Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8518

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
20-010441-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel; poging tot zware mishandeling;

Het hof is van oordeel dat de verdachte, door krachtig tegen de rug van het slachtoffer te schoppen, waarbij het hof betekenis toekent aan de bijzondere omstandigheid dat het slachtoffer ten tijde van die schop in de rug bewusteloos en derhalve weerloos op de grond lag, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en aldus voorwaardelijk zijn opzet daarop gericht heeft gehad. Dat dit gevolg niet is ingetreden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-010441-05

Uitspraak : 8 februari 2007

VERSTEK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van

2 augustus 2005 in de strafzaak met parketnummer 04-060342-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte terzake van poging tot zware mishandeling zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 96 dagen met afrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 mei 2004 in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal - terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag - heeft geschopt tegen, in elk geval in de richting van, het hoofd en/of de rug, in elk geval het bovenlichaam, van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 16 mei 2004 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt tegen de rug en/of de buik, in elk geval tegen het (boven) lichaam waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 mei 2004 in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag - heeft geschopt tegen de rug van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Ten aanzien van de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, overweegt het hof dat die opzet bij verdachte aanwezig is indien hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg in het leven heeft geroepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Dienaangaande overweegt het hof dat uit het strafdossier het navolgende is gebleken:

- op zaterdag 16 mei 2004, omstreeks 03.00 uur, bevinden zich in en/of nabij een cafetaria te Venlo twee groepen personen, te weten: de groep waartoe verdachte behoorde (groep 1) en de groep waartoe het slachtoffer behoorde (groep 2);

- op enig moment laat verdachte zijn broek zakken waarop door een persoon uit groep 2 commentaar wordt geleverd;

- als gevolg hiervan ontstaat er tussen beide groepen onenigheid dat vervolgens uitmondt in een vechtpartij;

- op enig moment is het slachtoffer [slachtoffer] door een van de mannen in groep 1, niet zijnde verdachte, neergeslagen en bewusteloos op de grond blijven liggen;

- de persoon die [slachtoffer] had neergeslagen is vervolgens weggerend;

- daarna heeft verdachte die [slachtoffer], die toen nog steeds bewusteloos op de grond lag, met kracht tegen de rug geschopt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers die bewusteloos zijn, zich niet (kunnen) weren tegen aanvallen zoals laatstgenoemde en dat hun lichamen daar op dat moment minder goed bestand tegen zijn, zodat het risico op zwaar lichamelijk letsel groot is te achten.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de verdachte, door krachtig tegen de rug van het slachtoffer te schoppen, waarbij het hof betekenis toekent aan de bijzondere omstandigheid dat het slachtoffer ten tijde van die schop in de rug bewusteloos en derhalve weerloos op de grond lag, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en aldus voorwaardelijk zijn opzet daarop gericht heeft gehad. Dat dit gevolg niet is ingetreden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 302, eerste lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

- de omstandigheid dat de verdachte zonder enige redelijke aanleiding het slachtoffer - dat overigens bewusteloos en bijgevolg weerloos op de grond lag - met kracht in de rug heeft geschopt, hetgeen naar algemene ervaringsregels had kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel; dat dit gevolg niet is ingetreden, is niet aan verdachte te danken;

- de omstandigheid dat het hier gaat om zinloos geweld gepleegd in het publieke domein, hetgeen voor gevoelens van angst en onveiligheid kan zorgen.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het voordeel van verdachte rekening gehouden met hetgeen omtrent hem pro justitia is gerapporteerd door de deskundige P.M.F. Brookhuis, psychologe. Het door voornoemde deskunige opgemaakte rapport d.d. 20 januari 2005 houdt - zakelijk weergegeven - als conclusie het volgende in:

Betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van persoonlijkheidsproblematiek en stoornis NAO, voornamelijk in het B-cluster bij anti- sociale kenmerken en gebrekkig geïnternaliseerde gewetensfunctie. Van de combinatie van deze factoren was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Deze ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde verdachtes gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde, in zodanige mate dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden.

Betrokkene was ten tijde van het tenlastegelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur alleszins passend.

De duur van deze op te leggen gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Gelet hierop zal het hof tevens het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis opheffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze golden ten tijde van de bewezen verklaarde strafbare handeling.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot zware mishandeling.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 96 (zesennegentig) dagen.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E.F.G.M. Gelderman, voorzitter,

mrs. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en J.W.A. Nieuwenhuijsen,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 8 februari 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.W.A. Nieuwenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.