Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA4422

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
C200501083
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof merkt, gelet op alle omstandigheden, de wijziging tenaamstelling van de bankrekening van erflaatster kort voor haar overlijden, aan als een omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare verbintenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0501083/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 31 oktober 2006,

gewezen in de zaak van:

1. [A.],

wonende te [woonplaats],

2. [B.],

wonende te [woonplaats],

3. [C.],

wonende te [woonplaats],

zijnde de erven van [D.],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 4 augustus 2005,

hierna te noemen: [D.] c.s.,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[E.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: [E.],

procureur: mr. J.J.M. Cliteur,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnis van 1 juni 2005 tussen [D.] c.s. als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [E.] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 157475 CV EXPL 04-2040)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 14 juli 2004 en 17 november 2004.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven hebben [D.] c.s. vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van de vordering van [D.] c.s., het alsnog afwijzen van de vordering van [E.] en tot veroordeling van [E.] om het bedrag ad € 1.614,- dat door [D.] c.s. uit hoofde van het vonnis waarvan beroep is betaald, aan hen terug te betalen, met veroordeling van [E.] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [E.] de grieven bestreden.

Beide partijen hebben nog een akte genomen.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Op 8 september 2002 is [D.] (hierna: erflaatster) overleden. [D.] c.s. zijn haar erfgenamen. [E.] is haar stiefzoon.

4.1.2. Erflaatster hield bij de Postbank een girorekening met nr. [rekeningnummer]. Enige maanden voor haar overlijden heeft zij de tenaamstelling van de rekening gewijzigd in die zin dat de rekening op naam werd gesteld van [D.] (erflaatster) EN/OF [E.] (partij [E.]). Uit de bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte giroafschriften kan worden afgeleid dat het saldo op de girorekening ten tijde van het overlijden van erflaatster op 8 september 2002 € 1.741,48 bedroeg. Een dag later, op 9 september 2002, is op de girorekening een bedrag van € 7.500,- bijgeschreven, welk bedrag afkomstig was van een aan erflaatster toegevallen erfenis. Op 12 september 2002 bedroeg het saldo op de girorekening € 8.241,48.

4.1.3. Na het overlijden van erflaatster zijn door [E.] bedragen van de girorekening opgenomen tot een bedrag van € 4.300,-. Uit de overgelegde giroafschriften zou kunnen worden afgeleid dat in totaal € 4.320,- is opgenomen, maar zowel de kantonrechter als partijen in hoger beroep gaan uit van € 4.300,-, zodat ook het hof van dat bedrag uitgaat.

4.1.4. In de onderhavige procedure stellen [D.] c.s. zich op het standpunt dat [E.] zich voormeld bedrag van € 4.300,- ten onrechte heeft toegeëigend en zij vorderen dat [E.] zal worden veroordeeld om dat bedrag aan hen te betalen, met de wettelijke rente vanaf 1 november 2003.

4.1.5. [E.] stelt zich op het standpunt dat hij erflaatster de laatste jaren van haar leven heeft verzorgd en dat erflaatster om die reden het saldo van haar girorekening ten tijde van haar overlijden aan hem heeft toegekend. Verder stelt hij zich op het standpunt dat hij zowel van erflaatster als van [D.] c.s. de opdracht heeft gekregen om na het overlijden van erflaatster de begrafenis te regelen en de door erflaatster gehuurde woning te ontruimen en op te knappen. De daarmee gepaard gaande kosten bedragen volgens [E.] € 6.673,64. In reconventie heeft hij van [D.] c.s. de betaling van dit bedrag en van het saldo op de girorekening d.d. 12 september 2002 ad € 8.241,48 gevorderd.

4.1.6. Nadat de kantonrechter bij tussenvonnis van 17 november 2004 aan [E.] had opgedragen zijn stellingen te bewijzen, heeft de kantonrechter bij eindvonnis bewezen geacht dat tussen erflaatster en [E.] als tegenprestatie voor de door hem verleende verzorging het tegoed op de girorekening na haar overlijden is overeengekomen en tevens dat [D.] c.s. in overeenstemming met de wens van erflaatster aan [E.] hebben verzocht om de begrafenis alsmede de ontruiming en het herstel van de woning van erflaatster te regelen en dat daarbij is afgesproken dat de hieraan verbonden kosten uit het tegoed op de girorekening zouden worden voldaan en tussen hen niet zou worden afgerekend.

Op grond hiervan heeft de kantonrechter de vordering van [D.] c.s. in conventie afgewezen en de vordering van [E.] in reconventie gedeeltelijk toegewezen, namelijk tot een bedrag van

€ 3.941,48 (te weten: het saldo op de girorekening d.d. 12 september 2002 ad € 8.241,48 minus het reeds door [E.] tot zich genomen bedrag van € 4.300,-).

4.1.7. [D.] c.s. kunnen zich niet met het eindvonnis verenigen en zijn daarvan in hoger beroep gekomen. Zij hebben vier grieven tegen het vonnis aangevoerd, die zich lenen voor een gezamenlijke beoordeling.

4.2. Het hof stelt voorop dat door [E.] niet is betwist dat het saldo dat zich ten tijde van het overlijden van erflaatster op de girorekening met nr. [rekeningnummer] bevond, eigendom was van erflaatster en evenmin dat het bedrag van € 7.500,- dat op 9 september 2002 op de girorekening is gestort, voor erflaatster bestemd was.

De girorekening stond op naam van erflaatster, maar is enige maanden voor het overlijden van erflaatster op naam van erflaatster en [E.] samen gesteld. Volgens [E.] heeft erflaatster hiermee willen bewerkstelligen dat het saldo op de girorekening ten tijde van haar overlijden aan hem ten goede zou komen, dit als tegenprestatie voor de verzorging van erflaatster door [E.] gedurende de laatste jaren van het haar leven.

4.3. Deze laatste stelling vindt steun in de verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen, met name in de verklaringen van de getuigen [K.], [L.], [M.] en van [E.] zelf als partijgetuige.

Naar het oordeel van het hof kan de toekenning door erflaatster van het saldo van de girorekening aan [E.], in het licht van de voormelde bewijsmiddelen, naar objectieve maatstaven worden aangemerkt als de voldoening door erflaatster aan een dringende morele verplichting in de zin van art. 6:3 BW.

Van strijdigheid met dwingende erfrechtelijke (art. 6:5 lid 1 i.v.m. art. 4:921 BW) of schenkingsrechtelijke (art. 7A:1703 c.q. 7A:1719 BW) bepalingen is geen sprake. De toekenning van het saldo op de girorekening kan immers niet worden aangemerkt als een beschikking van erflaatster over haar nalatenschap dan wel een schenking ná dode, maar is de voldoening aan een natuurlijke verbintenis waaraan enerzijds terstond uitvoering is gegeven, namelijk door de wijziging van de tenaamstelling van de girorekening maar waarvan anderzijds de omvang eerst kan worden vastgesteld op het tijdstip van het overlijden van erflaatster. Aldus is sprake van omzetting van deze natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare vóór het overlijden, welke omzetting als door [E.] aanvaard kan gelden (art. 6:5 lid 2 BW, verg. HR 27 febr. 1980, NJ 1980,352).

4.4. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat het saldo op de girorekening ten tijde van het overlijden van erflaatster € 1.741,48 bedroeg en niet € 8.241,48. Dit blijkt uit het giroafschrift met volgnummer 19 dat aan de inleidende dagvaarding is gehecht, zulks in verbinding met artikel 6:114 lid 2 BW.

Op het bedrag van € 7.500,- dat na het overlijden van erflaatster op de girorekening is gestort, kan [E.] geen aanspraak maken. Niet gesteld of gebleken is immers dat erflaatster heeft beoogd ook dat bedrag aan [E.] toe te kennen. Integendeel: uit de getuigenverklaring van [E.] zelf blijkt dat erflaatster dit bedrag heeft willen nalaten aan [O.], de zoon van [E.]. [E.] verklaart immers als getuige: "Ongeveer twee weken voor haar overlijden deelde mevrouw [D.] mij mee, dat zij een erfenis verwachtte omdat haar moeder recent was overleden. Mevrouw [D.] wilde deze erfenis aanwenden voor een studiebeurs voor [O.]".

Nu erflaatster ten aanzien van dit bedrag van € 7.500,- niet op de bij de wet voor een uiterste wil voorgeschreven wijze heeft beschikt, komt het hier bedoelde bedrag toe aan [D.] c.s.

4.5. Het voorgaande betekent dat de grieven van [D.] c.s. gedeeltelijk gegrond zijn.

In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof tevens de hoogte van de door [E.] in rekening gebrachte kosten (begrafeniskosten en kosten van ontruiming en opknappen van de woning van erflaatster) in de beoordeling te betrekken.

Door [D.] c.s. is erkend dat aan [E.] is verzocht de begrafenis van erflaatster en het ontruimen en opknappen van de woning te regelen. Zij betwisten niet dat [E.] recht heeft op vergoeding van de gemaakte kosten. Zij betwisten echter wel de omvang van de door [E.] gestelde kosten. De kantonrechter heeft de juistheid van de kostenopgave van [E.] in het midden gelaten.

4.6. Naar het oordeel van het hof dient op de kostenspecificatie van [E.] (die als productie is gevoegd bij de inleidende dagvaarding) een bedrag van € 4.608,- wegens werkzaamheden van twee monteurs, te vermeerderen met € 875,52 aan btw, in mindering te worden gebracht. Uit de getuigenverklaringen, afgelegd in eerste aanleg, blijkt dat het gaat om werkzaamheden van [Q.] en [T.], die bij wijze van vriendendienst [E.] hebben geholpen bij de ontruiming van de woning van erflaatster en daarvoor geen vergoeding hebben ontvangen, met dien verstande dat [T.]de brandstofkosten van zijn auto vergoed heeft gekregen.

De overige kosten die op de kostenspecificatie van [E.] zijn vermeld acht het hof, door middel van de getuigenverklaringen en de producties bij de conclusie na enquête, voldoende onderbouwd. Aldus resteert van de kostenopgave een bedrag van € 1.190,12.

4.7. Op grond van het voorgaande komt aan [E.] in totaal een bedrag van € 1.741,48 +

€ 1.190,12 = € 2.931,60 toe. Hij heeft zichzelf een bedrag van € 4.300,- toegeëigend, zodat hij een bedrag van € 1.368,40 aan [D.] c.s. dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 november 2003 tot de dag der algehele voldoening.

4.8. [D.] c.s. vorderen in hoger beroep tevens de terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis waarvan beroep onverschuldigd aan [E.] hebben betaald, zijnde een bedrag van

€ 1.614,-. Deze vordering is niet weersproken en kan worden toegewezen.

4.9. Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. Het hof zal dat vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [E.] alsnog afwijzen en [E.] veroordelen tot betaling aan [D.] c.s. van de voormelde bedragen.

Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de kosten van beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie gewezen en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [E.] om aan [D.] c.s. tegen kwijting een bedrag van € 1.368,40 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 november 2003 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [E.] verder om aan [D.] c.s. terug te betalen hetgeen zij op grond van het vonnis waarvan beroep onverschuldigd aan [E.] hebben betaald, zijnde een bedrag van € 1.614,-;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen over en weer meer of anders is gevorderd;

compenseert de kosten van beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 31 oktober 2006.