Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA0774

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
C0500593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[geïntimeerden] is het eens met het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] dient te bewijzen dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook. Dat wil zeggen dat [appellanten] dient te bewijzen dat sprake is van het gedurende ten minste 20 jaar onafgebroken hebben van bezit van de strook, dit omdat dan de rechtsvordering van [geïntimeerden] tot herstel van zijn bezit is verjaard. Daarbij gaat het erom of de feitelijke macht die [appellanten] en/of zijn rechtsvoorganger [persoon 1] met betrekking tot de strook voor zichzelf heeft uitgeoefend, van dien aard was, dat ze naar verkeersopvatting tot de conclusie moest leiden dat [appellanten]/[persoon 1] bezitter was van de strook. De machtsuitoefening van [appellanten]/[persoon 1] diende daarbij zodanig te zijn dat daaruit niet anders kon worden afgeleid dan dat [appellanten]/[persoon 1] pretendeerden rechthebbende te zijn op de strook, en dat daarover geen onduidelijkheid bestond. Ook naar het thans geldende recht dient dit bezit van [appellanten] immers openbaar en ondubbelzinnig te zijn. Weliswaar is dat niet langer uitdrukkelijk in de wet vermeld, maar die vereisten liggen reeds in het hebben van bezit besloten (Toelichting Meijers, PG boek 3, p. 408). Niet ieder gebruik van de strook kan dus als bezit worden aangemerkt; het kan immers ook zijn grond vinden in afspraken tussen de eigenaren van de aan elkaar grenzende percelen of andere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MT

rolnr. C0400593/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 6 maart 2007,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

2. [APPELLANTE SUB 2],

wonende te [plaats], [gemeente],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

procureur: mr. E.G.M. van Ewijk,

tegen

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

beiden wonende te [plaats],

[gemeente],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

procureur: mr. G.A.W. Bernards,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 maart 2004 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, voor zover in conventie gewezen, onder rolnummer 69316/HA ZA 01-1723 op 10 december 2003 uitgesproken tussen appellanten in principaal appel - nader in enkelvoud te noemen [appellanten] - als gedaagden en geïntimeerden in principaal appel - nader in enkelvoud te noemen [geïntimeerden] - als eisers.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis welk vonnis zich bij de stukken bevindt.

2. De procedure in hoger beroep in principaal en incidenteel appel

Bij memorie van grieven heeft [appellanten] onder overlegging van een productie twee grieven aangevoerd en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven. Tevoren had [appellanten] reeds een luchtfoto gedeponeerd, van welk depot door de griffier akte is opgemaakt.

Vervolgens heeft [geïntimeerden] bij memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel onder overlegging van producties de grieven bestreden en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven. [geïntimeerden] heeft toen tevens luchtfoto's gedeponeerd, waarvan de griffier akte heeft opgemaakt.

[appellanten] heeft vervolgens een memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte in het principaal appel houdende een uitlating genomen.

[geïntimeerden] heeft daarna een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

3. De grieven in principaal en incidenteel appel

Voor de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling van de grieven in principaal en incidenteel appel

4.1. De grieven richten zich niet tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 1 van het vonnis van 10 december 2003. Het hof gaat van dezelfde feiten uit.

4.2. Het gaat in dit geschil om het volgende.

(a) [geïntimeerden] en [appellanten] zijn buren. [appellanten] woont op de hoek van [straat 1] en [straat 2] ([adres 1]); het hof zal dit perceel verder ook perceel A noemen. [geïntimeerden] heeft zijn winkel daarnaast op [adres 2] (verder ook perceel B te noemen.

(b) Vóór maart 1972 waren de percelen A en B in één hand, bij de Boerenbond (later CAV genaamd, hierna CAV of Boerenbond te noemen). In maart 1972 is het totale perceel gesplitst in de percelen A en B, en is perceel A door de Boerenbond geleverd aan [persoon 1]. [persoon 1] erfgenamen hebben het in juli 1992 geleverd aan [appellanten]. CAV heeft perceel B in 1996 geleverd aan [persoon 2], [persoon 2] heeft het in 1998 geleverd aan [geïntimeerden].

(c) De transportakte van de levering van perceel A door de erven [persoon 1] aan [appellanten] (productie 1 bij conclusie van antwoord) omschrijft het verkochte perceel als volgt:

"het woonhuis met ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te [plaats 1], plaatselijk bekend [adres 1], uitmakende het resterende gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [plaats 1] [kadasternummer], ter grootte van ongeveer vijf aren negenentwintig centiaren"

Onder de kop "VOORAFGAANDE VERKRIJGING" wordt in de akte opgemerkt:

"Gemeld registergoed is oorspronkelijk in eigendom verkregen door de [persoon 1], geboren te [plaats 1] op [datum 1], laatstelijk gewoond hebbende te [plaats 1] 5443 ND, [adres 1] en overleden te [plaats 1] [datum 2] door de inschrijving ten kantore van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te 's-Hertogenbosch op [datum 3]."

(d) In 1972 is de kadastrale grens tussen beide percelen uitgezet door het kadaster (tekening 317), in aanwezigheid en met instemming van [persoon 1] en de voorzitter van Boerenbond/CAV [persoon 3] (als bijlage gevoegd bij productie 2 bij conclusie van eis).

(e) In 1982 heeft het kadaster beide percelen en andere omliggende percelen opnieuw opgemeten; volgens de kadastrale meting (bijlage bij productie 2 bij conclusie van eis) was de grens toen hetzelfde als in 1972. Ook toen is [persoon 1] gehoord. Deze heeft toen geen bezwaar gemaakt tegen de op de tekening vastgelegde grens.

(f) In 1998 heeft het kadaster voor de derde keer de grens gemeten, nu in aanwezigheid van [appellanten] en [geïntimeerden].

In het relaas van bevindingen, opgemaakt op 10 september 1998 (productie 1a bij conclusie van eis), is achter "omschrijving van de aangewezen grenzen" aangetekend

"Grens onzichtbaar in het terrein, aangegeven door ijzeren pin en pl. buis".

Achter "vermelding omtrent het al dan niet eensluidend zijn van de aanwijzingen" is opgenomen:

"[appellanten] claimt de in gebruik hebbende grond (verjaring) allen met grensuitzetting accoord."

(g) Op verzoek van [geïntimeerden] is door de rechtbank 's-Hertogenbosch een voorlopig getuigenverhoor gelast jegens [appellanten]. Tijdens dat verhoor is een aantal, door beide partijen voorgebrachte, getuigen gehoord over de situatie van beide percelen.

4.3.1. In eerste aanleg heeft [geïntimeerden] gevorderd voor recht te verklaren dat de grens tussen de percelen A en B loopt overeenkomstig de bij het kadaster ingeschreven kaart en dat de grenzen van de percelen worden gevormd door de door het kadaster aangewezen grenzen, en dat de eigendomsgrens tussen beide percelen van [geïntimeerden] en [appellanten] wordt gevormd door de kadastrale grens althans subsidiair te bepalen waar de grens loopt, voorts [appellanten] te veroordelen het perceel grond dat in eigendom toebehoort aan [geïntimeerden] te ontruimen op straffe van een dwangsom, en [appellanten] te veroordelen medewerking te verlenen aan het oprichten van een scheidsmuur op de erfscheiding.

[appellanten] heeft de vorderingen weersproken en een reconventionele vordering ingesteld die in dit hoger beroep niet aan de orde is.

4.3.2. In haar vonnis van 10 december 2003 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat [appellanten] het bezit had van de litigieuze strook, maar dat uit de afgelegde getuigenverklaringen het tijdstip waarop door de rechtsvoorganger van [appellanten], de heer [persoon 1], bezit is genomen van de strook niet kan worden afgeleid.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat beoordeeld dient te worden of [persoon 1] vanaf 23 juli 1981 bezit heeft genomen van de litigieuze strook grond in de zin van artikel 3:105 BW, waarbij van goede trouw aan de zijde van [persoon 1] geen sprake behoeft te zijn.

De rechtbank heeft geoordeeld dat dat niet bewezen was op grond van de tijdens het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen, en dat er gelet op de inhoud van het bewijsaanbod van [appellanten] geen reden was [appellanten] verder in de gelegenheid te stellen zijn stellingen te bewijzen. De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen van [geïntimeerden] inzake de verklaring voor recht en inzake de veroordeling tot ontruiming toegewezen, de laatste op straffe van een dwangsom van E. 100 per dag dat [appellanten] in gebreke zou blijven. Inzake de vordering tot het meewerken aan het oprichten van een scheidsmuur heeft de rechtbank een plaatsopneming en een comparitie gelast.

4.4. Voor zover de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerden] in het dictum van het vonnis van 10 december 2003 heeft toegewezen is sprake van eindvonnis. [appellanten] kan dus in zijn hoger beroep - dat alleen daarop betrekking heeft - worden ontvangen.

Hetzelfde geldt voor het incidenteel appel van [geïntimeerden].

4.5. Het hof ziet aanleiding eerst het incidenteel appel te behandelen.

4.6. Grief I in incidenteel appel keert zich in de eerste plaats tegen de overweging van de rechtbank dat [appellanten] in casu het bezit heeft van de litigieuze strook.

In zoverre faalt de grief.

De rechtbank is op grond van de door haar genoemde uiterlijke omstandigheden - waaraan nog kan worden toegevoegd het procesverbaal van plaatsopneming van 1998, zoals hierboven weergegeven in rechtsoverweging 4.2 onder (f) - terecht tot het oordeel gekomen dat [appellanten] op het moment van het instellen van de vordering door [geïntimeerden] de zeggenschap had over bedoelde strook en dat hij zich als rechthebbende gedroeg.

4.7. Voorts keert grief I in incidenteel appel zich tegen de overweging van de rechtbank dat uit de afgelegde getuigenverklaringen het tijdstip waarop [persoon 1] de strook in bezit heeft genomen niet kan worden afgeleid.

Daarbij gaat het er [geïntimeerden] kennelijk om dat de rechtbank er - naar zijn oordeel ten onrechte - van is uitgegaan dat [persoon 1] op enig moment de strook in bezit heeft genomen. In dat verband wijst [geïntimeerden] op verklaringen van een aantal getuigen en overgelegde correspondentie.

In grief II in incidenteel appel voegt [geïntimeerden] hieraan toe dat de rechtbank op grond daarvan aanstonds had kunnen concluderen dat van het in bezit nemen door [persoon 1] geen sprake kon zijn.

4.8. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.8.1. [geïntimeerden] is het eens met het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] dient te bewijzen dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook.

Dat wil zeggen dat [appellanten] dient te bewijzen dat sprake is van het gedurende ten minste 20 jaar onafgebroken hebben van bezit van de strook, dit omdat dan de rechtsvordering van [geïntimeerden] tot herstel van zijn bezit is verjaard.

4.8.2. Daarbij gaat het erom of de feitelijke macht die [appellanten] en/of zijn rechtsvoorganger [persoon 1] met betrekking tot de strook voor zichzelf heeft uitgeoefend, van dien aard was, dat ze naar verkeersopvatting tot de conclusie moest leiden dat [appellanten]/[persoon 1] bezitter was van de strook. De machtsuitoefening van [appellanten]/[persoon 1] diende daarbij zodanig te zijn dat daaruit niet anders kon worden afgeleid dan dat [appellanten]/[persoon 1] pretendeerden rechthebbende te zijn op de strook, en dat daarover geen onduidelijkheid bestond. Ook naar het thans geldende recht dient dit bezit van [appellanten] immers openbaar en ondubbelzinnig te zijn. Weliswaar is dat niet langer uitdrukkelijk in de wet vermeld, maar die vereisten liggen reeds in het hebben van bezit besloten (Toelichting Meijers, PG boek 3, p. 408). Niet ieder gebruik van de strook kan dus als bezit worden aangemerkt; het kan immers ook zijn grond vinden in afspraken tussen de eigenaren van de aan elkaar grenzende percelen of andere omstandigheden.

4.8.3. [geïntimeerden] wijst erop dat er meerdere aanwijzingen zijn dat [persoon 1] de strook onder zich had omdat de eigenaar daarvan, CAV, dat toestond. In de eerste plaats wijst [geïntimeerden] erop dat [persoon 1] in dienst was van CAV, de eigenaar van de strook, als bedrijfsleider/zaakvoerder van het naastgelegen filiaal van de Boerenbond/CAV. [appellanten] heeft dit niet bestreden.

4.8.4. Anders dan [appellanten] acht het hof het, met [geïntimeerden], bij de beoordeling van de vraag of [persoon 1] als bezitter optrad van belang dat sprake was van een arbeidsverhouding tussen [persoon 1] en CAV. Bij een dergelijke relatie is het immers niet onaannemelijk dat de werkgever zijn werknemer toestaat een deel van de grond waarover de laatste het opzicht heeft te gebruiken, terwijl de werknemer van zijn kant niet licht een dergelijke strook in gebruik zal nemen als de werkgever daar niet mee heeft ingestemd.

4.8.5. Dat laatste vindt in dit concrete geval steun in de verklaring van de getuige [persoon 3] die opmerkt dat [persoon 1] op een zeker moment aan de Boerenbond heeft gevraagd hem voor een uitrit enkele meters grond ter beschikking te stellen. Het gaat daarbij om grond die kennelijk deel uitmaakt van de strook. [persoon 1] was toen - dat is na de verkoop in 1972 - kennelijk van oordeel dat hij daarvoor toestemming moest vragen, en beschouwde zich toen dus niet als bezitter.

Voorts vindt dit steun in een brief van CAV aan de familie [persoon 1] van 1 februari 1993, waarin wordt opgemerkt dat met [persoon 1] was afgesproken dat hij het desbetreffende perceel gratis zou kunnen gebruiken zolang hij het naburige pand zou bewonen.

Ook de getuige [persoon 4], zoon van [persoon 1], verklaart over gebruik (zij het van een moestuin) dat door de eigenaar werd getolereerd.

4.8.6. Daarnaast wist [persoon 1] precies waar de grens lag, nu hij aanwezig was bij de opmeting in 1972, en heeft hij bij de kadastrale hermeting in 1982 ook niet opgemerkt (zoals [appellanten] in 1998 dat wèl heeft gedaan) dat hij rechthebbende was op de strook, hoewel die lag aan de andere kant van de bij die opmeting opnieuw vastgestelde kadastrale grens.

Weliswaar merkt [appellanten] hierover in de conclusie van antwoord op dat uit het meetrelaas van het kadaster uit augustus 1984 niet kan worden opgemaakt dat die meting ook betrekking had op de grens waar het thans om gaat, maar dat standpunt is niet juist. Uit de desbetreffende productie (onder meer gevoegd bij het verhoor van de getuige Smits van het Kadaster, zoals overgelegd bij de conclusie van eis) blijkt dat zowel [persoon 1] als [persoon 3] van de CAV is gehoord over de ligging van de desbetreffende kadastrale percelen. Dat de verklaring van [persoon 3] van een later tijdstip is dan die van [persoon 1] is in dit verband niet van belang. Beide verklaringen hebben immers betrekking op dezelfde opmeting.

Het meetrelaas van het kadaster had dus óók betrekking op de hier bedoelde grens.

Wanneer [persoon 1] bezwaren zou hebben gehad tegen de in 1982 opgenomen grens dan had hij dat op dat moment moeten verklaren.

4.8.7. Wellicht ten overvloede merkt het hof nog op dat, wanneer [persoon 1] is aangevangen de strook te gebruiken in overleg met CAV, hij in dat begin als houder dient te worden aangemerkt. Een dergelijke houder kan niet zonder meer tot bezitter worden; aan een dergelijke interversie stelt artikel 3:111 BW de eis dat er sprake moet zijn van een handeling van - in dit geval - CAV dan wel van tegenspraak van het recht van CAV door [persoon 1]. In ieder geval

is van een dergelijke handeling van CAV niet gebleken.

4.8.8. De hiervoor besproken omstandigheden zijn mede van belang bij de vraag of er sprake was van ondubbelzinnig bezit van [persoon 1] en zij dragen bij aan het vermoeden dat daarvan geen sprake was. In zoverre heeft [geïntimeerden] gelijk met zijn opmerkingen in de incidentele grieven.

Dat neemt echter niet weg dat, nu [appellanten] zich op verjaring heeft beroepen, de rechtbank de vraag of [appellanten] die stelling had bewezen diende te beoordelen. Uit het voorgaande kan immers niet onomstotelijk worden afgeleid dat [persoon 1] nimmer is aangevangen de strook te bezitten. De rechtbank was dus gehouden te beoordelen of [appellanten] erin was geslaagd zijn stelling te bewijzen.

4.9. Het incidenteel appel faalt derhalve. Als in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerden] in de kosten van dat appel worden veroordeeld.

4.10. Grief I in principaal appel richt zich er tegen dat de rechtbank niet bewezen heeft geacht dat de verjaringstermijn is voltooid die [appellanten] tot de rechthebbende zou maken op de litigieuze grondstrook.

4.11. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot het oordeel is gekomen dat [appellanten] niet in het bewijs is geslaagd.

4.12. Daarnaast overweegt het hof hierover nog als volgt.

4.12.1. Vast staat dat bij de opmeting in 1972, waarbij ook [persoon 1] aanwezig was, er geen verschil van mening over was dat de toen vastgelegde kadastrale grens tevens de eigendomsgrens was tussen de percelen van toen CAV en [persoon 1]. Bij de hermeting in 1982 was dat niet anders. Op dat moment heeft [persoon 1] geen aanleiding gezien op te merken dat hij zich beschouwde als rechthebbende op de strook. Ook blijkt uit de toen gemaakte kadastrale tekening niet dat er ter plaatse van de grens of in de nabije omgeving daarvan aanduidingen waren die wezen op een grensverloop dat feitelijk anders was dan de kadastrale grens aangaf.

4.12.2. Daarnaast heeft [geïntimeerden] er terecht op gewezen dat

- zoals het hof hierboven ook al heeft overwogen - het bezit ondubbelzinnig dient te zijn. Gelet op de arbeidsrelatie tussen [persoon 1] en CAV en de hiervoor genoemde brief van 1 februari 1993 is het immers zeer wel mogelijk dat CAV als eigenaar van de strook haar toenmalige werknemer toestond die strook te gebruiken, ook als dat niet voortvloeide uit de arbeidsovereenkomst. Gelet op die relatie kan met betrekking tot de periode waarin [persoon 1] als werknemer van CAV de strook gebruikte niet licht worden aangenomen dat er sprake was van ondubbelzinnig bezit (voor zichzelf) van [persoon 1]. [persoon 1] wist dat de strook eigendom was van CAV, en CAV wist dat [persoon 1] dat wist nu beiden bij de opmeting in 1972 aanwezig of vertegenwoordigd waren.

4.12.3. Voorts kan uit geen van de getuigenverklaringen worden afgeleid dat [persoon 1] desondanks aan CAV heeft kenbaar gemaakt dat hij zich als eigenaar dan wel bezitter van de strook beschouwde of was gaan beschouwen, en ook uit de overgelegde stukken kan dat niet worden afgeleid.

4.12.4. Gelet op het voorafgaande acht het hof niet doorslaggevend wat [appellanten] aanvoert in grief I over de verklaring van getuige [persoon 5]. Deze kan wel de feitelijke situatie hebben gezien zoals door hem beschreven, maar uit die feitelijke situatie volgt in dit geval niet zonder meer dat er sprake was van ondubbelzinnig bezit. Bovendien verklaart [persoon 5] wel dat toen de winkel gereed was de laurier is aangeplant, maar ook dat hij niet weet wanneer de laurier is geplant, dit terwijl de getuige [persoon 6] verklaart dat [persoon 1] bij hem laurierstruiken kocht in 1985 of 1986.

4.12.5. Ook het feit dat de getuige [persoon 7] verklaart dat [persoon 1] een stukje grond van de Boerenbond cadeau heeft gekregen acht het hof van onvoldoende gewicht. In de eerste plaats gaat het daarbij om slechts een klein stukje grond aan het begin van de inrit, en niet om de gehele strook. Bovendien wordt die verklaring weersproken door de verklaring van de getuige [persoon 3], voormalig directeur van CAV/Boerenbond. Deze verklaart immers juist dat [persoon 1] gevraagd heeft hem enkele meters ter beschikking te stellen, maar dat aan dat verzoek niet is voldaan.

4.12.6. De door [appellanten] overgelegde luchtfoto's zijn onvoldoende duidelijk om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

4.13. Grief I in principaal appel faalt derhalve.

4.14. Grief II in principaal appel richt zich er tegen dat de rechtbank [appellanten] niet heeft toegelaten tot nadere bewijslevering.

4.15. Anders dan [appellanten] in deze grief aanvoert rust de bewijslast van de eigendom op [appellanten] en niet op [geïntimeerden]. Het staat immers vast dat de strook aanvankelijk eigendom was van (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerden]. Uit de door [appellanten] bij de conclusie van antwoord overgelegde transportakte blijkt niet dat de strook nadien aan [appellanten] is geleverd; uit die akte blijkt immers dat aan [appellanten] is geleverd het perceel zoals dat eerder aan [persoon 1] was geleverd, en van dat laatste perceel staat vast dat de strook daar niet toebehoorde. Derhalve geldt het bepaalde in artikel 3:119 BW lid 2. Het gaat hier immers om een registergoed, en vast staat dat [geïntimeerden] althans diens rechtsvoorganger CAV eigenaar was van de strook, terwijl blijkens de transportakte slechts het kadastrale perceel is geleverd en niet de strook.

[appellanten] beroept zich bovendien op eigendomsverkrijging niet door levering maar door verjaring, en dient die verjaring dan ook te bewijzen.

4.16. [appellanten] is in de gelegenheid geweest getuigen voor te brengen bij het voorlopig getuigenverhoor. Hij heeft daarvan ook gebruikgemaakt, o.a. door het horen van de oudste zoon van [persoon 1], en heeft toen kennelijk geen reden gezien de andere erfgenamen (eveneens zonen en dochters van [persoon 1]) voor te brengen.

[appellanten] stelt thans dat de andere erfgenamen van [persoon 1] en diens schoonzoon "ter verbreding van wat de oudste zoon van [persoon 1] al heeft verklaard" nog kunnen verklaren, maar geeft niet aan in hoeverre dat meer of anders inhoudt dan hetgeen de oudste zoon al heeft verklaard. Met name wordt niet aangegeven wat genoemde erfgenamen meer of anders zouden kunnen verklaren dan de oudste zoon al heeft gezegd betreffende diens opmerking dat zijn vader de strook gebruikte, en wel met gedogen van de toenmalige eigenaar. Die verklaring duidt niet zonder meer - en zeker niet gelet op hetgeen in de brief van CAV is verklaard - op ondubbelzinnig bezit.

[appellanten] heeft zijn verzoek tot nader getuigenverhoor dan ook onvoldoende onderbouwd. Het hof zal geen nader verhoor gelasten.

4.17. Ook de grieven in principaal appel falen dus.

4.18. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat zowel het principaal als het incidenteel appel faalt. Het hof zal dus het vonnis van de rechtbank bekrachtigen, onder aanvulling van gronden. Als in het ongelijk gestelde partij zal [appellanten] in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld, en [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel appel.

5. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 december 2003 onder aanvulling van gronden;

in principaal appel voorts:

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep in principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op E. 288,-- voor verschotten en

E. 894,-- voor salaris procureur.

in incidenteel appel voorts:

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in hoger beroep in incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op nihil voor verschotten en E. 447,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Fikkers en Riemens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 6 maart 2007.