Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2532

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
05/00431
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof staat het de inspecteur vrij om in het kader van de aanslagregeling een andere afweging te maken omtrent de toe te passen correcties, dan hij maakt bij de beoordeling van de vraag of en zo ja ter zake van welke elementen van de aanslag hij een navorderingsaanslag oplegt. De aanslagregeling en de navorderingsbevoegdheid zijn immers afzonderlijke bevoegdheden van de inspecteur, die beheerst worden door verschillende wettelijke voorschriften. In zoverre kan daarom naar het oordeel van het Hof niet gezegd worden dat sprake is van gelijke gevallen.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat in dit verband ongelijke gevallen niet naar evenredigheid van hun ongelijkheid zijn behandeld is van belang dat de doelmatigheidstoets die door de Inspecteur onweersproken is gesteld als zijnde de door hem gehanteerde maatstaf voor de behandeling in navorderingssituaties, naar het oordeel van het Hof voldoende waarborg biedt voor de te verlangen evenredigheid. Daarbij is van belang dat door belanghebbende onweersproken is gesteld dat in het onderhavige geval er een niet te verwaarlozen tariefverschil optreedt bij toepassing van de investeringsaftrek in 1997 of 1998, terwijl omtrent een dergelijk verschil of een ander financieel belang van enig gewicht in het door belanghebbende genoemde geval niets is gesteld of gebleken. Het Hof moet er daarom vanuit gaan dat in dat geval een dergelijk belang ontbrak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/37.4 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0744
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00431

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te P (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 60.737,--. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak is de Inspecteur gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaar en heeft hij de aanslag verminderd tot één naar een belastbaar inkomen van ƒ 59.537,--. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. Bij uitspraak van 18 maart 2004, nummer 02/03753, heeft genoemd hof het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 24 juni 2005, nr. 40.784 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard en de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.2. Belanghebbende en de Inspecteur hebben schriftelijk op het arrest gereageerd.

1.3. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeftplaatsgehad op 1 juni 2006 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende

A, belastingadviseur te Y, tot bijstand vergezeld van de heer B, belastingadviseur en namens de inspecteur, de heer C.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Het hof neemt over wat het gerechtshof te Arnhem als feiten heeft vastgesteld.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak kan maken op toepassing van de investeringsaftrek ter zake van de investering in een vrachtauto merk D.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd:

3.2.1. Belanghebbende:

Het belang van aftrek in 1999 of 2000 zit niet alleen in het renteverlies. Van veel groter belang is het tariefverschil tussen beide jaren, daarom hebben wij deze procedure voortgezet.

Naar mijn mening moet bij inruil de investeringsaftrek worden toegekend in het jaar waarin de overeenkomst tot inruil wordt gesloten. Dan gaat naar mijn mening ook het risico ten aanzien van de ingeruilde vrachtauto over. Ik begrijp echter dat dit na het arrest van de Hoge Raad een gepasseerd station is.

Ik heb vertrouwen ontleend aan de brief van de Inspecteur van

21 december 2000. Ik begrijp dat het geschil niet gaat om toepassing van het vertrouwensbeginsel, maar om toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Maar uit die brief blijkt naar mijn mening wel dat in de vergelijkbare gevallen niet werd gecorrigeerd omdat de fiscus het met onze uitleg van de wet eens was. Er bestaat recht op investeringsaftrek in het jaar waarin de inruil overeengekomen wordt, ongeacht of in dat jaar wordt geleverd of betaald.

3.2.2. De Inspecteur:

Ik heb de door belanghebbende genoemde gevallen trachten na te trekken. Het betreft vaak oude jaren en andere eenheden en regio's. Het is mij dan ook in de meeste gevallen niet gelukt om meer informatie te verkrijgen. Daar waar mij dat wel is gelukt heb ik de gegevens ook in deze procedure ingebracht. Daar waar de relevante gegevens ontbreken kan ik alleen bij gebrek aan wetenschap de stellingen van belanghebbende weerspreken. Ik heb ook bij collega's die verstand hebben van de branche waarin belanghebbende actief is geïnformeerd naar de gedragslijn die in het algemeen wordt gehanteerd; mijn standpunt inzake het beleid en de gedragslijn van de fiscus is mede gebaseerd op die consultatie. Het was absoluut geen beleid om bij regeling van de primitieve aanslag te accepteren dat al investeringsaftrek werd verleend in het jaar waarin de nieuwe vrachtauto nog niet in gebruik was genomen of betaald. Alleen moet ik naar aanleiding van de door belanghebbende aangedragen andere gevallen wel constateren dat het wel eens voorkwam dat belastingplichtigen nogal creatief omgingen met het invullen van de specificatie investeringsaftrek. Het kan de belastingdienst niet worden aangerekend dat de onjuistheid van de specificaties niet altijd is ontdekt.

Met betrekking tot het geval van de belastingplichtige met sofinummer 1 voor 1997 is van belang dat door de onjuiste invulling van de specificatie investeringsaftrek bij de aangifte het zogenoemde betalingscriterium geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de aangifte. Fouten als de onderhavige worden wel steeds gecorrigeerd als zij worden ontdekt in het kader van de regeling van de primitieve aanslag, maar in het kader van navordering wordt een belangenafweging gemaakt, ook als er ter zake van andere elementen reeds wordt nagevorderd.

Ik heb geen bezwaar tegen overlegging van de brief van 21 december 2000. De passage waar belanghebbende op wijst ziet op andere correcties dan die betreffende de investeringsaftrek ter zake van de inruil van een vrachtauto. Wat betreft het controlerapport stel ik mij op het standpunt dat de door belanghebbende geciteerde passage daaruit het gevolg is van de omstandigheid dat de onjuistheid van de specificatie investeringsaftrek op dat moment nog niet ontdekt was. Vervolgens is bij de navorderingsaanslag geen correctie toegepast om doelmatigheidsredenen, omdat herstel van de fout tot een gelijktijdige vermindering van het aangegeven inkomen over 1998 zou leiden.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 31.572,--. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest geoordeeld dat de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem niet in stand kan blijven omdat dit hof in zijn uitspraak omtrent het door belanghebbende gedane aanbod tot het leveren van getuigenbewijs niets heeft vastgesteld, noch heeft overwogen dat en op welke grond het dit bewijsaanbod heeft gepasseerd.

4.2. Na verwijzing is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting te kennen gegeven dat hij getuigen kon meebrengen of oproepen, mits hij daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het Hof en aan de andere partij mededeling zou doen, met vermelding van hun namen en woonplaatsen. Belanghebbende heeft een dergelijke mededeling niet gedaan, hij heeft ter zitting geen getuigen meegebracht en heeft overigens niet meer over zijn aanbod tot het leveren van getuigenbewijs gesproken. Het Hof neemt daarom aan dat belanghebbende ervan heeft afgezien een getuige op te roepen. Wel heeft belanghebbende enkele schriftelijke verklaringen van derden ingediend.

4.3. Na cassatie is uitsluitend nog aan de orde of belanghebbende terecht een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel. Het geschil dat partijen verdeeld houdt spitst zich toe op de vraag of bij inruil van vrachtauto's in gelijke gevallen als dat van belanghebbende wel wordt toegestaan dat de investeringsaftrek werd toegepast in het jaar waarin de overeenkomst tot inruil werd gesloten, maar de nieuwe vrachtauto nog niet werd geleverd of betaald en de oude vrachtauto nog niet feitelijk was overgedragen.

4.4. Ter ondersteuning van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft belanghebbende een aantal in zijn ogen gelijke gevallen genoemd, waarin de door hem bepleite toepassing van de investeringsaftrek door de belastingdienst zou zijn geaccepteerd. Deze gevallen worden hierna behandeld.

4.5.1. De belastingplichtige met sofinummer 1 is volgens belanghebbende in 1997 en in 1993 op de door hem bepleite wijze behandeld.

Wat betreft de investeringsaftrek over 1997 geldt het volgende: In de door de Inspecteur overgelegde specificatie investeringsaftrek bij de aangifte van deze belastingplichtige voor 1997, staat als investeringsdatum en datum van ingebruikname vermeld 31 december 1997. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat door de onjuiste invulling van deze specificatie het zogenoemde betalingscriterium geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de aangifte. Nu de onjuistheid van die stelling ook overigens niet is gebleken gaat het Hof uit van de juistheid ervan. Bij de navorderingsaanslag die aan deze belastingplichtige vervolgens over 1997 is opgelegd is geen correctie toegepast ter zake van de investeringsaftrek. De Inspecteur stelt dat dit is gebeurd om doelmatigheidsredenen, omdat herstel van de fout tot een gelijktijdige vermindering van het aangegeven inkomen over 1998 zou leiden. De Inspecteur betoogt in dit verband dat de onderhavige fout wel steeds wordt gecorrigeerd als zij wordt ontdekt in het kader van de regeling van de primitieve aanslag, maar dat er in het kader van navordering een belangenafweging wordt gemaakt, ook als er ter zake van andere elementen reeds wordt nagevorderd.

Naar het oordeel van het Hof staat het de inspecteur vrij om in het kader van de aanslagregeling een andere afweging te maken omtrent de toe te passen correcties, dan hij maakt bij de beoordeling van de vraag of en zo ja ter zake van welke elementen van de aanslag hij een navorderingsaanslag oplegt. De aanslagregeling en de navorderingsbevoegdheid zijn immers afzonderlijke bevoegdheden van de inspecteur, die beheerst worden door verschillende wettelijke voorschriften. In zoverre kan daarom naar het oordeel van het Hof niet gezegd worden dat sprake is van gelijke gevallen.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat in dit verband ongelijke gevallen niet naar evenredigheid van hun ongelijkheid zijn behandeld is van belang dat de doelmatigheidstoets die door de Inspecteur onweersproken is gesteld als zijnde de door hem gehanteerde maatstaf voor de behandeling in navorderingssituaties, naar het oordeel van het Hof voldoende waarborg biedt voor de te verlangen evenredigheid. Daarbij is van belang dat door belanghebbende onweersproken is gesteld dat in het onderhavige geval er een niet te verwaarlozen tariefverschil optreedt bij toepassing van de investeringsaftrek in 1997 of 1998, terwijl omtrent een dergelijk verschil of een ander financieel belang van enig gewicht in het door belanghebbende genoemde geval niets is gesteld of gebleken. Het Hof moet er daarom vanuit gaan dat in dat geval een dergelijk belang ontbrak.

De door belanghebbende aangehaalde passages uit het controlerapport en uit de brief van de Inspecteur van 21 december 2000 doen aan het voorgaande niet af. Het Hof acht namelijk aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat de controlerend ambtenaar ten tijde van het schrijven van het controlerapport nog niet op de hoogte was van het feit dat de ingebruikneming en de betaling hadden plaatsgevonden in 1998. Voorts acht het Hof aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat de door belanghebbende geciteerde passage uit de brief van 21 december 2000 ziet op andere correcties dan die betreffende de investeringsaftrek ter zake van de inruil van een vrachtauto.

Naar het oordeel van het Hof kan ter zake van dit geval ook niet de zogenoemde meerderheidsregel worden toegepast, omdat de ongelijke behandeling is terug te voeren op beleid, te weten de hiervoor genoemde doelmatigheidsoverweging, en voor toepassing van de meerderheidsregel geen plaats is als de ongelijke behandeling is terug te voren op beleid. Zie HR 27 juli 1999, nr. 34 548,

BNB 1999/403 en HR 24 juni 2005, BNB 2005/275.

Wat betreft de investeringsaftrek over 1993 geldt het volgende: Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, onvoldoende bewijsstukken overgelegd om zijn stelling dat de desbetreffende belastingplichtige bij de aanslagregeling over 1993 begunstigend is behandeld aannemelijk te maken.

4.5.2. De belastingplichtige met sofinummer 2 is volgens belanghebbende in 1997 op de door hem bepleite wijze behandeld met betrekking tot de inruil van een voerwagen.

In de door de Inspecteur overgelegde specificatie investeringsaftrek bij de aangifte van deze belastingplichtige voor 1997, staat als investeringsdatum en datum van ingebruikname vermeld december 1997. Voorts blijkt uit de desbetreffende aangifte dat de voerwagen op 23 december 1997 in gebruik is genomen en dat daarop in 1997 nog ƒ 150,- is afgeschreven. Uit de stukken van het geding blijkt niets omtrent een eventuele onjuistheid van deze gegevens. Het Hof acht daarom aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat die gegevens juist zijn. Van een begunstigende behandeling kan daarom geen sprake zijn.

4.5.3. De belastingplichtige met sofinummer 3 is volgens belanghebbende in 1990 tot en met 1992 op de door hem bepleite wijze behandeld.

Belanghebbende heeft omtrent de door hem gestelde begunstigende behandeling van deze belastingplichtige geen concrete informatie verstrekt. De Inspecteur heeft verklaard dat hij ook niet kan beschikken over nadere informatie omtrent de gestelde investeringen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende zijn stelling omtrent die begunstigende behandeling daarom niet aannemelijk gemaakt.

4.5.4. De belastingplichtige met sofinummer 4 is volgens belanghebbende in 1987 op de door hem bepleite wijze behandeld.

In de door belanghebbende overgelegde specificaties inzake de investeringsbijdragen bij de aangifte inkomstenbelasting 1987 van deze belastingplichtige staat als datum van investering vermeld

28 december 1987, als jaar van ingebruikneming 1988, als in 1987 betaald ƒ 24.735,--, en als in 1987 te verrekenen aanspraak op investeringsbijdrage ƒ 24.735,--. Belanghebbende stelt dat dit bedrag voor een deel groot ƒ 20.735,- bestaat uit de waarde van de in 1988 in te ruilen vrachtauto.

Het Hof acht aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat de bevoegde inspecteur dit laatste door belanghebbende gestelde feit niet eerder kende. Van een welbewust begunstigende behandeling van deze belastingplichtige is daarom geen sprake.

Ook voor toepassing van de zogenoemde meerderheidsregel kan dit geval belanghebbende niet baten, omdat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat deze belastingplichtige nimmer tot zijn ambtsgebied heeft behoord.

4.5.5. De belastingplichtigen met sofinummer 5 en 6, die naar het Hof begrijpt tezamen een zogenoemde man-vrouw-firma hadden, zijn volgens belanghebbende in 1996 op de door hem bepleite wijze behandeld.

Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst belanghebbende naar een brief van de heer E, waarin deze verklaart dat ter zake van deze belastingplichtigen de inruil van een vrachtauto in 1996 als betaling werd aangemerkt. Deze verklaring kan belanghebbende echter niet baten, omdat daaruit niet blijkt op welk moment de daadwerkelijk inruil, dat wil zeggen de feitelijke levering, van de ingeruilde vrachtauto plaatsvond. Als die daadwerkelijke inruil plaatsvond in 1996 zijn deze belastingplichtigen niet begunstigend behandeld.

4.5.6. De belastingplichtigen met sofinummers 7, 8 en 9, zijn volgens belanghebbende in niet nader genoemde jaren op de door hem bepleite wijze behandeld. Belanghebbende heeft omtrent de door hem gestelde begunstigende behandeling van deze belastingplichtigen geen concrete informatie verstrekt. De Inspecteur heeft verklaard dat hij ook niet kan beschikken over nadere informatie omtrent de gestelde investeringen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft hij zijn stelling omtrent die begunstigende behandeling daarom niet aannemelijk gemaakt.

4.5.7. De belastingplichtige met sofinummer 10 is volgens belanghebbende in niet nader genoemde jaren vóór 1991 op de door hem bepleite wijze behandeld.

Belanghebbende heeft omtrent de door hem gestelde begunstigende behandeling van deze belastingplichtige geen concrete informatie verstrekt. De Inspecteur heeft verklaard dat hij ook niet kan beschikken over nadere informatie omtrent de gestelde investeringen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft hij zijn stelling omtrent die begunstigende behandeling daarom niet aannemelijk gemaakt.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat geen van de door belanghebbende genoemde gevallen kunnen leiden tot honorering van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor het gerechtshof te Arnhem en na verwijzing redelijkerwijs heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 11 oktober 2006 door R.J. Koopman, voorzitter, J.W. Zwemmer en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van Th. A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 11 oktober 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.