Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2852

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
C200500277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Richtlijn EG 93/104 art. 7

In salarisstrookje niet voldaan aan vereiste van transparante en begrijpelijk betaling van vakantiegeld op reguliere loon per maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0500277/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 4 juli 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding

van 16 februari 2005,

procureur: mr. T.W.H.M. Weller,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo gewezen vonnissen van 2 juli 2003, 31 maart 2004, 12 mei 2004 en 17 november 2004 tussen appellante - [X.] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde - [Y.] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 103335/CV EXPL 03-397)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] drie grieven aangevoerd en onder overlegging van een productie geconcludeerd tot vernietiging van voormelde vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [Y.], tot veroordeling van [Y.] tot terugbetaling hetgeen [X.] ter uitvoering van het vonnis heeft betaald, en met veroordeling van [Y.] in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden en onder overlegging van een productie geconcludeerd tot bevestiging van de vonnissen waarvan appel met veroordeling van [X.] in de proceskosten van beide instanties.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft geen grieven gericht tegen de tussenvonnissen van 2 juli 2003 en van 12 mei 2004, zodat het appel in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[Y.] is op 1 april 1996 bij [X.] als verkoopster in dienst getreden, aanvankelijk krachtens een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met ingang van 1 januari 1997 krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van de kantonrechter te Venlo van 9 april 2002 ontbonden met onmiddellijke ingang.

[Y.] heeft in eerste aanleg – naast andere vorderingen die in hoger beroep niet meer in het geding zijn - gevorderd wegens achterstallig loon de vakantietoeslag over de jaren 1998 tot en met 9 april 2002 ten bedrage van 8% over het bruto jaarsalaris, in totaal een bedrag van € 4.612,58 te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art.7:625 BW.

Zij vordert tevens buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 788,40.

De kantonrechter heeft in het eindvonnis van 17 november 2004 in conventie onder meer de vordering wegens achterstallig vakantiegeld toegewezen met een wettelijke verhoging van 10% alsmede een bedrag van € 658,51 wegens buitengerechtelijke kosten.

Tegen voormelde veroordelingen in conventie is het beroep gericht.

4.3. Grief I is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.5 en 3.6 van het tussenvonnis van 31 maart 2004 waarin de kantonrechter, kort gezegd, overweegt dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat [X.] het vakantiegeld/va-

kantiebijslag daadwerkelijk aan [Y.] heeft betaald. De grief richt zich voorts tegen de veroordeling tot betaling van het gevorderde vakantiegeld en de wettelijke verhoging daarover in het eindvonnis.

Daartoe voert [X.] aan dat weliswaar uit de salarisspecificatie van juli 1997, welke een verhoging laat zien van het salaris naar f 15.92 per uur niet blijkt wat het motief voor deze verhoging is geweest, doch dat dit niet nodig was omdat [Y.] zelf heeft verzocht om het vakantiegeld maandelijks uit te betalen, hetgeen toen is geschied. De verhoging met 18,54% ten opzichte van de maanden daarvoor ondersteunt volgens [X.] de stelling dat de verhoging verband hield met de verdiscontering van het vakantiegeld in het uurloon naast een vergoeding voor eventueel niet op te nemen vrije uren. Zij verwijst naar productie 7 bij akte d.d. 19 november 2003 overgelegd, een brief van het administratiekantoor [B.], waaruit blijkt van de achtergrond van de salarisverhoging. Zij legt voorts als productie over een met de hand geschreven berekening van het Accountantskantoor [A.] van juli 1997 betreffende o.a. het bruto uurloon van [Y.] waaruit blijkt van een herberekening van het uurloon van f 13,63 naar f 15,92, waarin de vakantietoeslag van 8% is genoemd. Ze meent aan de hand van de overgelegde bescheiden voldoende te hebben aangetoond dat het vakantiegeld aan [Y.] is betaald, zodat de vorderingen terzake moeten worden afgewezen.

4.4. [X.] heeft deze grief gemotiveerd bestreden en stelt dat de verklaring van [B.] geen geloof verdient omdat de verhoging niet correspondeert met de toegekende vakantietoeslag van 8%. Bovendien komt de thans overgelegde berekening van [A.] van juli 1997 niet geloofwaardig over, omdat deze niet eerder in het geding is gebracht hoewel [A.] één van de voormalige kantoren is die thans [B.] vormen.

Voorts wijst zij op de als productie 1 overgelegde brief van de raadsman van [X.] van 10 januari 2002 waarin op

pagina 4 wordt gesproken over een eindafrekening terzake van opgebouwd vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen.

Deze brief verhoudt zich niet tot de stelling dat het vakantiegeld en de niet opgenomen vrije dagen in het uurloon zijn verdisconteerd.

4.5. Het hof oordeelt als volgt. Geen grief is gericht tegen de vaststelling van de kantonrechter dat van een schriftelijke afspraak omtrent een andere wijze van uitbetaling (dan voorzien in de Wet op het minimumloon) van het vakantiegeld (de vakantiebijslag) niet is gebleken. Ten overvloede overweegt het hof dat van een publiekrechtelijke regeling ter zake geen sprake is.

Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat uit de in eerste aanleg overgelegde salarisspecificaties en uit de brief van [B.] en uit de andere producties onvoldoende in rechte is komen vast te staan dat het vakantiegeld sedert juli 1997, ondanks het ontbreken van de door de wet vereiste schriftelijke overeenkomst, niettemin feitelijk is uitbetaald.

Ook de in hoger beroep overgelegde berekening van [A.] maakt zulks niet anders, nu uit deze productie niet valt af te leiden dat partijen destijds een nadere afspraak hebben gemaakt over de uitbetaling van vakantiegeld per maand. Nu het vakantiegeld ertoe strekt om daadwerkelijk in een bepaalde periode vakantie te kunnen opnemen na uitbetaling van het vakantiegeld, moet er tenminste duidelijkheid zijn jegens de werkneemster omtrent het uitbetaalde vakantiegeld.

Weliswaar heeft [X.] gesteld dat [Y.] zelf had gevraagd om deze wijze van uitbetaling van vakantiebijslag, maar nu kosten dit betwist en [X.] geen bewijs terzake heeft aangeboden (nog daargelaten dat zij haar stellingen terzake niet of nauwelijks feitelijk heeft onderbouwd) zal het hof deze stelling passeren.

Het hof verwerpt derhalve grief I.

4.6.1. Grief II bestrijdt de veroordeling wegens buitengerechtelijke incassokosten. Het eerste onderdeel van de toelichting van deze grief treft geen doel, aangezien het hof heeft geoordeeld dat de vordering wegens achterstallig vakantiegeld terecht is toegewezen.

Vervolgens voert [X.] aan dat door [Y.] geen buitengerechtelijk kosten zijn gemaakt en dat de overgelegde brief van de FNV niet is gericht aan [X.], en derhalve niet als zodanig kan gelden.

[Y.] stelt dat zij zich in verband met de weigerachtige houding van [X.] aanvankelijk had gewend tot de FNV en vervolgens tot DAS Rechtsbijstand en daarna tot haar huidige raadsman. Deze is tot dagvaarding overgegaan, nadat contacten tussen partijen onder meer over de ontbindingsprocedure, niet hebben geleid tot een regeling.

4.6.2. Het hof oordeelt als volgt.

Gezien de gemotiveerde betwisting van de buitengerechtelijk incassokosten door [X.] had het op de weg van [Y.] gelegen om deze kosten (in hoger beroep) nader te specificeren en te onderbouwen. Thans is deze vordering onvoldoende onderbouwd, zodat deze vordering alsnog dient te worden afgewezen als onvoldoende gegrond. Het vonnis dient op dat punt te worden vernietigd.

4.7. Grief III is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. [Y.] acht deze terecht gegeven.

Het hof zal de proceskostenveroordeling in eerste aanleg handhaven, aangezien [X.] terecht kan worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, waarbij het hof nog opmerkt dat de beslissing is gegeven in conventie en in reconventie.

Voorzover deze grief er mede toe zou strekken te betogen dat de kosten van het deskundigenbericht niet bij helfte gedeeld mochten worden nu van de vordering ad € 3.187,71 van [Y.] terzake compensatieuren/vergoeding slechts

€ 813,29 is toegewezen, wordt deze verworpen reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat [X.] bereid was geweest dat mindere bedrag wel te betalen, terwijl het deskundigenbericht zowel betrekking had op de slechts gedeeltelijk toegewezen vordering in conventie van [Y.] als op de in reconventie afgewezen vordering van [X.].

Ook in hoger beroep zal [X.] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [X.] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 2 juli 2003 en van 12 mei 2004;

bekrachtigt het tussenvonnis van 31 maart 2004;

vernietigt het eindvonnis van 17 november 2004, slechts voorzover daarin de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten is toegewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering wegens buitengerechtelijke incassokosten af;

bekrachtigt dit vonnis voorzover aan het beroep onderworpen, voor het overige;

veroordeelt [X.] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [Y.] tot op heden begroot op € 244,-- wegens verschotten en op € 632,-- wegens salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Grapperhaus en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 4 juli 2006.