Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BB1480

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
R200600983
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling in ondertoezichtstelling na wijziging hoofdverblijf met de nodige verwikkelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MvO

20 december 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R20060983

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de moeder,

procureur mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 mei 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2006, heeft de moeder het hof verzocht de eerdergenoemde beschikking te vernietigen voor zover daarbij door de rechtbank is bepaald, dat de moeder éénmaal per veertien dagen een uur gerechtigd is tot omgang met de minderjarige [A.], waarbij datum, tijdstippen en locatie in onderling overleg dienen te worden bepaald, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de moeder [A.] éénmaal per veertien dagen bij zich mag hebben van vrijdag 19.00 uur tot zondag 20.00 uur, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 september 2006, heeft de stichting verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en de eerdergenoemde beschikking te bekrachtigen dan wel alsnog het inleidende verzoekschrift tot nihilstelling van de omgangsregeling in te willigen.

2.3. Op 18 september 2006 is een verweerschrift ingekomen ter griffie van [B.], de vader van [A.] (hierna: de vader), als belanghebbende. De vader verzoekt het hof de eerdergenoemde beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bekrachtigen en de moeder in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. L.C. Blok;

- mevrouw Jacobs (zittingsvertegenwoordiger) en de heer den Dulk (teammanager), namens de stichting;

- de vader, bijgestaan door mr. J.P. Verhaar-Kok;

- de heer Werger, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en de beide verweerschriften;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 mei 2006, afkomstig van de rechtbank ’s-Hertogenbosch;

- de brief, met als bijlage het rapport van de raad d.d. 14 november 2005, van de stichting d.d. 4 september 2006;

- de brief met bijlagen, van de advocaat van de moeder, d.d. 8 september 2006.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft het hof voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een brief met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen per fax d.d. 27 november 2006;

- een faxbericht van de advocaat van de moeder d.d. 8 december 2006;

- een brief met bijlage van de advocaat van de moeder, ingekomen per fax d.d. 11 december 2006;

- een faxbericht van de stichting d.d. 13 december 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het huwelijk van de vader en de moeder is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [A.] geboren, hierna te noemen: [A.].

De ouders zijn in 1999 feitelijk uit elkaar gegaan en op 9 april 2001 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeenteplaats]. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. Sinds 20 oktober 2003 is [A.] onder toezicht gesteld van de stichting. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd en nog steeds van kracht.

4.2. Bij beschikking van 27 februari 2006 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [A.] zodanig gewijzigd dat [A.] met ingang van 18 maart 2006 niet langer het hoofdverblijf bij de moeder heeft maar bij de vader. Tevens is een omgangsregeling tussen de moeder en [A.] vastgesteld, waarbij de moeder gerechtigd is tot omgang met [A.], éénmaal per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondagavond, waarbij de ene ouder [A.] haalt en de andere ouder [A.] terugbrengt, alsmede de helft van de schoolvakanties. De moeder is tegen deze beschikking, voor zover het betreft de wijziging van het hoofdverblijf, in beroep gekomen. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank bij beschikking van 29 mei 2006 bekrachtigd.

4.3. Op 3 april 2006 heeft de stichting bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de omgangsregeling gedurende de ondertoezichtstelling. De stichting is van oordeel dat een wijziging, met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling, noodzakelijk is en wel om de volgende redenen.

De wijziging van de hoofdverblijfplaats van [A.] per 18 maart 2006 is door de non-coöperatieve houding van de moeder op die datum niet gerealiseerd. [A.] heeft door acties van de moeder gedurende de periode van 18 maart tot 27 maart 2006 op diverse geheime adressen verbleven, terwijl voor de moeder duidelijk was dat [A.] per 18 maart 2006 bij de vader geplaatst zou worden. [A.] is blootgesteld aan een zeer onveilige situatie bij voor hem vreemde mensen waar de stichting geen invloed op had. Het onverantwoord handelen van de moeder heeft tot gevolg gehad dat [A.]s persoonlijke welbevinden, zijn gevoel van veiligheid en zijn vertrouwen in volwassenen zijn geschaad. Gezien de ernst van de problematiek en het feit dat [A.] vertrouwen moet opbouwen in het nieuwe opvoedingskader bij de vader, acht de stichting de, door de rechtbank op 27 februari 2006 vastgestelde, omgangsregeling op dit moment te belastend voor [A.] en doet deze onvoldoende recht aan de situatie waarin [A.] thans verkeert. In de eerste plaats dient ruimte en tijd voor herstel voorop te staan en ten tweede dient het risico dat de moeder [A.] zal onttrekken aan het gezag van de vader tot nihil te worden teruggebracht.

4.4. De rechtbank deelt de visie van de stichting dat de moeder door haar actie [A.] heeft blootgesteld aan een zeer onveilige situatie, waardoor zijn persoonlijke welbevinden, gevoel van veiligheid en vertrouwen in volwassenen in ernstige mate zijn geschaad. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat op 26 april 2006 een - begeleid - bezoek heeft plaatsgevonden van [A.] aan de moeder en dat dit bezoek volgens alle betrokkenen goed is verlopen.

De vader heeft aangegeven voorstander te zijn van, althans enige vorm, van bezoek, om vervreemding van [A.] van zijn moeder te voorkomen. De rechtbank acht het niet in het belang van [A.] om de omgangsregeling stop te zetten, zoals door de stichting verzocht. Het risico zou immers bestaan dat de mogelijke schade van de onderduikactie van moeder wordt overtroffen door de schade die mogelijk voortvloeit uit stopzetting van de contacten met de moeder.

De rechtbank is wel van oordeel dat de omgangsregeling gewijzigd moet worden in die zin dat de moeder éénmaal in de veertien dagen in de gelegenheid wordt gesteld [A.] een uur te bezoeken op een veilig en vertrouwd adres in de woonomgeving van [A.]. De rechtbank overweegt daarbij dat van de vader niet gevergd kan worden dat hij de consequenties van de onbezonnen actie van de moeder op zijn schouders neemt.

Slechts indien een bezoekregeling als bedoeld niet kan worden gerealiseerd, zal de moeder de gelegenheid geboden worden ten minste éénmaal per week telefonisch contact met [A.] te hebben.

Van deze beschikking komt de moeder in hoger beroep.

4.5. De moeder stelt in haar beroepsschrift dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er goede gronden zijn voor het wijzigen van de bestaande omgangsregeling. De door de rechtbank vastgestelde regeling betreft een minimale regeling die, gezien de reisafstand en de zorg die de moeder heeft voor de andere kinderen in haar gezin, voor de moeder een welhaast onmogelijke opgave vormt. Dat zij [A.] kon ontmoeten bij de MacDonalds in de omgeving van de woonplaats van de vader heeft zij als grievend ervaren en als funest voor een redelijke omgang. Zij leefde in de hoop dat [A.] zijn grootouders, de ouders van de moeder, zou mogen bezoeken die ook in [plaatsnaam] wonen. Omgang bij deze opa en oma wordt de moeder echter verboden, zo ook het contact tussen [A.] en deze grootouders. Felicitatiekaartjes worden door de vader tegengehouden en telefonisch verkeer wordt gecontroleerd en bemoeilijkt. Deze minimale omgangsregeling dient niet het belang van [A.] en bevordert verdere vervreemding van de moeder en [A.]s overige familie. Er is volgens de moeder gelukkig geen indicatie dat [A.] onder de gebeurtenissen van de laatste maanden heeft geleden. Het is niet zo dat [A.] niet (meer) bij haar zou willen verblijven. Hij wil dit juist graag, aldus de moeder.

4.6. De stichting, geïntimeerde in dit hoger beroep, acht de beschikking van de rechtbank op de juiste gronden gegeven. In het verweerschrift wordt nogmaals benadrukt dat [A.] bij de vader tot bloei is gekomen en dat zijn ontwikkeling juist negatief beïnvloed wordt door een omgangsregeling met de moeder. De moeder probeert [A.] uitlatingen te laten doen die bij de stichting tot de conclusie zouden moeten leiden dat [A.] niet gelukkig is bij de vader. Het loyaliteitsconflict blijft daardoor voor [A.] bestaan. De moeder lijkt ook niet te beseffen wat haar onderduikactie te weeg heeft gebracht voor [A.] en de vader. De stichting wil de moeder en [A.] de omgang met elkaar niet onthouden doch dan moet deze omgang geen nadelige gevolgen voor [A.] hebben en goed stuurbaar zijn. De stichting heeft er begrip voor dat het voor de moeder moeilijk is om in de omgeving van de woonplaats van de vader omgang te hebben. De stichting heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Holland- Midden verzocht de hulpverlening over te nemen. De stichting betwist overigens dat [A.] niet in de gelegenheid wordt gesteld om zijn grootouders van beide zijden te ontmoeten.

4.7. De vader heeft als belanghebbende in zijn verweerschrift benadrukt dat hij altijd alle medewerking heeft willen verlenen aan de omgang van [A.] met de moeder en dat daar niet of nauwelijks wijziging in is gekomen. Vanwege de veiligheid van [A.] dient deze omgang wel begeleid te worden. De vader constateert echter dat de moeder misbruik maakt van deze contacten om [A.] uit zijn evenwicht te halen. De vader ervaart veel problemen bij het maken van afspraken; de moeder stelt onmogelijke eisen of wijzigt deze op het laatste moment. Telefoonverkeer tussen de moeder en [A.] is éénrichtingsverkeer; de moeder is voornamelijk aan het woord. De vader betwist dat er geen contacten zijn tussen [A.] en zijn grootouders en dat hij het telefonisch verkeer onmogelijk zou maken. Het gaat goed met [A.], hij heeft vriendjes en oefent hobbies uit. De summiere contacten met de moeder brengen hem echter elke keer uit zijn evenwicht door de negatieve zaken die dan aan de orde komen en de wijze waarop de moeder [A.] ‘in haar kamp’ dwingt. Voorts acht de vader het opmerkelijk dat de moeder iedereen de schuld geeft van gebeurtenissen rond de omgangsregeling, terwijl zij daaraan juist zelf in hoge mate debet is.

4.8. Ter zitting voegt de moeder hier aan toe dat sinds het bezoek van 26 april 2006 nog een tweetal gezamenlijke bezoeken (in juni en juli) heeft plaatsgevonden bij de grootouders van moederszijde. Bij het bezoek in juli 2006, dat uiteindelijk 1,5 uur duurde, is de heer [F.] (de toenmalige gezinsvoogd) na een uur vertrokken omdat alles goed verliep. De advocaat van de moeder stelt dat hij de indruk heeft dat de moeder door het stof moet gaan vanwege het laten onderduiken van [A.]. De moeder heeft echter aangegeven spijt te hebben van deze onbesuisde actie en verkeerd beïnvloed te zijn door de dames [G.], [H.], [I.] en [J.], die bij het gezin van de moeder betrokken waren. Naar aanleiding van de constatering dat (een aantal van) deze dames nog steeds in beeld is, stelt de advocaat van de moeder dat hij, ondanks daarover gemaakte afspraken, hieromtrent geen signalen van de vader of zijn advocaat heeft gekregen. De moeder stelt dat zij niet wist dat deze dames nog actief waren, dat zij geen contact meer met hen heeft en dat ze dat ook niet wil. Volgens de moeder mag de angst bij de vader er niet toe leiden dat [A.] geen omgang meer met haar heeft. De moeder zou het liefst zien dat [A.] tijdens de omgangsmomenten gewoon bij haar thuis kan zijn.

4.9. De stichting deelt ter zitting mede dat de heer [F.] momenteel langdurig arbeidsongeschikt is en niet langer als gezinsvoogd van [A.] functioneert. De nieuwe gezinsvoogd is op 1 november 2006 begonnen en heeft inmiddels met de moeder contact gehad. De stichting ziet als terugkomend probleem dat de moeder [A.] aldoor probeert te beïnvloeden, waardoor het loyaliteitsconflict waarin [A.] zich bevindt in stand wordt gehouden. Voorts geeft de stichting aan nog steeds hinder te ondervinden van de eerdergenoemde dames door middel van telefoontjes en faxberichten.

4.10. De vader stelt ter zitting dat er naast de reeds genoemde bezoeken nog een drietal keren omgang is geweest bij de stichting in Eindhoven. Hij heeft er bezwaar tegen dat de moeder dan langdurig afscheid neemt van [A.]. Afspreken bij Bureau Jeugdzorg in Leiden is nog niet van de grond gekomen. [A.] wil graag op bezoek bij zijn moeder, zeker als het jongste kind van de moeder, [K.] er bij is. De vader wil echter niet dat er onbegeleide omgang of omgang bij de moeder thuis plaatsvindt, nu de eerdergenoemde dames zich nog steeds met deze zaak bezighouden. Zij zijn actief op het internet en zoeken contact met de advocaat van de vader. Van de zijde van de advocaat van de vader is inmiddels aangifte gedaan tegen deze dames en is er contact geweest met de officier van justitie. Het zou volgens de vader goed zijn als de moeder dat ook deed.

4.11. De raad stelt ter zitting dat omgang tussen de moeder en [A.] uiteraard van groot belang is. De raad constateert dat de vader bereid is verder te gaan met het mogelijk maken van omgang dan de stichting. Het verbaast de raad dat de eerdergenoemde dames nog steeds een rol spelen in deze zaak. Eerder zijn door de advocaten van de moeder en de vader afspraken gemaakt om er voor te zorgen dat deze dames zich zouden onthouden van enige bemoeienis met deze zaak. Nu blijkt dat dit niet is gebeurd. Het ligt op de weg van de moeder hier paal en perk aan te stellen. Zolang niet zeker is dat deze dames zich zullen onthouden van enige inmenging zal een omgangsregeling niet fatsoenlijk van de grond kunnen komen.

4.12. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht overweegt het hof als volgt.

Als uitgangspunt geldt dat het goed is voor de ontwikkeling van een kind om een goede band met beide ouders op te bouwen. Het hof heeft vastgesteld dat [A.] graag contact heeft met zijn moeder en haar gezin. Ook de vader stelt zich op het standpunt dat de band tussen [A.] en de moeder in het belang van [A.] behouden moet blijven en is bereid daar onder voorwaarden aan mee te werken. Het contact tussen [A.] en zijn moeder wordt echter bedreigd door twee factoren, ten eerste door de houding van de moeder tijdens de omgang met [A.] en ten tweede door het feit dat de dames [G.], [H.], [I.] en [J.] kennelijk nog steeds actief zijn in deze zaak. Ten aanzien van het eerste stelt het hof dat de moeder dient te accepteren dat [A.] het hoofdverblijf bij de vader heeft. Zij mag zich niet in andere zin uitlaten tegenover [A.] en mag [A.] geen andere toekomst voor ogen houden. Door dit wel te doen blijft [A.] immers in een loyaliteitsconflict verkeren, hetgeen een bedreiging vormt voor zijn ontwikkeling. [A.] moet van de moeder de innerlijke toestemming krijgen om bij zijn vader te wonen.

Ten aanzien van het tweede punt is het hof van oordeel dat, wat er ook zij van de stelling van de moeder dat ze buiten de acties van eerdergenoemde dames staat, feit blijft dat zij een verkeerde invloed hebben op de hele zaak. Zo lang deze dames blijven bellen, faxen en mailen naar de advocaat van de vader en naar de stichting en contact met derden hebben over deze zaak, is een behoorlijke omgang onmogelijk. Deze dames hebben en hadden een kwalijke invloed op de zaak, waardoor onder andere het wantrouwen tussen de betrokken partijen is versterkt. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de moeder toegezegd met de advocaat van de vader de eerdergenoemde dames te zullen stuiten in hun dadendrang terzake. Ook de moeder zal hier duidelijk stelling in moeten nemen. Uitbreiding van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling overeenkomstig de wensen van de moeder is naar het oordeel van het hof niet mogelijk zolang er ten aanzien van de eerdergenoemde bedreigende factoren geen verbetering is opgetreden.

Ter zitting heeft de vader voorgesteld dat de moeder [A.] iedere vrijdag kan zien bij de heer en mevrouw [L.], de ouders van de moeder in [woonplaats] tussen 15.00 uur en 19.00 uur. [A.] gaat na schooltijd naar zijn grootouders, alwaar de moeder hem kan treffen. Voor [A.] biedt dit een veilige, vertrouwde en begeleide omgeving.

De moeder heeft ter zitting aangegeven hiermee akkoord te gaan en ook de stichting kan met deze afspraak instemmen. Het hof stelt zich op het standpunt dat een oordeel over uitbreiding van de omgangsregeling en het mogelijk maken van onbegeleide omgang bij de moeder thuis pas gegeven kan worden als blijkt dat deze door de ouders overeengekomen regeling goed verloopt en er geen ongeoorloofde bemoeienis meer is van derden.

4.13. Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader per faxbericht d.d. 27 november 2006 medegedeeld dat het bezoek dat op 17 november 2006 heeft plaatsgevonden redelijk is verlopen. De omgang op de daaropvolgende keer op 25 november 2006 heeft echter tot grote commotie bij de vader geleid. [A.] en zijn moeder zouden elkaar tussen 13.30 uur en 17.30 uur bij de ouders van de moeder treffen. Toen de vader [A.] om 17.30 uur wilde ophalen was er niemand thuis. De moeder bleek [A.] mee naar haar huis te hebben genomen. De vader geeft aan verbijsterd te zijn dat de moeder voor de tweede maal het recht in eigen hand heeft genomen. Het vertrouwen van de vader in de moeder is naar aanleiding hiervan volkomen verdwenen en hij ziet geen enkele basis meer voor enige omgangsregeling. De vader acht het in het belang van [A.] dat de omgangsregeling wordt stopgezet dan wel voorlopig voor onbepaalde tijd wordt opgeschort.

De moeder heeft hier bij faxbericht van 11 december 2006 op gereageerd. Zij stelt dat [A.] in de gezinssituatie van de vader is mishandeld. Tijdens de omgang op 25 november 2006 heeft zij bij [A.] blauwe plekken geconstateerd. [A.] zegt dat hij geslagen is. De moeder heeft vervolgens contact gezocht met de politie te Alphen aan de Rijn, aangifte gedaan van mishandeling en op basis van overleg met de politie [A.] bij zich gehouden. De politie zou samen met de stichting de situatie met de vader bespreken. Dit laatste is helaas niet gebeurd. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij in het belang van [A.] heeft gehandeld door [A.], na overleg met de politie, mee naar haar huis te hebben genomen. De omgang mag haars inziens niet worden gestaakt.

De stichting heeft bij brief van 15 december jl. het hof laten weten dat de - na de zitting van 15 november 2006 in overleg uitgebreide – omgangsregeling niet naar behoren is verlopen o.a. door de negatieve beïnvloeding van [A.] door zijn moeder, haar poging tot een nieuwe ontvoering en haar aangifte jegens de vader. De stichting acht het niet verantwoord om aan het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling gehoor te geven.

4.14. Het hof heeft kennisgenomen van deze ontwikkelingen, die het hof zeer betreurt. Het hof constateert dat de moeder weliswaar de politie heeft geraadpleegd doch geen overleg heeft gehad met de gezinsvoogd. De moeder dient zich bewust te zijn van de noodzaak om zich te onthouden van eigenmachtig handelen en dient in dit soort situaties ten allen tijde direct contact op te nemen met de gezinsvoogd.

Hoewel de recente ontwikkelingen het hof zorgen baren is het hof van oordeel dat deze ontwikkelingen er niet toe moeten leiden dat er geen omgang zal zijn tussen [A.] en zijn moeder.

De vigerende 2-wekelijkse omgangsregeling van vrijdag tot zondag is door de rechtbank, na het verzoek van de stichting tot stopzetting naar aanleiding van de onderduikactie van de moeder, niet stopgezet, maar teruggebracht tot 1 uur per 14 dagen. Dit ter voorkoming dat de schade die [A.] door zijn moeder heeft ondervonden, zou worden overtroffen door de gevolgen die stopzetting van zijn contacten met zijn moeder zou kunnen veroorzaken.

Het hof sluit zich daarbij in zoverre aan.

De moeder heeft door haar herhaalde acties blijk gegeven dusdanig onverantwoord met [A.] om te gaan, dat herstel van de oorspronkelijke omgangsregeling van 1 weekend per 14 dagen niet in het belang van [A.] wordt geacht.

Het hof is echter van mening dat aan een regeling van 1 uur per 14 dagen geen inhoud kan worden gegeven, die recht doet aan de band tussen de moeder en [A.], reden waarom het hof aan die regeling de uitbreiding zal geven die partijen na de zitting reeds overeenkwamen, te weten 4 uur per omgangscontact.

In verband met de mededeling van de stichting dat de heer en mevrouw [L.] de omgang niet wekelijks maar één maal per twee weken wensen te begeleiden, zoals blijkt uit de bijlage bij het faxbericht van de advocaat van de vader d.d. 27 november 2006, wordt de door de vader en de moeder tijdens de zitting overeengekomen omgangsregeling dienovereenkomstig aangepast, te weten eenmaal per 14 dagen.

Het hof vertrouwt er op dat de betrokkenen bij deze regeling de gerichte steun van de stichting zullen krijgen en benadrukt nogmaals dat de moeder zich dient te onthouden van elk eigenmachtig handelen dat er toe leidt dat [A.] aan het gezag van de vader wordt onttrokken.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 mei 2006, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en opnieuw rechtdoende,

bepaalt dat:

- de moeder gerechtigd is tot omgang met [A.], éénmaal per twee weken op vrijdagmiddag van 15.00 tot 19.00 uur ten huize van de grootouders van [A.], de heer en mevrouw [L.], te [woonplaats], waarbij in ieder geval één van de grootouders aanwezig zal zijn dan wel een andere begeleider;

- in overleg tussen de moeder, de vader en de grootouders het contactmoment op een andere dag van het desbetreffende weekend gepland kan worden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Philips, Smeenk-Van der Weijden en Schaafsma-Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 december 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.