Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8378

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
20-001149-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW;

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte voorafgaande aan het verkeersongeval als bestuurder van een personenauto over de linkerrijstrook van de Burgemeester Houtlaan te Helmond reed. Verdachte was blijkens zijn verklaring ter terechtzitting van het hof bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en wist dat hij een bromfietser op de rijbaan kon verwachten. Het slachtoffer reed op dat tijdstip als bestuurder van een bromfiets in dezelfde richting als verdachte over de rechterrijstrook van de Burgemeester Houtlaan. Verdachte is vervolgens vanaf de linkerrijstrook, waarbij hij over het verdrijvingsvlak reed, de rechterrijstrook opgereden en is tegen de rechts naast hem rijdende bromfietser het slachtoffer aangereden. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte lijdt aan een aangeboren progressieve oogaandoening. Als gevolg van deze oogaandoening is er bij verdachte sprake van een afwijking van het gezichtsveld in de vorm van kokerzien. Uit informatie van de behandelend oogartsen blijkt dat reeds in 1995 aan verdachte is medegedeeld dat hij hierdoor niet langer voldeed aan de eisen die zijn gesteld om een personenauto te besturen. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bevestigd dat hem deze mededelingen zijn gedaan en voorts dat hij wist dat deze oogaandoening niet meer zou kunnen verbeteren. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verder verklaard dat hij tijdens het wisselen van rijstrook niet naar rechts heeft gekeken en de bromfietser op geen enkel moment heeft gezien. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door niet meer rechts te kijken tijdens het wisselen van rijstrook, terwijl hij wist dat hij een bromfietser op de rechterrijstrook kon verwachten en zijn oogaandoening als hiervoor omschreven en de daaraan door de hiervoor genoemde oogartsen verbonden consequenties kende, roekeloos gereden, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij het slachtoffer om het leven is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001149-06

Uitspraak : 26 januari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 maart 2006 in de strafzaak met parketnummer 01/830749-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 5 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen op dezelfde wijze als de rechtbank in het beroepen vonnis heeft beslist, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, nu het vonnis geen bewijsmiddelen bevat, terwijl naar 's hofs oordeel verdachte hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard niet (volledig) heeft bekend, zodat verdachte - anders dan waar de eerste rechter kennelijk vanuit is gegaan - niet kan worden beschouwd als een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, en voorts omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en bewijsmotivering komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 juni 2005 te Helmond als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester van Houtlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk roekeloos en/of onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te handelen als volgt: verdachte is rijdende over de linkerrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan en/of over een verdrijvingsvlak op de linkerrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan, de rechterrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan opgereden, althans is doende geweest de rechterrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan op te rijden, op een moment dat de bestuurder van een bromfiets, rijdende over de rechterrijstrook van die Burgemeester van Houtlaan, zich rechts naast, althans zich rechts (dicht/kort) achter zijn, verdachtes (personen)auto bevond, tengevolge waarvan, althans mede tengevolge waarvan, hij, verdachte, met de (rechterzijde van de) door hem bestuurde (personen)auto tegen (de linkerzijde van) die rechts naast en/of rechts (dicht/kort) achter hem rijdende bromfietser is aangereden/gebotst en/of tengevolge waarvan, althans mede tengevolge waarvan, die bromfietser heeft moeten uitwijken en/of vervolgens ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer], zijnde bestuurder van die bromfiets) werd gedood, zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van dit ongeval genoemde (personen)auto bestuurde, terwijl aan hem door (een) (oog)arts(en) was medegedeeld, althans was kenbaar gemaakt, dat hij ten gevolge van een oogaandoening niet voldeed aan de eisen die zijn gesteld om een (personen)auto te besturen;

althans, subsidiair indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 juni 2005 te Helmond als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, te weten over de linkerrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan en/of over een verdrijvingsvlak op de linkerrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan, de rechterrijstrook van die Burgemeester van Houtlaan is opgereden, althans is doende geweest de rechterrijstrook van die Burgemeester van Houtlaan op te rijden, op een moment dat de bestuurder van een bromfiets, rijdende over de rechterrijstrook van die Burgemeester van Houtlaan, zich rechts naast, althans zich rechts (dicht/kort) achter, zijn, verdachtes, personenauto bevond, zulks terwijl hij, verdachte, bij het uitvoeren van deze manoevre, genoemde (personen)auto bestuurde, terwijl aan hem door (een) (oog)arts(en) was medegedeeld, althans was kenbaar gemaakt, dat hij ten gevolge van een oogaandoening niet voldeed aan de eisen die zijn gesteld om een (personen)auto te besturen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 juni 2005 te Helmond als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester van Houtlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt: verdachte is rijdende over een verdrijvingsvlak op de linkerrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan, de rechterrijstrook van de Burgemeester van Houtlaan opgereden, op een moment dat de bestuurder van een bromfiets, rijdende over de rechterrijstrook van die Burgemeester van Houtlaan, zich rechts naast, zijn, verdachtes personenauto bevond, tengevolge waarvan, hij, verdachte, met de rechterzijde van de door hem bestuurde personenauto tegen de linkerzijde van die rechts naast hem rijdende bromfietser is aangereden tengevolge waarvan die bromfietser ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer], zijnde bestuurder van die bromfiets) werd gedood, zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van dit ongeval genoemde personenauto bestuurde, terwijl aan hem door oogartsen was medegedeeld, althans was kenbaar gemaakt, dat hij ten gevolge van een oogaandoening niet voldeed aan de eisen die zijn gesteld om een personenauto te besturen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Met betrekking tot het bewezen verklaarde overweegt het hof het navolgende.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte voorafgaande aan het verkeersongeval als bestuurder van een personenauto over de linkerrijstrook van de Burgemeester Houtlaan te Helmond reed. Verdachte was blijkens zijn verklaring ter terechtzitting van het hof bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en wist dat hij een bromfietser op de rijbaan kon verwachten. [slachtoffer] reed op dat tijdstip als bestuurder van een bromfiets in dezelfde richting als verdachte over de rechterrijstrook van de Burgemeester Houtlaan. Verdachte is vervolgens vanaf de linkerrijstrook, waarbij hij over het verdrijvingsvlak reed, de rechterrijstrook opgereden en is tegen de rechts naast hem rijdende bromfietser, [slachtoffer], aangereden.

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte lijdt aan een aangeboren progressieve oogaandoening, retinitis pigmentosa. Als gevolg van deze oogaandoening is er bij verdachte sprake van een afwijking van het gezichtsveld in de vorm van kokerzien. Uit informatie van de behandelend oogartsen, te weten de brief van dr. A. Pinckers, oogarts, van 16 april 1995 en de brief van dr. M.R.P. Dhooge, oogarts, van 6 maart 2006, blijkt dat reeds in 1995 aan verdachte is medegedeeld dat hij hierdoor niet langer voldeed aan de eisen die zijn gesteld om een personenauto te besturen. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bevestigd dat hem deze mededelingen zijn gedaan en voorts dat hij wist dat deze oogaandoening niet meer zou kunnen verbeteren.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verder verklaard dat hij tijdens het wisselen van rijstrook niet naar rechts heeft gekeken en de bromfietser op geen enkel moment heeft gezien.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door niet meer rechts te kijken tijdens het wisselen van rijstrook, terwijl hij wist dat hij een bromfietser op de rechterrijstrook kon verwachten en zijn oogaandoening als hiervoor omschreven en de daaraan door de hiervoor genoemde oogartsen verbonden consequenties kende, roekeloos gereden, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en is strafbaar gesteld bij artikel 175 (oud), eerste lid, aanhef en onder a van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde, te weten het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval waarbij verdachte roekeloos heeft gehandeld, in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij met name de ouders en de broer van [slachtoffer];

- de onverantwoorde risico's die de verdachte telkens heeft genomen door in de ongeveer 10 jaren voorafgaande aan het dodelijke verkeersongeval, wetende dat hij ten gevolge van een oogaandoening niet voldeed aan de eisen die zijn gesteld om een personenauto te besturen, telkenmale toch deel te nemen aan het verkeer.

Het hof ziet op grond van voormelde overwegingen geen aanleiding aan verdachte een werkstraf op te leggen, zoals ter terechtzitting in hoger beroep namens verdachte is bepleit.

Het hof acht de hierna op te leggen straf zowel wat strafsoort als strafmaat betreft het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.

Op te leggen maatregel

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het bewezen verklaarde en voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR. 418,35 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR. 267,75.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het door de rechtbank toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 (oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, strafbaar gesteld bij artikel 175, eerste lid, aanhef en onder a van die wet.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR. 267,75 (tweehonderdzevenenzestig euro en vijfenzeventig cent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij], een bedrag te betalen van EUR. 267,75 (tweehonderdzevenenzestig euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, voorzitter, mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs en

mr. D. van Kralingen,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 26 januari 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.