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 284 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot: een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. J.P.F. Rijken,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

en op 22 maart 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Rijken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.