Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ7761

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
C0500128-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als gevolg van het instorten van een put gelegen op het perceel van de buurvrouw van [appellant], [persoon 1], is de achtergevel van de woning van [appellant] over een afstand van 4 meter "in het luchtledige" komen te hangen. Mede ter voorkoming van verdere schade is in opdracht van [persoon 1] door het bedrijf [bedrijf 1] de ontstane "holle ruimte" volgespoten met schuimbeton. Het schuimbeton is tijdens het opvullen van de genoemde holle ruimte op enigerlei wijze terechtgekomen in de kelder van [appellant]. Dit schuimbeton, dat inmiddels hard was geworden, heeft schade veroorzaakt aan de kelder en de daarin opgeslagen goederen. [appellant] heeft zijn inboedelschade begroot op E. 6.613,84 en zijn opstalschade - voor een niet onaanzienlijk deel bestaande in het verwijderen van het hard geworden schuimbeton - op een bedrag van E. 12.678,27. [appellant] heeft in verband met deze gebeurtenissen via een minnelijke regeling en tegen finale kwijting van zijn buurvrouw een bedrag van fl. 5.000,-- (E. 2.268,90) ontvangen en van de assuradeur van [bedrijf 1] een bedrag van E. 7.000,--. [appellant] had toentertijd bij Aegon een opstalverzekering afgesloten met dekking "Extra uitgebreid" en bij ABN AMRO een zogenaamde "uitgebreide inboedelverzekering" afgesloten. [appellant] heeft beide verzekeraars aangesproken om de hierboven genoemde schade te vergoeden. De verzekeraars hebben dit geweigerd omdat - kort gezegd - de polis geen dekking biedt voor de hierboven genoemde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. C0500128/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zesde kamer, van 16 januari 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 16 december 2004,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

1. de naamloze vennootschap AEGON,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap ABN AMRO,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 22 september 2004 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerden - gezamenlijk: de verzekeraars en afzonderlijk respectievelijk Aegon en ABN AMRO - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 90627/HA ZA 04226)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van zijn vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben verzekeraars de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte tekst van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.Tussen partijen staan de volgende feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende gemotiveerd betwist vast.

a. Als gevolg van het instorten van een put gelegen op het perceel van de buurvrouw van [appellant], [persoon 1], is de achtergevel van de woning van [appellant] over een afstand van 4 meter "in het luchtledige" komen te hangen.

b. Mede ter voorkoming van verdere schade is in opdracht van [persoon 1] door het bedrijf [bedrijf 1] de ontstane "holle ruimte" volgespoten met schuimbeton. Het schuimbeton is tijdens het opvullen van de genoemde holle ruimte op enigerlei wijze terechtgekomen in de kelder van [appellant]. Dit schuimbeton, dat inmiddels hard was geworden, heeft schade veroorzaakt aan de kelder en de daarin opgeslagen goederen.

c. [appellant] heeft zijn inboedelschade begroot op E. 6.613,84 en zijn opstalschade - voor een niet onaanzienlijk deel bestaande in het verwijderen van het hard geworden schuimbeton - op een bedrag van E. 12.678,27.

d. [appellant] heeft in verband met deze gebeurtenissen via een minnelijke regeling en tegen finale kwijting van zijn buurvrouw een bedrag van fl. 5.000,-- (E. 2.268,90) ontvangen en van de assuradeur van [bedrijf 1] een bedrag van E. 7.000,--.

e. [appellant] had toentertijd bij Aegon een opstalverzekering afgesloten met dekking "Extra uitgebreid" en bij ABN AMRO een zogenaamde "uitgebreide inboedelverzekering" afgesloten.

f. [appellant] heeft beide verzekeraars aangesproken om de hierboven genoemde schade te vergoeden. De verzekeraars hebben dit geweigerd omdat - kort gezegd - de polis geen dekking biedt voor de hierboven genoemde schade.

4.2 [appellant] heeft in de onderhavige procedure de beide verzekeraars aangesproken om de schade te vergoeden. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen omdat de polissen daarvoor geen dekking bieden en de overige gronden waarop [appellant] zijn vordering had gebaseerd eveneens daartoe ontoereikend zijn.

4.3 Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 3.5 en 3.6 van het vonnis, waarin overwogen wordt dat [appellant] er redelijkerwijs niet van uit mocht gaan dat de polis de onderhavige gebeurtenis dekt. Te dien aanzien geldt voor de onderscheiden verzekeringen het volgende.

4.4 [appellant] beroept zich ter onderbouwing van zijn vordering jegens Aegon op de volgende onderdelen van paragraaf 2 van de "Voorwaarden Extra Uitgebreide Woonhuisverzekering nr. 1022" (prod. 1 inl. dagv.), die onder meer inhouden:

"Omschrijving van de dekking

2. Gedekte gebeurtenissen

De maatschappij vergoedt de directe materiele schade aan het woonhuis veroorzaakt door;

(..)

2.8. water;

2.8.1 water of stoom, gestroomd uit - binnen of buiten het woonhuis gelegen - leidingen of daarop aangesloten toestellen en installaties van waterleiding en centrale verwarming, als gevolg van springen door vorst, breuk, verstopping of ander plotseling optredend defect;

(...)

2.8.2 water, overgelopen uit de onder 2.8.1 genoemde toestellen en installaties;

2.8.3 (...)

2.8.4 water, binnengedrongen als gevolg van verstopping van rioolputten of -buizen;

2.8.5 grondwater, mits binnengedrongen via afvoerleidingen en daarop aangesloten toestellen en installaties;

(...)"

4.5 Aegon betwist niet dat het hier gaat om de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden, maar voert aan dat de onderhavige schade niet valt onder de dekking van de polis.

4.6 Het hof is - met Aegon en anders dan [appellant] - van oordeel dat het onderhavige schuimbeton in casu niet gelijk is te stellen met water. Water mag dan een onderdeel zijn van dit schuimbeton, zoals [appellant] stelt, maar dit betekent nog niet zonder meer dat dit schuimbeton - dat kennelijk na opdroging hard wordt - daarmee in het kader van deze verzekering gelijkgesteld mag worden. Immers, de gevolgen van aantasting door schuimbeton zijn - zoals ondermeer blijkt uit de schadeopstelling van [appellant] (prod. 5 cva) - zeer verschillend van die van water(zie alleen al de kosten van het verwijderen van het inmiddels hard geworden schuimbeton).

Toepassing van de zogenaamde Haviltexnorm kan [appellant] niet baten. [appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om te concluderen dat hij de onderhavige polisbepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de polis, in casu in redelijkheid wel zo heeft mogen opvatten.

De omstandigheid dat de verzekering aangeduid wordt als een extra uitgebreide woonhuisverzekering maakt dit niet anders. Uit de redactie van de diverse polisbepalingen blijkt duidelijk dat niet elke schadetoebrengende gebeurtenis door toedoen van welke vloeistof dan ook onder de dekking van de polis valt. Dit wordt niet anders als het hof in aanmerking neemt dat de onderhavige polis ook de fundering van het woonhuis heeft verzekerd.

Het hof wijst in dit verband ook op de overige omschrijvingen van schade door water in paragraaf 2.8 en 2.9 en op de omschrijving van schade door olie in 2.10 van de polisvoorwaarden. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat hij de onderhavige schadetoebrengende gebeurtenis - die in diverse opzichten afwijkt van de op zich duidelijke tekst van in voornoemde polisvoorwaarden wel genoemde gedekte gebeurtenissen - in redelijkheid onder de verzekerde gebeurtenissen mocht brengen.

Ten overvloede overweegt het hof dat het in het onderhavige geval niet gaat om een vloeistof die via (defecte) leidingen, installaties of verstopping van rioolbuizen e.d. de kelder is binnengedrongen, maar om een vloeistof die bewust een "holle ruimte" is ingespoten en daarbij op kennelijk thans nog onverklaarbare wijze de nabij gelegen kelder van [appellant] is binnengekomen, zodat ook op dit punt zich een duidelijke afwijking voordoet van de wel in de polis genoemde verzekerde gebeurtenissen.

4.7 [appellant] beroept zich jegens ABN AMRO op de "Speciale voorwaarden Pakket 1994 Inboedelverzekering 1-02" (prod. 4 inl.dagv.) en met name op onderdelen van paragraaf 3.A.7 daarvan. ABN AMRO betwist dat dit de toepasselijke voorwaarden zijn, maar geeft aan dat dit in casu niet relevant is omdat onder de volgens haar wel toepasselijke voorwaarden evenmin dekking bestaat voor de instroom van schuimbeton. Het hof zal derhalve veronderstellenderwijs uitgaan van de toepasselijkheid van de door [appellant] genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden houden - voor zover volgens [appellant] relevant - het volgende in:

"3.A.7 Water of stoom onvoorzien gestroomd en/of overgelopen uit de binnen en buiten de woning gelegen waterleiding(en) en de centrale verwarmingsinstallatie en uit daarop aangesloten aan- en afvoerleidingen, sanitaire- en andere toestellen, alsmede uit putten en riolen. (...)"

4.8 Naar het oordeel van het hof geldt ook hier dat schade door schuimbeton niet gelijkgesteld kan worden met schade door water of stoom. Het hof verwijst hiervoor allereerst naar hetgeen in onderdeel 4.6 van dit arrest is overwogen met betrekking tot de verschillen in schade toegebracht door water of door schuimbeton.

Ook ten aanzien van deze polis heeft [appellant] onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat hij redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat de polisbepalingen zò mochten worden uitgelegd dat een schade als de onderhavige wel onder de hiervoor genoemde gedekte gebeurtenissen viel (Haviltexnorm). Dit wordt niet anders als het hof in aanmerking neemt dat [appellant] een zogenaamde uitgebreide inboedelverzekering heeft gesloten en hem destijds voor ogen stond om zijn inboedel zo uitgebreid mogelijk te verzekeren tegen alle mogelijke schade. [appellant] heeft niet gesteld dat hij daarbij heeft gemeend dat dan ook iedere schade verzekerd is. Lezing van de polisvoorwaarden moet hem duidelijk gemaakt hebben dat in hoofdstuk 3A van de polis de diverse schadetoebrengende gebeurtenissen nauwkeurig omschreven zijn en derhalve niet slechts als voorbeeld van mogelijke schade bedoeld kunnen zijn. Dat de dekking voor schade door "water of stoom" zonder meer iedere vloeistof omvat, lijkt alleen al niet de bedoeling omdat ook de schade door olie - een andere vloeistof - nauwkeurig omschreven is en voorts ook omdat de dekking voor schade door water in de polisvoorwaarden in de onderdelen 7, 8, 9 en 10 van onderdeel 3.A. afzonderlijk per gebeurtenis omschreven is.

4.9 Op grond van het voorgaande faalt grief I.

4.10 Grief II houdt in dat ten onrechte niet artikel 6: 238 lid 2 BW is toegepast. Nu naar het oordeel van het hof voornoemde polisbepalingen, toegespitst op de onderhavige gebeurtenis, voldoende duidelijk zijn en in redelijkheid geen twijfel toelaten over de vraag of de onderhavige schadetoebrengende gebeurtenis onder de dekking valt, is er geen plaats voor een voor [appellant] meest gunstige uitleg van die bepalingen. Deze grief faalt derhalve.

4.11 In grief III betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft verworpen. Als relevante feiten en omstandigheden heeft [appellant] met name gewezen op de omstandigheid dat hij heeft gekozen voor de meest uitgebreide vorm van inboedel- en opstalverzekering en voorts dat de schade is ontstaan doordat hij - verplicht - schadebeperkend is opgetreden ten aanzien van de mogelijkheid van het ontstaan van aanzienlijk hogere schade, die ook onder de verzekering zou zijn gevallen. Voorts voert [appellant] aan dat hij bij Aegon een hypothecaire lening op zijn woning heeft.

4.12 Naar het oordeel van het hof zijn voornoemde omstandigheden op de volgende gronden - gelet op alle omstandigheden van het geval - onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de verzekeraars tot uitkering van de schade hadden moeten overgaan.

De stelling van [appellant] dat - indien zijn woning door het instorten van de put op het terrein van zijn buurvrouw en door het nalaten van schadebeperkende maatregelen ten dele was verzakt/ingestort - de daardoor ontstane schade door de verzekeraars vergoed had moeten worden en dat de in dat geval te vergoeden schade veel hoger was dan de thans gevorderde schade, is gemotiveerd betwist door de verzekeraars. [appellant] heeft in dat opzicht onvoldoende duidelijkheid verschaft over de concrete situatie van het geval om tot de conclusie te komen dat dan een dergelijke instorting van de woning tot een uitkering van de schade had moeten leiden, laat staan tot een schadevergoeding die veel hoger is dan de thans gevorderde schadevergoeding, zoals [appellant] stelt. Evenmin leidt lezing van de polisvoorwaarden zonder meer tot de door [appellant] voorgestane conclusie.

Voorts is onvoldoende gesteld om te concluderen dat het hier gaat om een schadebeperkend optreden van [appellant] zelf. Integendeel, [appellant] voert aan dat de opdracht tot het spuiten van schuimbeton in de "holle ruimte" is gegeven namens de buurvrouw van [appellant], [persoon 1]. Het betrof een put, die op haar terrein was ingestort. Dat [appellant] mogelijk op enigerlei wijze bij deze beslissing betrokken werd, doet hieraan niet af. [appellant] heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over de feitelijke situatie - bijvoorbeeld waar de put op het terrein van de buurvrouw zich bevond ten opzichte van het woonhuis van [appellant] - om te concluderen dat het (ook) [appellant] was die ter voorkoming van grotere schade voor de verzekeraars schadebeperkend is opgetreden. [appellant] heeft evenmin duidelijkheid verschaft over de spoedeisendheid, waarmee maatregelen getroffen moesten worden.

De verzekeraars hebben voorts aangevoerd dat het hier gaat om schade veroorzaakt door de buurvrouw van [appellant] en - waar het de schadebeperkende maatregelen betrof - eveneens om schade en aansprakelijkheid van [bedrijf 1]. De door [appellant] in het kader van de comparitie in het geding gebrachte brieven aan [persoon 1] en (de verzekeraar van) [bedrijf 1], waarbij ter voorkoming van een procedure een minnelijke regeling van de schade is overeengekomen, wijzen eveneens in die richting. Immers, de brief d.d. 11 september 2001 van de raadsman van [appellant] aan [persoon 2], neef en vertegenwoordiger van [persoon 1], houdt in dat na betaling van een bedrag van fl. 5.000,-- "partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben in verband met het instorten van de put van Uw tante". De brief d.d. 17 december 2002 van de raadsman van [appellant] aan de verzekeraar van [bedrijf 1] houdt in dat [appellant] [bedrijf 1] aansprakelijk houdt voor de door hem geleden schade en dat [bedrijf 1] enkel om een langdurige en kostbare procedure te voorkomen bereid is in te stemmen met betaling van een derde van de schade.

Het hof zal derhalve er van uitgaan dat zowel [persoon 1] als [bedrijf 1] aansprakelijk zijn voor de onderhavige schade.

[appellant] heeft kennelijk - zonder hiervoor duidelijke gronden te noemen - genoegen genomen met een schadevergoeding van voornoemde schadeveroorzakers, die lager was dan de door hem gestelde schade. Dit is des te opmerkelijker nu ABN AMRO al in haar brief van 27 februari 2001 (prod. 6 cve) aan de raadsman van [appellant] meedeelt dat [appellant] ten aanzien van dit voorval een beroep kan doen op zijn bij de ABN AMRO afgesloten rechtsbijstandverzekering.

Gelet op met name deze laatste omstandigheden acht het hof geen reden om aan te nemen dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid de verzekeraars tot uitkering van de genoemde schade hadden dienen over te gaan. Grief III faalt derhalve.

4.13 Ten slotte heeft [appellant] nog aangevoerd dat de verzekeraars tot vergoeding van de door [appellant] gestelde schade dienen over te gaan op grond van zaakwaarneming. [appellant] zou zich - naar hij stelt - willens en wetens op redelijke grond hebben ingelaten met het behartigen van de belangen van de verzekeraars.

De verzekeraars betwisten op diverse gronden dat deze grondslag tot toewijzing van de vordering van [appellant] zou kunnen leiden.

Zoals het hof al hiervoor heeft overwogen is onvoldoende komen vast te staan dat het [appellant] was die de schadebeperkende maatregelen heeft genomen en voorts dat [appellant] hierbij de belangen van de verzekeraars behartigde.

Gelet daarop kan deze grondslag evenmin tot toewijzing van de vordering van [appellant] leiden.

4.14 Het hof passeert het aanbod van [appellant] om de gevorder-de schade te bewijzen, nu dit niet tot een andere beslissing in deze zaak kan leiden. Het algemene bewijsaanbod wordt als onvoldoende specifiek eveneens gepasseerd.

4.15 Nu de grieven falen, dient het beroepen vonnis bekrachtigd te worden. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de appelprocedure, welke kosten het hof tot op heden aan de zijde van de verzekeraars heeft begroot op E. 580,-- voor verschotten en op E. 894,-- voor salaris procureur;

bepaalt dat [appellant] over deze bedragen de wettelijke rente verschuldigd is indien deze kosten niet binnen twee weken na de datum van het arrest betaald zijn;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-van Dijk, Meulenbroek en H. Vermeulen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op

16 januari 2007.