Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA1886

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
R200601414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor omdat verzoekster zich aan de hand van de deskundigenrapporten en schriftelijke verklaringen reeds een duidelijk beeld kan vormen over haar positie in rechte.

Feiten uit 1994. Niet valt te verwachten dat de getuigen veel (betrouwbaars) kunnen toevoegen aan eerder afgelegde schriftelijke verklaringen. Ter gelegenheid van de beoordeling van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan de rechter deze verwachting in de beoordeling betrekken. Het maken van een prognose is hier niet verboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DHJ

21 maart 2007

sector civiel recht

zevende kamer

rekestnummer R200601414

in eerste aanleg zaaknummer 74088/HA RK 06-124

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

verder te noemen: verzoekster,

advocaat: mr. M.A. Smits te Nijmegen,

procureur: mr. J.A.J.M.I. van Laake,

t e g e n:

[Y.],

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

verder te noemen: verweerster,

advocaat: mr. B.F. Keulen te Utrecht,

procureur: mr. O.J.H.M. van Eijndhoven.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschik-king van de rechtbank Roermond van 13 september 2006, waarvan beroep.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het beroepschrift is binnengekomen ter griffie van dit hof op 11 december 2006.

Het verweerschrift in hoger beroep is binnengekomen ter griffie van dit hof op 20 december 2006.

De mondelinge behandeling vond plaats op 14 maart 2007. Daarbij waren aanwe-zig de advocaten mr. Smits en mr. Kragt, vervangende mr. Keulen.

3. De gronden van het verzoek

Voor de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij verzoekschrift dd. 2 juni 2006 heeft verzoekster de rechtbank Roermond verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen teneinde vier getuigen te doen horen, te weten verzoekster en haar echtgenoot alsmede verweerster en nog een andere verloskundige.

4.2. Verzoekster heeft haar verzoekschrift onderbouwd, stellende dat zij verweerster aansprakelijk stelt, omdat zij, verzoekster, blijvende restverschijnselen heeft overgehouden, die mogelijk voorkomen hadden kunnen worden (of minder ernstig hadden hoeven te zijn) indien verweerster als begeleidend verloskundige in 1994, ten tijde van de zwangerschap van verzoekster, adequater had gereageerd op het ernstig klachtenpatroon dat zich toentertijd manifesteerde bij verzoekster.

4.3. Verzoekster wenst opheldering, zo stelt zij, over een aantal – niet nader ge-noemde - feiten met betrekking tot de verloskundige begeleiding teneinde zich een oordeel te vormen over de haalbaarheid van een civiele procedure en om zich een beeld te kunnen vormen omtrent de juridische grondslag van de procedure.

4.4. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen onder meer overwegende dat, in aanmerking nemende het tijdsverloop sedert 1994, een meer concreet en onder-bouwd verzoek had mogen worden verwacht en dat aangegeven zou worden wel-ke feiten verzoekster wil achterhalen en waarom die feiten, mede in het licht van de voorhanden deskundigenrapportages en de destijds heersende opvattingen over bekkeninstabiliteit, van belang zouden kunnen zijn.

4.5. Een voorlopig getuigenverhoor kan dienen ter voorbereiding van een proce-dure, en in het bijzonder om te kunnen beoordelen of het zinvol is de procedure aan te gaan. Een verzoek tot het houden van zo’n verhoor is in beginsel toewijs-baar, tenzij het niet voldoet aan daaraan te stellen vereisten, het in strijd is met een goede procesorde, misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verlangen of als het verzoek op een ander zwaarwegend ge-oordeeld bezwaar afstuit (HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442).

4.6. Het hof leidt uit de vorige overweging af, en overigens ook uit de aard van een voorlopig getuigenverhoor – de voorlopigheid - dat het niet de bedoeling van zodanig verhoor is om (anders dan in het geval van getuigenverhoren waarvan in het bodemgeding sprake is) een bewijsfase te doorlopen die, naar het oordeel van de belanghebbende partij volledig is bedoeld of om niet reeds bekende feiten te achterhalen (fishing expedition). In het bijzonder dient het voorlopig getuigenver-hoor zich te beperken tot haar doel, namelijk om de verzoeker in staat te stellen zich een oordeel te vormen over haar procespositie in het aanhangig te maken of het hangende geding (vgl. Hof Den Bosch 17 januari 2007, JIN 2007/128). Als, naar het oordeel van de rechter, niet aan dit doel is voldaan, kan afwijzing van een verzoek volgen.

4.7. Naar het oordeel van het hof kan verzoekster zich thans, mede in het licht van de overgelegde deskundigenrapportages en de schriftelijke verklaringen van ver-zoekster, haar echtgenoot en van verweerster, in voldoende mate een oordeel vormen over haar proceskansen en omtrent de grondslag van haar vordering.

4.8. Redelijkerwijs valt niet te verwachten, mede gelet op het tijdsverloop, dat een verhoor van de door haar genoemde getuigen thans nog nieuwe, betrouwbare fei-ten zal opleveren die een ander beeld opleveren dan dat thans gevormd kan wor-den. Hooguit zal het aankomen op vaststelling van kleine details die wellicht enig gewicht in de schaal kunnen leggen, als zij door de bodemrechter voldoende be-trouwbaar worden aangemerkt in het licht van het tijdsverloop. In zodanige situa-tie is het van belang dat de rechter, die over de zaak te oordelen krijgt, de getuigen hoort ná een daartoe tussen partijen gevoerd debat waarin alle aspecten zorgvuldig uiteen zijn gezet. Daarmee wordt tevens voorkomen dat getuigen, ná het voorlo-pig getuigenverhoor, nogmaals gehoord moeten worden over dezelfde feiten maar dan in het licht van het partijdebat.

4.9. De stelling van de advocaat van verzoekster dat afwijzing op grond van een verwachting omtrent hetgeen de getuige zal gaan verklaren, niet is toegestaan (een verboden prognose), verwerpt het hof. Die stelling miskent dat geen sprake is van een (volledige) bewijsfase. Beoordeeld dient te worden of in het belang van ver-zoekster reeds thans, vooruitlopende op een eventueel door de bodemrechter te gelasten verhoor, getuigen kunnen worden gehoord. In zodanige situatie mag de rechter rekening houden met een verwachting omtrent hetgeen de getuigen kun-nen verklaren, in ieder geval onder de bijzondere omstandigheden zoals hier ge-bleken, namelijk het tijdsverloop, de schriftelijke verklaringen en de deskundigen-rapporten.

4.10. Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek aangevuld met de grondslag van het verloren gaan van bewijs. Zulks deed zij nadat de afwezigheid van verweerster werd verklaard aan de hand van haar gezondheidstoestand (zij zou vorig jaar chemokuren hebben ondergaan). Naar het oordeel van het hof is evenwel niet ko-men vast te staan dat de gezondheid van verweerster zodanig is dat de bodempro-cedure niet afgewacht zou kunnen worden. Naar verklaring van haar advocate ter zitting is verweerster genezen van de levensbedreigende ziekte.

4.11. Er bestaan mitsdien zwaarwichtige bezwaren tegen het houden van een voorlopig getuigenverhoor, zodat het behoort te worden afgewezen. Verzoekster zal in de kosten worden verwezen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep onder aanvulling van gronden;

veroordeelt verzoekster in de kosten aan de zijde van verweerster in hoger beroep gevallen, tot op heden begroot op € 296,- voor vast recht en op € 894,- voor sala-ris procureur en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Van den Bergh en Schaafsma-Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.