Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8649

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
R200601131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopig getuigenverhoor toegestaan. Het hof is niet bevoegd de raadsheer-commissaris inhoudelijke instructies te geven ten aanzien van de vraagstelling en zo de in de visie van verweerster 'juiste kaders' te bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DHJ

17 januari 2007

Zevende kamer

Rekestnummer R200601131

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

de stichting STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

de stichting STICHTING VERVROEGD UITTREDEN METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

de stichting STICHTING SOCIAAL FONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

de naamloze vennootschap N.V. SCHADEVERZEKERING METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te Rijswijk,

de stichting STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET METAALBEWERKINGSBEDRIJF,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

de stichting STICHTING WERKGELEGENHEIDSFONDS METAAL EN TECHNISCHE BEDRIJFSTAKKEN,

gevestigd te Rijswijk,

verzoeksters,

hierna: de fondsen,

advocaat: mr. M.J.H. Halsema,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROJECTSOURCING B.V.,

voorheen genaamd DIT Interim Techniek B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster,

hierna: Projectsourcing,

advocaat: mr. E.H. Servatius,

procureur: mr. J.E. Benner.

1. De gang van zaken voorafgaande aan het verzoek

De kantonrechter ’s-Hertogenbosch heeft op 29 juli 2004 in een zaak tussen de fondsen en Projectsourcing, respectievelijk eiseressen en gedaagde, strekkende kort gezegd tot verklaring voor recht dat Projectsourcing met ingang van 1 januari 1998 valt onder diverse bedrijfstakregelingen (algemeen verbindend verklaarde CAO’s) met nevenvorderingen, vonnis gewezen en daarin de vorderingen van de fondsen afgewezen. De fondsen zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het door hun ingestelde appel is bij dit hof ingeschreven onder rolnummer C05/795.

2. Het verzoek en de behandeling daarvan

2.1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 28 september 2006, hebben de fondsen het hof verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen en haar toe te laten 5 getuigen te horen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2006, heeft de Pro-jectsourcing verweer gevoerd en, voor het geval het verzoek wordt toegewezen, verzocht

‘de juiste kaders aan te geven, waarbinnen de vraagstellingen zich dienen te bevinden, waarbij gerekwestreerde naar het voorafgaande moge verwij-zen, kort samengevat: de vragen te beperken tot de betrekkelijk korte periode, voorafgaande aan 19 maart 2002 alsmede de vraagstelling te beper-ken tot (ex)werknemers van gerekwestreerde’.

Dit verzoek berust op een uitleg door Projectsourcing van de kern van het geschil.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007.

Bij die gelegenheid zijn de advocaten en vertegenwoordigers van hun cliënten gehoord. Pleitnotities zijn overgelegd.

3. De beoordeling

3.1. Op grond van artikel 353 lid 1 jo. 186 lid 2 Rv kan ook in appèl hangende een procedure een voorlopig getuigenverhoor worden verzocht. Een voorlopig getui-genverhoor kan dienen ter voorbereiding van een procedure, in het bijzonder om te kunnen beoordelen of het zinvol is de procedure aan te gaan, maar kan ook die-nen om te beoordelen of een reeds aanhangige procedure moet worden doorgezet. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is dan in beginsel ook toewijsbaar, tenzij het niet voldoet aan voormelde vereisten, het verzoek in strijd is met een goede procesorde, misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verlangen of als het verzoek op een ander zwaarwegend geoordeeld bezwaar afstuit (HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442).

3.2. Tegen toewijzing van het verzoek heeft Projectsourcing diverse verweren aangevoerd.

3.2.1. Zij stelt eerst dat de fondsen zich beroepen op vermoedens, namelijk dat bepaalde werknemers onder de bedrijfstakregelingen vallen, maar dat zulke ver-moedens zich niet voor bewijs lenen omdat het geen feiten zijn. Het hof verwerpt dit beroep. Het antwoord op de vraag of een werknemer onder een bedrijfstakre-geling valt, is weliswaar voorbehouden aan de rechter, maar de aan die stelling ten grondslag liggende feiten, in het bijzonder de feitelijk door de betreffende werk-nemer uitgevoerde werkzaamheden, lenen zich zeer wel voor bewijslevering. Het-zelfde geldt voor de uitleg van het begrip installatietechniek. Deze uitleg kan niet los worden gedacht van de kwalificatievraag, immers of bepaalde werkzaamheden onder dit begrip kunnen worden gebracht hangt af van hetgeen omtrent die werk-zaamheden kan worden vastgesteld.

3.2.2. Dan wordt aangevoerd dat de fondsen zich in dezelfde positie bevinden als de belastingdienst en het UWV, die met behulp van controleurs zelf feiten kunnen onderzoeken. Nog daargelaten dat de fondsen het bestaan van deze onderzoeksmogelijkheden hebben ontkend, zelfs als zou die wel bestaan, dan nog staat dat feit niet aan een getuigenverhoor in de weg.

3.2.3. Projectsourcing wijst verder op het tijdsverloop en de mogelijkheden die voor de fondsen bestonden om eerder getuigen te doen horen. Tevergeefs, ook dit aspect staat niet aan toewijzing van het verzoek in de weg, temeer niet nu met het instellen van hoger beroep een nieuwe fase in de rechtstrijd is ingetreden, die de fondsen ertoe hebben kunnen nopen om hun positie in die nieuwe fase te heroverwegen.

3.2.4. De verwijzing naar vooral oudere jurisprudentie kan Projectsourcing even-min baten. Naar het oordeel van het hof bestaan er in de onderhavige zaak geen ter zake dienende redenen om het verzoek te weigeren.

3.2.5. Ook het subsidiaire verweer inhoudende het verzoek van Projectsourcing om de ‘juiste kaders’ aan te geven kan niet worden gehonoreerd. Weliswaar kun-nen aan de toewijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te hou-den enige beperkingen worden gesteld (zoals het aantal te horen getuigen en de onderwerpen waaromtrent die getuigen kunnen worden ondervraagd), bijvoor-beeld door partiële afwijzing van het verzoek, maar deze bevoegdheid gaat niet zover dat het hof na toewijzing van het verzoek de raadsheer-commissaris inhou-delijk instructies zou kunnen geven ten aanzien van de vraagstelling. De wet biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De fondsen kunnen de getuigen vragen stellen omtrent het rechtsgeschil zoals dat wordt omlijnd door het petitum en, in hoger beroep eventueel, door de grieven, hier dus toegespitst op de periode vanaf 1 ja-nuari 1998 en niet beperkt tot ex-werknemers. Het hof ziet geen mogelijkheden, en ook geen aanleiding om de omvang van de rechtsstrijd, voor wat betreft het getuigenverhoor, te beperken tot een korte periode daarvan. Met vorenstaande is overigens niet gezegd dat de raadsheer-commissaris zelf het verhoor niet nader zou mogen omlijnen.

3.2.6. De conclusie is dat het verzoek kan worden toegewezen.

4. De beslissing

Het hof:

gelast het voorlopig getuigenverhoor van de in het verzoekschrift genoemde ge-tuigen met betrekking tot de vraag of de werkzaamheden van werknemers Pro-jectsourcing (of haar rechtsvoorgangster) met Engineerfuncties in de periode na 1 januari 1998 onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen in de Metaal en Techniek vallen;

bepaalt dat dit voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van de bij deze benoemde raadsheer- commissaris mr. M.J. Slootweg, lid van dit hof, die daartoe zitting zal houden in één der lokalen van het Paleis van Justitie te

’s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8, op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen dag en uur;

bepaalt dat partijen binnen 14 dagen schriftelijk verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen aan de raadsheer- commissaris dienen op te geven voor de maanden maart en april 2007, waarna hij de datum voor het verhoor zal vaststellen.

bepaalt dat de advocaat van de fondsen uiterlijk één maand na deze beschikking de raadsheer-commissaris een kopie van het volledige procesdossier zal toezenden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Schaafsma-Beversluis en Walstock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.