Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA0780

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
C0300010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof kan hetgeen wordt aangevoerd niet tot toekenning van een overbedelingsuitkering aan de vrouw leiden. In het economisch verkeer heeft de onderneming kennelijk geen waarde, zij het dat de man, na inbreng van arbeid, daaruit mogelijk een inkomen kan genereren en dat de onderneming aldus een bijzondere waarde voor de man heeft. Dit inkomen staat kennelijk in redelijke verhouding tot de geleverde arbeidsinspanning. Dit inkomen is ten tijde van het huwelijk ten goede van partijen gekomen doordat het in het huishouden is gevloeid. De omstandigheid dat de man ook ná het huwelijk uit de onderneming een inkomen kan genereren is nog onvoldoende om, in het kader van de financiële afwikkeling van de gemeenschap, aan de vrouw een uitkering toe te kennen. Dit inkomen staat immers tegenover door de man te leveren arbeidsinspanning. De redelijkheid en billijkheid en de overig aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders. Grief 1 in principaal appel slaagt dus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MT

rolnr. C0300010/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 27 februari 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats], Duitsland,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op de op 17 augustus 2004, 4 januari 2005 en 5 september 2006 gewezen tussenarresten op het hoger beroep tegen het onder zaaknummer 70566/HA ZA 01-1123 door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 22 augustus 2002 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

12. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

12.1. In laatstgenoemd tussenarrest is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van de vrouw en is iedere verdere beslissing aangehouden.

12.2. De vrouw heeft een akte genomen; de man een antwoordakte.

12.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken wederom aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

13. De verdere beoordeling

13.1. Het hof kan thans komen tot een afronding van de zaak. In de tussenarresten is reeds geoordeeld dat de grieven 4, 5, 6 en 7 in het principaal appel falen.

De grief in het incidenteel appel is gegrond bevonden en leidt tot de toekenning van het bedrag van de helft van E. 801,27 (zijnde E. 400,63) aan de vrouw.

13.2. Grief 8 in het principaal appel, die zich keert tegen de dwangsombeslissing is gedeeltelijk gegrond bevonden. Ter wille van de duidelijkheid en ter voorkoming van executiegeschillen zal het hof de beslissing herformuleren.

13.3. Het ondernemingsvermogen (grief 1 in het principaal appel)

13.3.1. In geschil is de waardering van het ondernemingsvermogen. De door het hof benoemde deskundige heeft de waarde van de aandelen van partijen per 1 januari 1999 gewaardeerd op nihil en de liquidatiewaarde op die datum op DM 10.356,- negatief. Het hof ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen met dien verstande dat de waarde van het ondernemingsvermogen tussen partijen op nihil zal worden gesteld, zodat er geen overbedelingsvergoeding zal worden vastgesteld noch van de man jegens de vrouw noch omgekeerd.

13.3.2. In haar akte van 31 oktober 2006 meent de vrouw dat een afwijking te haren gunste geboden is gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval. Zij beroept zich daartoe op de omstandigheid dat de waarde moet worden vastgesteld in het kader van de financiële ontvlechting van de huwelijksgoederengemeenschap die tussen partijen heeft bestaan, de daaruit voortvloeiende eisen van redelijkheid en billijkheid, op de omstandigheid dat zij geen bemoeienis heeft gehad met het reilen en zeilen van de onderneming en er geen andere cijfers voorhanden zijn dan de balans per 31 december 1998, op artikel 3:185 BW en op de omstandigheid dat de man de onderneming niet zou hebben willen voortzetten indien daaraan voor hem geen financiële voordelen en andere voordelen verbonden zouden zijn.

13.3.3. Naar het oordeel van het hof kan hetgeen wordt aangevoerd niet tot toekenning van een overbedelingsuitkering aan de vrouw leiden. In het economisch verkeer heeft de onderneming kennelijk geen waarde, zij het dat de man, na inbreng van arbeid, daaruit mogelijk een inkomen kan genereren en dat de onderneming aldus een bijzondere waarde voor de man heeft. Dit inkomen staat kennelijk in redelijke verhouding tot de geleverde arbeidsinspanning. Dit inkomen is ten tijde van het huwelijk ten goede van partijen gekomen doordat het in het huishouden is gevloeid. De omstandigheid dat de man ook ná het huwelijk uit de onderneming een inkomen kan genereren is nog onvoldoende om, in het kader van de financiële afwikkeling van de gemeenschap, aan de vrouw een uitkering toe te kennen. Dit inkomen staat immers tegenover door de man te leveren arbeidsinspanning. De redelijkheid en billijkheid en de overig aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders. Grief 1 in principaal appel slaagt dus.

13.3.4. De rechtbank had in het vonnis waarvan beroep het ondernemingsvermogen vastgesteld op fl. 118.887,43, zijnde E. 53.948,76. De overbedelingsuitkering aan de vrouw toegekend ten laste van de man zal daarom met dit bedrag worden gecorrigeerd.

13.4. De passiva (grieven 2 en 3 principaal appel)

13.4.1. De rechtbank heeft in rov. 3.3.3 het saldo van de activa en passiva vastgesteld op E. 158.669,04. Dit bedrag dient thans te worden gecorrigeerd met de hiervoor genoemde bedragen van E. 53.948,76 (af) en E. 801,27 (bij) zodat resteert E. 105.521,55. De helft daarvan, te verminderen met E. 4.131,09, zoals de rechtbank deed, leidt de overbedelingsuitkering ten gunste van de vrouw van E. 48.629,69.

Gelet op deze uitkomst heeft de man geen belang bij grief 2 in het principaal appel, zoals reeds werd overwogen in rov. 4.3.2.

13.4.2. De man heeft verdeling gevorderd van rentetermijnen die vervallen zijn op de passiva ná 15 januari 1999. In rov. 4.4.3 van het tussenarrest van 17 augustus 2004 heeft het hof om een specificatie gevraagd. Deze heeft de man niet verstrekt. Deze verdeling kan derhalve niet worden toegewezen. Het hof merkt dienaangaande nog het volgende op. Nu het hof de verdeling van de passiva van de huwelijksgoederengemeenschap (zoals door de rechtbank vastgesteld) bekrachtigt, betekent dit dat de schulden vanaf de datum van het vonnis (22 augustus 2002) ten laste van de man komen, en daarmee ook de daarop vallende rente.

13.4.3. Grief 3 in het principaal appel leidt derhalve niet tot een andere beslissing.

13.5. De door de vrouw gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar. Het verweer van de man faalt. Wettelijke rente is verschuldigd, na aanzegging, vanaf het moment van verdeling en dat is in casu de datum van het te bekrachtigen vonnis, 22 augustus 2002, met dien verstande dat wettelijke rente gevorderd wordt ingaande 7 september 2002. De omstandigheid dat de hoogte van de overbedelingsuitkering eerst later definitief wordt vastgesteld ontnam de vrouw niet haar recht op wettelijke rente (vgl. HR 15 juni 2001, NJ 2001/435).

13.6. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd.

14. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 22 augustus 2002, zoals verbeterd bij uitspraak van 16 september 2002, maar alleen voor wat betreft het vastgestelde bedrag van de overbedelingsuitkering ad E. 75.203,43 en ten aanzien van de dwangsombeslissing;

en in zoverre opnieuw recht doende:

bepaalt de overbedelingsuitkering op E. 48.629,69 (zegge: achtenveertigduizend zeshonderdennegenentwintig euro en 69 cent) in plaats van op E. 75.203,43, te vermeerderen met de wettelijke over dat bedrag vanaf 7 september 2002 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man om met ingang van de dag dat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt - dat wil zeggen vanaf de dag dat het Duitse militair pensioen tot uitkering zal komen - maandelijks aan de vrouw te betalen de aanspraak die zij heeft als haar aandeel van het maandelijks uit te keren pensioen, opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen;

en

veroordeelt de man om binnen één maand na ontvangst van bewijsstukken waaruit de hoogte van het Duitse militair pensioen blijkt een kopie van deze stukken aan de vrouw te sturen, zulks op straffe van een dwangsom van E. 2.268,90 (zijnde fl. 5.000,-) voor elke keer dat de man, na betekening van dit vonnis in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de mrs. Bod, Van Etten en Den Hartog Jager en is uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 27 februari 2007.