Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
05/00291
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is [verder] of de betalingen die belanghebbende heeft gedaan aan het B-genootschap in aanmerking komen voor aftrek als kosten van de onderneming van belanghebbende. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het B-genootschap is een kerkgenootschap waar belanghebbende lid van is. Tegenover de betalingen staan geen facturen of andere bescheiden waaruit opgemaakt kan worden dat het B-genootschap aan belanghebbende een concrete prestatie heeft geleverd. Derhalve rust, mede gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 21 september 1994, BNB 1995/16, op belanghebbende de last om tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken dat de uitgaven ten behoeve van de zakelijke belangen van zijn onderneming zijn gedaan. Daarin is hij naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. De door de Inspecteur betwiste stelling van belanghebbende dat de uitgaven verband zouden houden met een opleiding tot homeopaat, iatrosoof en/of pastoraal genezer, wordt immers niet ondersteund door enig concreet bewijs in de vorm van brochures, lesroosters, getuigschriften of iets dergelijks.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/33.1.3
FutD 2007-0698
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00291

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 44.553,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 september 2006 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.6 Het hof heeft in deze zaak op 22 september 2006 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 4 oktober 2006 aan partijen verzonden.

1.7. Belanghebbende heeft op 16 november 2006 tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 16 november 2006 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende verricht in het kader van een onderneming werkzaamheden als homeopaat. Daarnaast is hij in dienstbetrekking werkzaam bij A.

2.2. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 35.653. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling de volgende correcties aangebracht:

Belastbaar inkomen volgens aangifte ƒ 35.653,=

2.2.1 Minder omzet ƒ 202,= -/-

2.2.2. Correctie autokosten ƒ 1.364,= +

2.2.3. Correctie kosten praktijkbegeleiding ƒ 1.635,= +

2.2.4 Correctie kosten gedynamiseerde middelen ƒ 1.351,= +

2.2.5 Correctie telefoonkosten ƒ 240,= +

2.2.6 Vergader en verblijfkosten ƒ 1.434,= +

2.2.7. Correctie kosten opleiding, congres en

Lezingen ƒ 3.000,= +

2.2.8. Oort-correctie vergader- en verblijfkosten ƒ 78,= +

Vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 44.553,=

2.3. Belanghebbende is lid van het B-genootschap, een kerkgenootschap. Aan dit genootschap heeft belanghebbende in het onderhavige jaar betalingen gedaan.

2.4. Ten behoeve van zijn praktijk als homeopaat heeft belanghebbende in 1997 voor een bedrag van ƒ 1.775,= gedynamiseerde korrels gekocht. In de omzet van belanghebbende is een bedrag van ƒ 424,= begrepen als opbrengst ter zake van de verstrekking van deze gedynamiseerde korrels aan patiënten.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

3.1.2. Heeft de verslaglegging van de hoorzittingen in de bezwaarfase onjuist en onvolledig plaatsgevonden?

3.1.2. Heeft de Inspecteur ten onrechte de onder 2.2.2. t/m 2.2.4. en 2.2.6 t/m 2.2.7 vermelde correcties aangebracht?

3.1.3. Komen de kosten verbonden aan begeleiding en scholing door het B-genootschap in het onderhavige geval voor aftrek in aanmerking omdat de Belastingdienst/C daarmee akkoord is gegaan?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De gedynamiseerde middelen verliezen hun waarde bij aanschaf omdat deze middelen zich vanaf dat moment onder de invloedssfeer van belanghebbende bevinden. Voor andere genezers zijn deze middelen dus waardeloos. Voor consumenten zijn ze wel waardevol, omdat deze zich ook onder de invloedssfeer van belanghebbende bevinden.

De producten worden gekocht met het oogmerk ze aan de patiënten door te verkopen. Deze producten worden echter niet apart in rekening gebracht, maar de kosten daarvan zijn begrepen in de prijs van het consult.

De omgang binnen het B-genootschap is wat anders dan binnen reguliere organisaties. Dat geldt zowel op financieel en organisatorisch gebied als op het gebied van begeleiding. Het B-genootschap heeft een zeer ruim aanbod van begeleiding, maar het hangt ervan af wat de betrokkenen willen.

Er zijn afspraken gemaakt met de Belastingdienst C. De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst C heeft alle activiteiten van de stichting D, de stichting waarin belanghebbende zijn pastooraal-geneeskundige activiteiten thans in onder heeft gebracht, volledig geaccepteerd vanaf het jaar 1996. Ook de Belastingdienst E moet daarom de activiteiten accepteren.

De Inspecteur

De activiteiten van het B-genootschap zijn heel vaag. Er is wel een lesprogramma, maar duidelijk is het niet. Ik betwist dat er tegenover de betaling van belanghebbende diensten zijn verleend.

Het is wel duidelijk dát er betalingen zijn verricht. Maar ik kan niet controleren wat de tegenprestatie voor die betalingen is geweest.

Ik betwist bij gebrek aan wetenschap dat de Belastingdienst C de activiteiten van belanghebbende heeft geaccepteerd. Ik ben evenmin bekend met de Stichting D.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De procedurele bezwaren die belanghebbende heeft aangevoerd tegen de verslaglegging van de hoorzittingen in de bezwaarfase, kunnen niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Belanghebbende maakt tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk dat de verslagen van de hoorzittingen onwaarheden bevatten of op essentiële onderdelen onvolledig zijn. Ook de overige bezwaren tegen deze verslaglegging kunnen, wat er zij van de feitelijke grondslag ervan, niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

4.2. Belanghebbende heeft in 1997 ten behoeve van zijn praktijk als homeopaat voor een bedrag van ƒ 1.775,- aan gedynamiseerde korrels gekocht. In dat jaar is in de omzet van belanghebbende een bedrag van ƒ 424,- begrepen als opbrengst ter zake van de verstrekking van deze gedynamiseerde korrels aan patiënten. Terecht stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat het verschil niet in één keer ten laste van het resultaat van 1997 mag worden gebracht, maar moet worden geactiveerd als voorraad. De door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de gedynamiseerde korrels voor een andere homeopaat geen waarde meer hebben zodra zij in de invloedsfeer van belanghebbende zijn gekomen, kan hieraan niet afdoen. Belanghebbende zal immers niet willen ontkennen dat de korrels wel van waarde zijn voor de patiënten aan wie hij ze tegen betaling verstrekt.

4.3. In geschil is verder of de betalingen die belanghebbende heeft gedaan aan het B-genootschap in aanmerking komen voor aftrek als kosten van de onderneming van belanghebbende. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het B-genootschap is een kerkgenootschap waar belanghebbende lid van is. Tegenover de betalingen staan geen facturen of andere bescheiden waaruit opgemaakt kan worden dat het B-genootschap aan belanghebbende een concrete prestatie heeft geleverd. Derhalve rust, mede gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 21 september 1994, BNB 1995/16, op belanghebbende de last om tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken dat de uitgaven ten behoeve van de zakelijke belangen van zijn onderneming zijn gedaan. Daarin is hij naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. De door de Inspecteur betwiste stelling van belanghebbende dat de uitgaven verband zouden houden met een opleiding tot homeopaat, iatrosoof en/of pastoraal genezer, wordt immers niet ondersteund door enig concreet bewijs in de vorm van brochures, lesroosters, getuigschriften of iets dergelijks.

4.4. Ten slotte is in geschil de aftrek van autokosten. Belanghebbende stelt dat deze kosten samenhangen met het bezoeken van bijeenkomsten van het B-genootschap. De Inspecteur betwist die stelling en stelt daar tegenover dat voor zover al aannemelijk zou zijn dat de autokosten samenhangen met bezoeken aan activiteiten van het B-genootschap, die activiteiten niet zijn bezocht met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Naar het oordeel van het Hof voldoet belanghebbende ook op dit punt niet aan de op hem rustende bewijslast. Hij heeft immers geen inzicht gegeven in datum en plaats van de bijeenkomsten die hij met de auto zou hebben bezocht en ook overigens geen concreet bewijs voor die bezoeken en de aard daarvan in het geding gebracht.

4.5. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de Belastingdienst/C er jegens het B-genootschap en de Stichting D mee akkoord zou zijn gegaan dat de kosten verbonden aan begeleiding en scholing door dit genootschap voor aftrek in aanmerking komen. Dit kan belanghebbende echter niet baten reeds omdat de Inspecteur bij gebrek aan wetenschap het bestaan van deze akkoordverklaring heeft betwist en belanghebbende daartegenover zijn stellingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Maar ook afgezien daarvan kan deze akkoordverklaring van de Belastingdienst/C gedaan jegens derden de Inspecteur niet binden. Daar komt nog bij dat hiervoor reeds is overwogen dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zijn uitgaven zien op door het B-genootschap verstrekte opleiding of begeleiding.

4.7. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen moet het beroep ongegrond worden verklaard.

5. Het griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 28 december 2006 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 28 december 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.