Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BA0521

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05/00501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gegeven dat de Inspecteur het verzoek van belanghebbende zoals vervat in het schrijven van belanghebbende gedateerd 21 augustus 2005 niet ingevolge artikel 28, lid 3 Awr en het daartoe strekkende Besluit heeft behandeld, leidt niet tot een andere gevolgtrekking als weergegeven in 4.2. De Inspecteur heeft immers eerst op 27 september 2005, derhalve niet binnen de (hoger) beroepstermijn, kennis genomen van het verzoek. Nu het (inmiddels ingetrokken) cassatieberoepschrift eveneens na de fatale datum van 8 september 2005 bij de Hoge Raad is ingediend, biedt toepassing van artikel 6:15 van de Awb evenmin grond voor de bepaling van de vraag of het beroep tijdig is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/9.1
V-N 2007/26.8 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 05/00501

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 juli 2005, nummer AWB 05/829, in het geding tussen

Belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P, kantoor Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 30 november 2004 heeft de Inspecteur de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 26.388,= en box 3 van € 4.465,=. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 103,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 juni 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer A en de heer B.

1.5. Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 27 april 2006, met kenmerk BK/M-05/00501, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

1.6. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.7. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar het onderdeel 2.2 van de uitspraak van de Rechtbank.

2.1. Uit de na de zitting gevoerde correspondentie is het volgende naar voren gekomen.

2.2. Belanghebbende heeft op 16 september 2005 op de voet van artikel 28, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) sprongcassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Het geschrift is op 19 september 2005 bij de Hoge Raad ontvangen.

2.3. Bij schrijven van 20 september 2005 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende er op gewezen dat een schriftelijke verklaring van de Minister, c.q. Staatssecretaris van Financiën dat deze met het instellen van cassatieberoep instemt, ontbrak. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen vier weken te herstellen.

2.4. Op 28 september 2005 heeft de Inspecteur een op 21 augustus 2005 gedagtekend schrijven van belanghebbende ontvangen waarin hij wordt verzocht in te stemmen met sprongcassatie.

2.5. Belanghebbende heeft blijkens met de pen aangebrachte aantekeningen op de kopie van de brief met vermelding van de datum 21 augustus 2005, aangegeven dat hij op 27 september 2005 heeft gebeld met de heer B van de Belastingdienst die toen heeft aangegeven niet een op 21 augustus 2005 gedateerde brief te hebben ontvangen. Op 28 augustus heeft belanghebbende een bezoek gebracht aan de heer B ten kantore van de Belastingdienst te Z. In het schrijven van de heer A van de Belastingdienst aan belanghebbende van 28 september 2005 wordt bevestigd dat de op 21 augustus 2005 gedateerde brief van belanghebbende eerst op 28 september door de Belastingdienst is ontvangen. Tevens wordt in dit schrijven medegedeeld dat de Inspecteur geen termen aanwezig acht in te stemmen met sprongcassatie.

2.6. Per brief van 6 oktober 2005 gericht aan de Hoge Raad heeft belanghebbende zijn cassatieberoep ingetrokken.

2.7. Bij schrijven van 6 oktober 2005, bij het Hof binnen gekomen op 7 oktober 2005, tekent belanghebbende beroep aan tegen de uitspraak van de rechtbank AWB 05/829.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de navolgende vragen:

1. Is belanghebbende ontvankelijk in zijn hoger beroep;

2. Heeft de rechtbank op juiste gronden het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

Belanghebbende is van oordeel, dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord en de tweede ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ontvankelijk verklaring van het hoger beroep, gegrond verklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het belastbaar inkomen in box 1 met in achtneming van een aftrek als uitgaven wegens ziekte en/of invaliditeit € 125,= voor uitgaven aan een chemisch toilet en € 3.765,= voor uitgaven aan vloerbedekking. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep en subsidiair tot ongegrond verklaring van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vast staat dat de termijn voor het indienen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank AWB 05/829 eindigde op 8 september 2005. Het op 7 oktober 2005 bij het Hof binnengekomen beroepschrift is derhalve te laat. Belanghebbende stelt in zijn beroepschrift zich hiervan bewust te zijn, doch beroept zich op de voet van artikel 6:11 van de Awb op een verschoonbaar verzuim. Hij brengt naar voren dat hij sprongcassatie heeft willen aantekenen. De daartoe benodigde instemmende verklaring van de tegenpartij heeft belanghebbende, naar hij stelt, gevraagd door middel van een brief van 21 augustus 2005 gericht aan de Inspecteur. Op deze brief heeft hij nimmer antwoord gehad. Op 27 september 2005 heeft hij derhalve contact opgenomen met de Inspecteur. De Inspecteur stelt dat dit schrijven hem nimmer heeft bereikt.

4.2. De bewijslast dat de brief van 21 augustus 2005 op of omstreeks die datum is verstuurd aan de Inspecteur, rust op belanghebbende. Behoudens de door belanghebbende overgelegde kopie van het betreffende schrijven heeft belanghebbende geen nader bewijs bijgebracht. Het hof is van oordeel dat belanghebbende daarmee onvoldoende heeft voldaan aan de op hem rustende last tot het leveren van bewijs. Daaraan doet niet af dat, gelijk belanghebbende stelt, bij de Belastingdienst ingekomen post niet wordt geregistreerd en evenmin wordt gecontroleerd op afdoening. Het Hof ziet hierin geen reden te concluderen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.

4.3. De Inspecteur heeft in strijd met de daartoe strekkende ambtelijke instructie zoals neergelegd in het Besluit beroep in belastingzaken 2005, nr. CPP 2005/1077M, (hierna: het Besluit) het verzoek van belanghebbende voor sprongcassatie niet voorgelegd aan Dgbel, team cassatie van het Ministerie van financiën, doch de Inspecteur heeft zelfstandig (afwijzend) beslist op het verzoek. Belanghebbende stelt dat deze gang van zaken eveneens een aanleiding dient te zijn de niet tijdige indiening van het hoger beroep als een verschoonbaar verzuim aan te merken. Het gegeven dat de Inspecteur het verzoek van belanghebbende zoals vervat in het schrijven van belanghebbende gedateerd 21 augustus 2005 niet ingevolge artikel 28, lid 3 Awr en het daartoe strekkende Besluit heeft behandeld, leidt niet tot een andere gevolgtrekking als weergegeven in 4.2. De Inspecteur heeft immers eerst op 27 september 2005, derhalve niet binnen de (hoger) beroepstermijn, kennis genomen van het verzoek. Nu het (inmiddels ingetrokken) cassatieberoepschrift eveneens na de fatale datum van 8 september 2005 bij de Hoge Raad is ingediend, biedt toepassing van artikel 6:15 van de Awb evenmin grond voor de bepaling van de vraag of het beroep tijdig is ingediend.

4.3. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde eerste vraag aan de zijde van de Inspecteur en dient het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk te worden verklaard. Op grond van deze conclusie zal het hof de beantwoording van de tweede in geschil zijnde vraag achterwege laten.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart belanghebbende niet ontvankelijk in zijn beroep.

Aldus gedaan op 28 februari 2007

door J.W.J. Huige, voorzitter, T. Blokland en R.H. Happé, in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.