Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA1415

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
23-03-2007
Zaaknummer
C200500512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voormalig verhuurder vordert van de huurder bedrijfsruimte een bedrag wegens afrekening servicekosten 2000 en 2001. Verweer huurder: de verhuurder weigert mij een eindafrekening over 2002 te verstrekken en ik wil de bedragen verrekenen. De verhuurder beroept er zich op dat zij de eigendom van het gehuurde in 2002 heeft overgedragen aan een derde. Het hof verzoekt partijen om nadere inlichtingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0500512/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 12 september 2006,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 11 februari 2005,

hierna te noemen: [X.],

procureur: mr. G.P.M. Sanders,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ING REAL ESTATE INVESTMENT MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: ING,

procureur: mr. M.J. Schapendonk,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 11 november 2004 tussen ING als eiseres en [X.] als gedaagde.

Het geding in eerste aanleg (zaaknr. zaaknr. 339439, rolnr. 2442/04)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [X.] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van de vorderingen van ING, met veroordeling van ING in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft ING de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Tussen ING en [X.] heeft een huurovereenkomst bestaan op grond waarvan ING aan [X.] een bedrijfsruimte aan het [adres] te [vestigingsplaats] verhuurde. Na verkoop en overdracht van het pand door ING aan een derde is de huurovereenkomst voortgezet tussen [X.] en die derde.

Dynamis P&A Retail Vastgoed Management, die het bedrijfspand voor ING beheerde, heeft in december 2002 een tweetal afrekeningen servicekosten aan [X.] gezonden, betrekking hebbend op respectievelijk 2000 en 2001. Specificaties van deze afrekeningen bevinden zich bij de stukken (producties 7 en 8 inleidende dagvaarding). De afrekening over 2000 komt uit op een door [X.] te betalen bedrag van (omgerekend in euro’s) € 1.946,20; volgens de afrekening over 2001 moet [X.] over dat jaar een bedrag van € 118,19 betalen.

Omdat betaling van deze bedragen achterwege bleef heeft ING [X.] gedagvaard voor de kantonrechter en zij vorderde betaling van de voormelde bedragen met rente en incassokosten. De kantonrechter heeft de voormelde bedragen toegewezen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2003. De vordering inzake de incassokosten is door de kantonrechter afgewezen.

[X.] kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

4.2. [X.] voert ten verwere tegen de vordering van ING twee argumenten aan. Zij beroept zich allereerst op een opschortings- recht omdat ING haar verplichting om een afrekening servicekosten 2002 (tot de datum van eigendomsoverdracht) aan [X.] te verstrekken niet nakomt. Op de tweede plaats stelt zij zich op het standpunt dat de afrekeningen over 2000 en 2001 onjuist zijn omdat daarin kosten gasverbruik zijn opgenomen. Volgens [X.] heeft zij de kosten van haar gasverbruik al zelf recht- streeks aan Essent betaald.

4.3. ING stelt zich op het standpunt dat zij niet verplicht is om over 2002 een afrekening servicekosten te verstrekken omdat die afrekening een zaak is van de nieuwe eigenaar/verhuurder.

Voor wat betreft de kosten gasverbruik stelt ING dat zij aan [X.] diens aandeel in de totale verwarmingskosten en kosten luchtbehandeling van het gebouw in rekening heeft gebracht (kennelijk maakt de bedrijfsruimte deel uit van een complex, maar informatie hierover ontbreekt).

4.4. Het hof heeft, alvorens te beslissen, behoefte aan nadere informatie van partijen en zal daartoe een comparitie gelasten.

De informatie betreft het volgende:

de huurovereenkomst tussen partijen is niet in het geding gebracht zodat niet duidelijk is wat er tussen partijen ten aanzien van de servicekosten is overeengekomen. ING dient de huurovereenkomst alsnog in het geding te brengen;

onduidelijk is wanneer de eigendomsoverdracht van het pand aan een derde heeft plaatsgevonden; volgens ING is dat in juli 2002 geweest, maar [X.] noemt 18 oktober 2002 als datum. ING dient bewijsstukken met betrekking tot de datum van eigendomsoverdracht in het geding te brengen. Zo er tussen ING en de koper afspraken zijn gemaakt over de servicekosten, dienen daarvan afschriften overgelegd te worden;

ING moet haar standpunt dat niet zij maar de nieuwe eigenaar gehouden is om de servicekosten over 2002 af te rekenen (ook over de periode dat ING nog verhuurster was) nader toe te lichten, mede gelet op het bepaalde in art. 7:226 BW. [X.] moet toelichten of inmiddels van de nieuwe verhuurder een eindafrekening servicekosten 2002 is ontvangen. Indien dit het geval is dient zij deze in het geding te brengen;

partijen dienen verder inlichtingen te verstrekken omtrent het systeem van verwarming en luchtbehandeling in het onderhavige gebouw;

[X.] dient bewijsstukken in het geding te brengen terzake van de door haar gestelde betaling van gasverbruik in de jaren 2000 en 2001.

De comparitie van partijen zal tevens worden benut om te bezien of een minnelijke regeling tussen partijen mogelijk is.

5. De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen zullen verschijnen voor mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 4.4. vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 september 2006 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun raadslieden op woensdagen en vrijdagen in de maanden oktober en november 2006;

bepaalt dat de procureur van [X.] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt partijen kopieën van de hiervoor onder 4.4. bedoelde stukken uiterlijk één week voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 12 september 2006.