Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8663

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
R200600830 & R200600831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

r.o. 4.3.1. In navolging van de Hoge Raad (onder meer HR 4 juni 2004, NJ 2004,638) hanteert het hof ten aanzien van echtelieden de volgende opvatting: indien beide echtelieden om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, dient ten aanzien van ieder van hen individueel te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat. De enkele omstandigheid dat tussen echtelieden enigerlei gemeenschap van goederen bestaat, brengt niet mee dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot, tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

29 januari 2007

Sector civiel recht

Rekestnummers R06/00830 en R06/00831

Zaaknummer eerste aanleg 139033/FT RK 06.340

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.]

en

[Y.] (voor het huwelijk genaamd [Y.])

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna: de man respectievelijk de vrouw,

procureur: mr. R. Raaijmakers.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 juli 2006, waarvan de inhoud bij de man en de vrouw bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschriften, ingekomen ter griffie op 17 juli 2006, hebben zowel de man als de vrouw verzocht voormelde vonnissen te vernietigen en opnieuw rechtdoende de schuldsaneringsregeling op ieder van hen van toepassing te verklaren.

2.2. Gelet op de verknochtheid van de ter griffie onder de nummers R200600830 en R200600831 ingeschreven zaken heeft het hof de voeging daarvan gelast, zodat zij gezamenlijk zullen worden behandeld.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2007.

Bij die gelegenheid zijn de man en de vrouw, beiden bijgestaan door mr. R. Raaijmakers, gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschriften;

- de processen - verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.dis 24 april en 30 juni 2006;

- de stukken van de eerste aanleg, afkomstig van de griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man en de vrouw, d.d. 10 januari 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van de beroepschriften.

4. De beoordeling

4.1. De man en de vrouw hebben beiden bij verzoekschriften van 20 februari 2006 de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. De man en de vrouw zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. De totale schuldenlast van deze huwelijksgoederengemeenschap bedraagt blijkens de verklaringen ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 7 februari 2006 € 56.500,25, waaronder schulden van € 12.899,39, € 3.791,47, € 3.856,20 en

€ 2.269,00 aan de gemeente Eindhoven. Uit genoemde verklaringen blijkt dat het minnelijke traject is mislukt. Bij vonnissen waarvan beroep zijn de verzoeken van de man en de vrouw afgewezen.

4.1.1. De man en de vrouw zijn in eerste aanleg zowel op 24 april 2006 als op 30 juni 2006 niet ter terechtzitting verschenen. Door het niet verschaffen van de nodige inlichtingen en een nadere toelichting op de verzoekschriften hebben zij de rechtbank onvoldoende in staat gesteld de verzoekschriften te beoordelen.

De rechtbank heeft de verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling derhalve afgewezen.

4.2.1. In de beroepschriften erkennen de man en de vrouw dat zij niet zijn verschenen in eerste aanleg. Zij stellen echter gegronde redenen te hebben voor hun afwezigheid. De uitnodiging voor de eerste zitting hebben zij niet ontvangen. De tweede uitnodiging hebben zij wel ontvangen maar, doordat zij het gebouw van de rechtbank in ’s-Hertogenbosch niet konden vinden en vervolgens zijn verdwaald, zijn zij niet verschenen. De man en de vrouw benadrukken dat er geen sprake is geweest van moedwillig en opzettelijk niet verschijnen ter zitting. Zij beroepen zich op een ongelukkige samenloop van omstandigheden en achten het niet van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling niet in redelijke verhouding staan tot hun tekortschieten door niet te verschijnen ter zitting. Bovendien achten zij het om proceseconomische redenen verantwoord in hoger beroep alsnog gehoord te worden om vervolgens toe te worden gelaten tot de schuldsanerings- regeling. De man en de vrouw stellen daarnaast dat zij beiden voldoen aan alle vereisten om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Zij zijn niet in staat om te kunnen voortgaan met betaling van de schulden. Er bestaat geen gegronde vrees dat zij tijdens de toepassing van schuldsaneringsregeling zullen trachten hun schuldeisers te benadelen of dat zij de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet na zullen komen. Evenmin is er eerder een schuldsanerings- regeling op hen van toepassing geweest dan wel sprake geweest van een faillissement. Tot slot is het niet aannemelijk dat de man en de vrouw ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van de schulden niet te goeder trouw zijn geweest.

4.2.2. Daaraan hebben de man en de vrouw het volgende ter zitting toegevoegd. De vrouw is in 1992 voor de tweede keer gehuwd, haar toenmalige echtgenoot regelde destijds haar financiën. Dit was ook het geval nadat dit huwelijk was beëindigd door echtscheiding. De vrouw was en is zelf niet in staat haar financiën te regelen als gevolg van depressiviteit en een niet optimale kennis van de Nederlandse taal.

In 2004 is de vrouw met de man in Turkije in gemeenschap van goederen gehuwd. Mevrouw Geurts treedt vanaf 13 juli 2004 als bewindvoerster van de vrouw (het is het hof niet duidelijk of het hier om een beschermingsbewind gaat). Na de komst van de man naar Nederland in 2005 behartigt mevrouw Geurts ook zijn financiële zaken. Hij heeft daartoe een volmacht verstrekt aan mevrouw Geurts.

De onder 4.1. genoemde schulden aan de gemeente Eindhoven zijn ontstaan in de periode 20 november 1996 tot en met 31 maart 1999. Volgens de gemeente Eindhoven heeft de vrouw, niet althans onvoldoende aangetoond op welke wijze er bedragen op haar bankrekening zijn gestort. De vrouw stelt dat de bedragen door haar toenmalige echtgenoot en haar dochter op de bankrekening zijn geboekt. Als gevolg van door de vrouw onjuiste of onvolledig verstrekte informatie betreffende deze bankrekening is de gemeente overgegaan tot terugvordering van de volledige uitkering en tot oplegging van een administratieve boete.

De man en de vrouw stellen dat deze schulden, hoewel niet te goeder trouw ontstaan, geen reden zijn om de schuld- saneringsregeling niet van toepassing te verklaren.

Ten aanzien van de vrouw wordt beroep gedaan op het feit dat zij zelf niet in staat is om haar administratie te regelen, dat het grootste gedeelte van de schulden meer dan tien jaar geleden is ontstaan en dat de vrouw reeds een groot deel van de schuld heeft afbetaald aan de gemeente Eindhoven. Bovendien bewandelt de vrouw thans de goede weg en zullen er thans door de bemoeienis van de bewindvoerder geen nieuwe schulden ontstaan. Ten aanzien van de man wordt tot slot aangevoerd dat hij sinds 12 november 2006 werk heeft gevonden voor 38 uur in de week. Hij stelt bovendien dat alle schulden op naam van de vrouw staan en zijn ontstaan in de periode van voor zijn huwelijk met de vrouw.

4.3. De rechtbank heeft in de bestreden vonnissen geen inhoudelijke beslissing kunnen nemen ten aanzien van de toelating van de man en de vrouw tot de schuldsaneringsregelingen. Derhalve dient het hof op voet van afwijzingsgronden van artikel 288 Fw na te gaan of de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man en de vrouw alsnog in hoger beroep kan worden uitgesproken.

4.3.1. In navolging van de Hoge Raad (onder meer HR 4 juni 2004, NJ 2004,638) hanteert het hof ten aanzien van echtelieden de volgende opvatting: indien beide echtelieden om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, dient ten aanzien van ieder van hen individueel te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat. De enkele omstandigheid dat tussen echtelieden enigerlei gemeenschap van goederen bestaat, brengt niet mee dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot, tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere.

Rekestnummer 2006/00831

4.3.2. Ten aanzien van de vrouw overweegt het hof het volgende.

Bij de toepassing van de in artikel 288 lid 2 sub b Fw bedoelde facultatieve grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsanering (aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest) kan de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening houden. Daarbij spelen een rol de aard en omvang van de schulden, het tijdstip waarop deze zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en de inspanningen die de schuldenaar zich nadien heeft getroost om de schulden te voldoen ( HR 27-10-2006, NJ 2006,586).

Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat één van de omvangrijkste schulden de genoemde schuld aan de gemeente Eindhoven betreft welke ten tijde van de aanvraag € 22.816,06 beliep. Gezien het feit dat deze schuld is ontstaan als gevolg van het niet verlenen van volledige informatie casu quo het verstrekken van onjuiste informatie door de vrouw en ter zitting geen verdere duidelijkheid is verschaft ten aanzien van het ontstaan van deze schuld, oordeelt het hof op voet van artikel 288 lid 2 sub b Fw als volgt. Het is aannemelijk dat de vrouw ten aanzien van het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw is geweest. Het feit dat de vrouw gedurende het ontstaan van deze schuld niet zelf haar financiën regelde doet daar niet aan af. Zij kan zich niet met succes verschuilen achter haar ex-echtgenoot en haar onwetendheid en dient verantwoordelijk te worden gehouden voor haar eigen financiële situatie. De schulden zijn weliswaar zeven tot tien jaar geleden ontstaan en er is weliswaar door inhouding op de uitkering volgens de vrouw circa € 12.000,-- op afgelost, dit neemt niet weg dat het hof de aard en de omvang van de schuld zodanig van betekenis acht, dat dit de doorslag moet geven.

Daarbij overweegt het hof dat de zitting van 15 januari 2007 moeizaam is verlopen door de afwezigheid van een tolk. Het hof vraagt zich af of de vrouw de voldoende inzicht heeft in de uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen.

Hoewel de bewindvoerster de vrouw zal steunen zal zij praktisch gezien niet in staat zijn om de vrouw dagelijks te begeleiden, hetgeen wel noodzakelijk zou zijn volgens het hof. Het hof heeft daarom ernstige twijfels of de vrouw in staat zal zijn de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen na te komen.

Rekestnummer 2006/00830

4.3.3. Ten aanzien van de man overweegt het hof dat hij met de vrouw in gemeenschap van goederen is gehuwd en daardoor is geconfronteerd met de voorhuwelijkse schulden van de vrouw. De man kan ten aanzien van de fraudeschuld aan de gemeente Eindhoven geen verwijt worden gemaakt. Hij verbleef immers destijds nog niet in Nederland en was op dat moment nog niet gehuwd met de vrouw.

Het hof oordeelt dat geen van de afwijzingsgronden van artikel 288 Fw van toepassing zijn op de man. Daarbij speelt een rol dat er geen schulden zijn ontstaan op naam van de man. Het hof overweegt derhalve dat ten aanzien van de man de schuldsaneringsregeling alsnog van toepassing moet worden verklaard.

4.3.4. Vorenstaande brengt mee dat het hof van oordeel is dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vrouw dient te worden bekrachtigd en dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de man dient te worden vernietigd.

4.3.5. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man voor het eerst in hoger beroep is uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 8 Fw.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt in de zaak met rekestnummer 2006/00831 het vonnis waarvan beroep;

vernietigt in de zaak met rekestnummer 2006/00830 het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [X.] wonende aan de [adres] te [woonplaats];

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeenk - van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 januari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.