Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA7201

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
02/02296
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft omstreeks 18 januari 2003 schriftelijk opdracht gegeven aan haar bank, de B-bank C, tot betaling van de af te dragen belasting, waarbij zij verwachtte dat die bank bij prompte uitvoering van de opdracht er voor zorg had kunnen dragen dat de belasting nog voor afloop van de maand januari 2003 op de rekening van de belastingdienst zou zijn bijgeschreven, en dat zij er dusdoende zorg voor had gedragen dat deze belasting door de belastingdienst tijdig zou zijn ontvangen. De bank heeft de betrokken opdracht echter niet, althans niet tijdig, ten uitvoer gelegd. Op 26 februari 2002 heeft de Inspecteur, constaterende dat de af te dragen belasting niet was betaald, de onderhavige naheffingsaanslag met een verzuimboete van 1% opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/02296

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, elfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, hierna aan te duiden als: de Inspecteur), op haar bezwaarschrift betreffende de na te melden naheffingsaanslag en de daarbij opgelegde boete.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer ------------- over het tijdvak 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 121.740,-- aan belasting, waarin begrepen een boete van ƒ 1.217,--.

De naheffingsaanslag en de boete zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 218,--.

1.3. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben belanghebbende (met dagtekening 15 augustus 2005) en de Inspecteur (met dagtekening 16 november 2004) vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren en voor wat betreft de boete in het openbaar plaatsgehad op 26 augustus 2005 te A.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.7. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.8. Het hof heeft in deze zaak op 9 september 2005 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 13 september 2005 aan partijen verzonden.

Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 25 oktober 2005 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Met betrekking tot het tijdvak heeft belanghebbende binnen een maand na afloop daarvan aangifte gedaan van de af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de belasting) ten bedrage van f 121.740,=.

2.2. Belanghebbende heeft omstreeks 18 januari 2003 schriftelijk opdracht gegeven aan haar bank, de B-bank C, tot betaling van de af te dragen belasting, waarbij zij verwachtte dat die bank bij prompte uitvoering van de opdracht er voor zorg had kunnen dragen dat de belasting nog voor afloop van de maand januari 2003 op de rekening van de belastingdienst zou zijn bijgeschreven, en dat zij er dusdoende zorg voor had gedragen dat deze belasting door de belastingdienst tijdig zou zijn ontvangen. De bank heeft de betrokken opdracht echter niet, althans niet tijdig, ten uitvoer gelegd.

2.3. Op 26 februari 2002 heeft de Inspecteur, constaterende dat de af te dragen belasting niet was betaald, de onderhavige naheffingsaanslag met een verzuimboete van 1% opgelegd.

2.4. De naheffingsaanslag is voor wat betreft de enkelvoudige belasting voldaan op 28 maart 2002.

2.5. Nadat belanghebbende tegen de onderhavige naheffingsaanslag pro forma bezwaar had aangetekend bij brief van 13 maart 2002, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 21 maart 2002 verzocht het bezwaar te motiveren voor 7 april 2002. Belanghebbende antwoordde bij brief van 29 maart 2002 in welke brief een - zij het summiere - motivering van het bezwaar was opgenomen.

2.6. Gedateerd 11 april 2002 zond de Inspecteur aan belanghebbende een tweede verzoek het bezwaar te motiveren en wel voor 19 april 2002. Per dezelfde dag deed de Inspecteur uitspraak op het bezwaar waarbij hij het bezwaar afwees.

2.7. Bij schrijven van 26 april 2002 tekent belanghebbende beroep aan tegen de uitspraak en bij schrijven van gelijke datum verzoekt belanghebbende de Inspecteur zijn uitspraak te heroverwegen. De Inspecteur beantwoordt laatstbedoeld schrijven met een brief van 14 juni 2002 waarin hij belanghebbende onder meer uitnodigt bewijs te leveren voor de stelling dat te harer aanzien sprake is van afwezigheid van alle schuld. Als bijlage bij een daarop door belanghebbende ten antwoord gezonden brief van 4 juli 2002 zendt belanghebbende de Inspecteur een afschrift van de betaalopdracht van 18 januari 2002.

2.8. Blijkens een van de zijde van belanghebbende in de procedure gebrachte notitie van een telefoongesprek op 4 september 2002 tussen D, directeur van belanghebbende, en de heer E van de belastingdienst, verklaarde laatstgenoemde dat de boete ongedaan zal worden gemaakt en het griffierecht zal worden terugbetaald. Blijkens een brief van de heer E van 17 september 2002 aan belanghebbende verklaart E echter dat hij in dat telefoongesprek gesteld heeft dat de boete ongedaan zou worden gemaakt mits belanghebbende zou afzien van vergoeding van griffierecht en kosten.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1.Moet de boetebeschikking worden vernietigd omdat bij belanghebbende ter zake van de niet-betaling van de aanslag sprake was van afwezigheid van alle schuld?

3.1.2. Heeft de Inspecteur bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de boetbeschikking zal worden vernietigd, onder vergoeding van het door belanghebbende aan het hof betaalde griffierecht?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De betalingsopdracht aan de B-bank is al op 18 of 19 januari 2002 aan de bank verzonden, maar de betaling zelf heeft pas op 28 maart 2002 plaatsgevonden. Daarvan ligt de schuld niet bij belanghebbende, maar bij de B-bank. Daarom ben ik van mening dat de boete moet worden vernietigd in verband met afwezigheid van alle schuld bij belanghebbende.

Bovendien heeft de Inspecteur mij in een telefoongesprek van 5 september 2002 toegezegd dat de boetebeschikking zal worden vernietigd en het griffierecht aan mij zal worden vergoed, wat bij mij een in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt.

Ten aanzien van de boete ben ik van mening dat geen sprake is van berechting binnen een redelijke termijn. De aanslag is gedateerd 6 februari 2002 en het onderzoek ter zitting vindt plaats op 26 augustus 2005.

Ten aanzien van de vergoeding van proceskosten ben ik van mening dat aan mij beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

De Inspecteur

De naheffingsaanslag is opgelegd omdat belanghebbende de verschuldigde loonbelasting niet had betaald.

In de brief van 17 september 2002 wordt aan belanghebbende een voorstel tot sluiting van een compromis gedaan, inhoudende dat de boete wordt verminderd tot nihil en belanghebbende niet verzoekt om vergoeding van het griffierecht of enige andere gemaakte kosten. Belanghebbende is met dit voorstel niet akkoord gegaan, zodat geen compromis tot stand is gekomen. Dit voorstel is ook telefonisch besproken op 4 september 2002.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de boetebeschikking.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, tegenover de ontkenning door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat bij haar het onvoorwaardelijke en rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat de boete zou worden vernietigd en het griffierecht zou worden gerestitueerd. In zoverre faalt belanghebbendes ter zake aangevoerde stelling derhalve.

4.2. Belanghebbendes beroep op de afwezigheid van alle schuld ter zake van de niet-betaling is naar het oordeel van het hof te verwerpen, reeds omdat de handelingen van de bank, welke door belanghebbende was ingeschakeld ter fine van effectuering van de betaling der verschuldigde belasting, aan belanghebbende zijn toe te rekenen. Nu die bank klaarblijkelijk nalatig was bij de afdoening van de haar ter zake verstrekte opdracht, moet die nalatigheid aan belanghebbende worden toegerekend zodat belanghebbende niet met vrucht kan stellen dat te harer aanzien sprake is van afwezigheid van alle schuld ook al zou haar zonder bedoelde toerekening wellicht niets te verwijten zijn ter zake.

4.3. Belanghebbende beroept zich op het gestelde in artikel 6 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daarvan uitgaande stelt belanghebbende dat, nu sprake is van een onredelijk lange termijn hetgeen niet aan belanghebbende is toe te rekenen, welke de belastingdienst - door oorzaken die binnen de risicosfeer van de fiscus liggen - ten proces heeft gereageerd, de boete moet vervallen althans tot nihil moet worden verminderd. Het hof gaat aan deze stelling voorbij reeds nu van een onredelijk lange termijn van behandeling door de fiscus, waarmee klaarblijkelijk is bedoeld behandeling in de bezwaarfase, geen sprake is omdat de bezwaarfase te dezen niet een onredelijk lange termijn in beslag heeft genomen. Het hof neemt hierbij in overweging dat ten processe vaststaat dat de bezwaarfase minder dan twee maanden heeft geduurd. Voorts gaat het hof aan die stelling voorbij omdat overschrijding van de bedoelde behandelingstermijn niet tot gevolg heeft dat de boete dient te vervallen of tot nihil dient te worden verminderd.

4.4. Het hof overweegt ambtshalve onder verwijzing naar 's Hogen Raads arrest van 22 april 2005, nr. 37 984 (gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 2005/22.6), dat het gestelde in artikel 6, lid 1, van het EVRM met zich brengt dat degene aan wie een boete is opgelegd, recht heeft op berechting binnen een redelijke termijn. Deze redelijke termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd, en zij eindigt met de uitspraak door het hof in eerste aanleg. Te dezen is als aanvangstijdstip van die termijn in aanmerking te nemen het moment waarop de naheffingsaanslag is opgelegd, derhalve 26 februari 2002. Aangezien tussen dat moment en het moment waarom het hof uitspraak doet meer dan twee jaren is verlopen en er voorts geen sprake is van omstandigheden op grond waarvan een redelijke termijn als hier bedoeld langer dan bedoelde twee jaren zou moeten duren, dient het hof de boete te verminderen en vast te stellen op het bedrag dat het passend en geboden vindt. Het hof acht te dezen een vermindering van de boete met tien percent passend en geboden, zodat de boete moet worden verminderd tot f 1.095,= (€ 496,=).

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur, zodat het beroep ongegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het hof:

* verklaart het beroep ongegrond.

* vermindert de aanslag ambtshalve tot een naar een bedrag aan enkelvoudige belasting van ƒ 121.740,-- (€ 55.243,-- en een bedrag aan boete van ƒ 1.095,-- (€ 496,--).

Aldus gedaan op 28 april 2006 door N. van Beelen, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 28 april 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.