Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA0552

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
20-000469-06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI2257, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI2257
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling. Aanmerkelijke kans bij voorwaardelijk opzet.

Verdachte heeft haar auto gestart en in de eerste versnelling gezet, waarna ze veel gas heeft gegeven. Vervolgens is zij met haar auto tegen de auto van het slachtoffer gebotst, waar op dat moment onder meer het slachtoffer zojuist in had plaatsgenomen. Het hof overweegt dat op zichzelf genomen een dergelijke gedraging in het algemeen naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden beschouwd als zo zeer te zijn gericht op de dood, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de in de tenlastelegging genoemde persoon, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans op dit gevolg heeft aanvaard. De onderhavige gedraging is echter begaan onder zodanige bijzondere omstandigheden dat deze gevolgtrekking in casu niet kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000469-06

Uitspraak : 19 januari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 2 februari 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-607219-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet

toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van

haar eerste vordering - opnieuw gevoegd. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt tot betaling van een bedrag van EUR 2.983,22.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen, opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, alsmede het onder 2 ten laste gelegde en verdachte deswege zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van EUR 1.250,--, bestaande uit een bedrag van EUR 1.000,-- betreffende materiële schade en een bedrag van EUR 250,-- betreffende immateriële schade, en het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform het bepaalde van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair 25 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 23 augustus 2005 te Tilburg, als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende op/over de Ringbaan Oost, althans op/over een weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet als bestuurder van die personenauto met aanzienlijke en/of hoge snelheid is ingereden en/of is afgereden in de richting van die [slachtoffer] en/of is aangereden tegen de personenauto van die [slachtoffer] waarin die

[slachtoffer] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 augustus 2005 te Tilburg, als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende op/over de Ringbaan Oost, althans op/over een weg, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met aanzienlijke en/of hoge snelheid ingereden en/of afgereden in de richting van die [slachtoffer] en/of aangereden tegen de personenauto waarin die [slachtoffer] zich

bevond;

2.

zij op of omstreeks 23 augustus 2005 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof het navolgende komen vast te staan.

Op 23 augustus 2005 reed verdachte in haar rode Suzuki Alto over de Ringbaan Oost te Tilburg. Zij is toen door [slachtoffer] in een grijze Deawoo Matiz klem gereden. Vervolgens heeft een incident plaatsgevonden waarbij door deze [slachtoffer] en haar bijrijder, [betrokkene] genaamd, jegens verdachte openlijk geweld is gepleegd. Na de openlijke geweldpleging heeft verdachte haar auto gestart en in de eerste versnelling gezet, waarna ze veel gas heeft gegeven. Vervolgens is zij met haar auto tegen de grijze auto gebotst, waar op dat moment onder meer [slachtoffer] zojuist in had plaatsgenomen.

Op zichzelf genomen kan in het algemeen een dergelijke gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zo zeer te zijn gericht op de dood, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de in de tenlastelegging genoemde persoon, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans op dit gevolg heeft aanvaard.

De onderhavige gedraging is echter begaan onder zodanige bijzondere omstandigheden dat deze gevolgtrekking in casu niet kan worden gemaakt, te weten:

- verdachte reed in een Suzuki Alto, waarvan algemeen bekend is dat het een klein en licht voertuig is;

- de auto van [slachtoffer], een Daewoo Matiz, was schuin voor de Suzuki Alto geplaatst en de onderlinge afstand tussen beide voertuigen was gering, zo'n 2 à 3 meter;

- verdachte is in de eerste versnelling op de Daewoo Matiz afgereden en heeft tussendoor niet geschakeld naar de tweede versnelling, waardoor er geen sprake kan zijn geweest van een hoge snelheid waarmee verdachte tegen de auto van [slachtoffer] is gereden.

Naar het oordeel van het hof brengt de handelwijze van verdachte onder bovenstaande omstandigheden geen aanmerkelijke kans met zich dat de in de tenlastelegging genoemde persoon ten gevolge daarvan zou komen te overlijden dan wel dat deze zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het voor het onder 1 primair ten laste gelegde vereiste opzet, ook niet in voorwaardelijke zin.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 23 augustus 2005 te Tilburg, als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende op de Ringbaan Oost, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met aanzienlijke snelheid afgereden in de richting van die [slachtoffer] en aangereden tegen de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond;

2.

zij op 23 augustus 2005 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer], heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Zijdens verdachte is met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat zij niet opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, tegen de auto van [slachtoffer] is gereden, maar dat zij naar aanleiding van de openlijke geweldpleging doodsbang was geworden voor [slachtoffer] en aan haar heeft willen ontkomen. Zij is daardoor in paniek met haar auto weggereden en is toen tegen de auto van [slachtoffer] gereden.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder gelet op de verklaring van de getuige [getuige] (proces-verbaal van verhoor PL2065/05-224840, pagina 72 van het dossier), leidt het hof af dat verdachte bij het rijden tegen de Daewoo Matiz wel degelijk met opzet heeft gehandeld. Immers, uit deze verklaring volgt dat verdachte met aanzienlijke snelheid vooruit is gereden, naar rechts is afgebogen en toen tegen de Daewoo Matiz is gebotst. Toen de auto van verdachte stil stond waren de wielen naar rechts gestuurd. Bovendien heeft de getuige [getuige] (proces-verbaal van verhoor PL2065/05-224840, pagina 72 van het dossier) verklaard dat verdachte bedreigingen heeft geuit in de richting van [slachtoffer]. [getuige] heeft verdachte voor het wegrijden horen roepen "Ik rij jou en je jong kapot", waarbij ze met haar wijsvinger in de richting van [slachtoffer] wees. Onder deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte welbewust en met de vereiste opzet voor het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde, heeft gehandeld.

Het verweer zijdens verdachte dat er geen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

Anders dan de raadsman van verdachte, acht het hof de verklaringen van voornoemde getuigen betrouwbaar. Zij verklaren beiden eveneens belastend ten aanzien van [slachtoffer] en haar moeder [betrokkene].

Ten slotte overweegt het hof ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde als volgt. [slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard dat zij een auto hoorde starten, zag dat verdachte met haar auto vol gas op haar en haar auto kwam ingereden en dat zij vervolgens in haar auto is gestapt (proces-verbaal van verhoor PL2066/05-224840, pagina 86 van het dossier). [slachtoffer] is aldus in de wetenschap van het wegrijden van de auto in haar auto gestapt. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat door de handelwijze van verdachte bij voornoemde [slachtoffer] redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen, zodat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het slachtoffer heeft bedreigd met zware mishandeling.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 subsidiair is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285 (oud), eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van de feiten is van de zijde van de verdachte het

navolgende verweer gevoerd.

Verdachte is door de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] en [betrokkene] en het aanzienlijke geweld wat daarbij werd toegepast, in een hevige gemoedsbeweging komen te verkeren, welke nog voortduurde nadat het onmiddellijke gevaar was geweken. Er is aldus sprake van noodweerexces, waardoor de verdachte niet strafbaar is voor het hiervoor bewezen verklaarde en van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Het hof overweegt allereerst dat van noodweerexces sprake kan zijn indien een verdachte in een noodweersituatie, als onmiddellijk gevolg van een hevige, door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging, bij de verdediging verder gaat dan geboden of, nadat de noodweersituatie is beëindigd, nog een niet meer noodzakelijke verdedigingshandeling pleegt.

Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof het volgende. Na de openlijke geweldpleging zijn partijen op een gegeven moment uit elkaar gegaan/gehaald. [slachtoffer] is naar haar auto gelopen, heeft tegen haar kind gezegd dat deze achterin de auto moest gaan zitten, wat dit kind vervolgens ook deed. Nadat [slachtoffer] haar kind in haar stoel op de achterbank had gezet, is [slachtoffer] zelf ingestapt. Verdachte is weer rechtop gaan zitten en heeft haar portier gesloten, startte haar auto en ging rijden in de richting van deze [slachtoffer]. Van een noodweersituatie kan derhalve niet meer worden gesproken. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zowel voorafgaand aan de botsing als daarna, in de richting van die [slachtoffer] diverse bedreigingen heeft geuit.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het rijden tegen de Daewoo Matiz door verdachte in redelijkheid niet kan worden aangemerkt als een handeling ter verdediging van haar lijf, eerbaarheid of goed en dat door het tijdsverloop tussen de aanval van [slachtoffer] c.s. en de botsing evenmin van een noodweerexcessituatie kan worden gesproken.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof toch een straf, gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd, geboden.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, acht het hof zelfs een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, doch het hof zal, daarbij in het bijzonder gelet op de aan de bewezen verklaarde feiten voorafgegane gebeurtenissen (het in vereniging gepleegde openlijk geweld jegens verdachte) en de gevolgen die een en ander voor verdachte hebben gehad, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Met oplegging van deze geheel voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 2.983,22 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

De vordering is naar het oordeel van het hof, zowel voor wat betreft de gevorderde materiële schade als de gevorderde immateriële schade, niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij [slachtoffer] kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde oplevert:

1 subsidiair:

Bedreiging met zware mishandeling.

2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij, [slachtoffer], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. A.M.G. Smit,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 19 januari 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.