Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA1400

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
23-03-2007
Zaaknummer
C200400180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Makelaar in dienst van makelaarskantoor. Geschil ontstaan over de wijze van provisieberekening. Hof heeft in dit tussenarrest de werkgever belast met de bewijsopdracht dienaangaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0400180/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 19 december 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 27 januari 2004,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. W.P. de Leeuw,

tegen:

PONCIN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond gewezen vonnis van 28 oktober 2003 tussen appellant - hierna te noemen [X.] - als eiser in conventie en verweerder in reconventie en geïntimeerde - hierna te noemen Poncin - als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 91211/CV EXPL 02-704)

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis waarvan beroep, alsmede naar het tussenvonnis van 14 mei 2002.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] zeven grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, Poncin te veroordelen tot betaling van:

1. provisie over 2001 vermeerderd met vakantiegeld, primair nader op te maken bij staat, subsidiair vast te stellen op een bedrag van € 9.758,78 bruto, vermeerderd met het vakantiegeld van € 1.143,73 bruto over de berekende provisie van

€ 14.296,58 bruto;

2. het aan [X.] toekomende salaris over de maanden november en december 2001 van € 2.948,12 bruto;

3. representatiekosten van € 258,65;

4. kilometervergoeding over de periode van september 1999 tot en met augustus 2000 van € 1.869,60;

5. de wettelijke rente vanaf augustus 2001,

met veroordeling van Poncin in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Poncin de grieven bestreden. Harerzijds heeft zij incidenteel geappelleerd, daartoe vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover Poncin is veroordeeld aan [X.] bedragen te voldoen met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [X.] in de proceskosten van beide instanties.

2.3. [X.] heeft de grieven in het incidenteel appel bestreden.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de inhoud van de memories van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.], geboren op [geboortejaar], is van 1 september 1999 tot 1 januari 2002 als makelaar/ architect bij Poncin in dienst geweest tegen een salaris van ƒ 3.500,-- (€ 1.588,23) bruto per maand, te vermeerderen met provisie, alsmede 8% vakantietoeslag over salaris en provisie. [X.] heeft maandelijks een voorschot van ƒ 1.000,-- (€ 453,78) bruto op zijn provisie ontvangen.

4.1.2. Art. “C” van de tussen partijen gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst luidt:

Het vakantiegeld bedraagt 8% van 12 x het maandsalaris incl. de genoten provisie. (...).

Daarnaast zal de werknemer een onkostenvergoeding ontvangen van ƒ 500,-- per maand. Dit bedrag bestaat uit ƒ 500,-- reiskostenvergoeding excl. woon- en werkverkeer aan te tonen door werknemer dmv een kilometerregistratie.

Art. “N” luidt voor zover van belang:

Provisieregeling: naast het basissalaris ontvangt de werknemer een provisie. Deze provisie is gerelateerd aan de behaalde omzet. Over de eerste ƒ 100.000,-- omzet wordt geen provisie uitgekeerd.

Van ƒ 100.001,-- tot ƒ 200.000,-- ontvangt werknemer 15% provisie.

Van ƒ 200.001,-- tot ƒ 300.000,-- ontvangt werknemer 20% provisie.

(...)

Art. “K” luidt:

Bij beëindiging van het dienstverband zullen eventuele gemaakte scholingskosten in de volgende verhouding in rekening worden gebracht bij de werknemer: beëindiging dienstverband binnen één jaar: 80% van de gemaakte kosten, beeindiging binnen twee jaar: 60%, binnen drie jaar 40%, binnen 4 jaar 20%.

4.1.3. Op 23 maart 2001 hebben partijen een functioneringsgesprek gevoerd. Daarbij hebben partijen een afspraak gemaakt over een gedifferentieerde provisieregeling. Partijen verschillen van mening over de inhoud van die afspraak.

4.1.4. Poncin heeft [X.] op 16 november 2001 op non-actief gesteld met behoud van salaris.

4.1.5. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 januari 2002 beëindigd.

4.2. In eerste aanleg heeft [X.] onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat tussen partijen van toepassing is de provisieregeling sub N van de arbeidsovereenkomst en veroordeling van Poncin tot betaling van provisie over de door [X.] gerealiseerde omzet over de periode augustus 2001 tot december 2001, primair op te maken bij staat, subsidiair berekend op de wijze zoals dat in de periode januari 2001 – augustus 2001 is gedaan. In reconventie heeft Poncin onder meer gevorderd [X.] te veroordelen tot betaling van € 1.809,53 te verminderen met € 185,33 netto en € 906,31 bruto en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter in conventie voor recht verklaard dat tussen partijen van toepassing is de provisieregeling sub N van de arbeidsovereenkomst en Poncin veroordeeld tot betaling van provisie over de door [X.] gerealiseerde omzet, nader op te maken bij staat, over de periode augustus 2001 tot december 2001, waarbij de omzet over de periode van de non-activiteit dient te worden vastgesteld op grond van de gemiddelde omzet per maand behaald in de periode januari 2001 tot augustus 2001, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf augustus 2001 tot de dag van algehele voldoening, alsmede Poncin veroordeeld tot betaling van vakantiegeld over de periode juni 2001 – december 2001 van € 906,31 bruto.

De kantonrechter heeft voorts de vordering van [X.] tot terugbetaling van (een gedeelte van) door Poncin verrekende scholingskosten afgewezen.

In reconventie heeft de kantonrechter [X.] veroordeeld tot betaling aan Poncin van € 1.624,20 netto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2002 tot de dag van algehele voldoening.

Tot slot heeft de kantonrechter Poncin veroordeeld in de proceskosten van zowel de procedure in conventie als in reconventie.

4.3. In hoger beroep heeft [X.] zijn eis vermeerderd en een vordering ingesteld als weergegeven onder rechtsoverweging 2.1..

Poncin heeft geen verweer gevoerd tegen de vermeerdering van eis zodat het hof daarop recht zal doen.

de provisieregeling

4.4. Het hof zal eerst de grief 1 in het incidenteel appel behandelen nu deze het meest verstrekkend is. Met grief 1 komt Poncin op tegen de overweging van de kantonrechter dat de in de arbeidsovereenkomst vervatte provisieregeling niet is gewijzigd. Ter toelichting op de grief voert Poncin aan dat partijen tijdens het functioneringsgesprek op 23 maart 2001 een differentiatie (derhalve niet een wijziging) in de provisieregeling zijn overeengekomen, aldus dat [X.] 50% van de provisie verdiende bij bezichtiging van een woning en de woning vervolgens werd verkocht (fase 1) en [X.] 50% van de provisie kon verdienen in geval hij ook de administratieve afwikkeling van de verkoop zou doen (fase 2).

Voorts is afgesproken dat [X.], wiens primaire taak volgens Poncin de aankoopmakelaardij was, zich alleen in noodgevallen met de verkoopmakelaardij kon bezig houden. Tot slot hebben partijen afgesproken dat indien [X.] een lagere omzet zou behalen dan ƒ 250.000,-- zij nader zouden overleggen over het functioneren van [X.]. Poncin verwijst naar de aantekeningen op de bijlage bij het verslag van het functioneringsgesprek, zoals overgelegd bij inleidende dagvaarding. [X.] heeft volgens Poncin met voormelde differentiatie in de provisieregeling ingestemd en er vervolgens ook naar gehandeld. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst Poncin naar een in het geding gebrachte verklaring van een van haar werknemers, mevrouw [Y.].

4.5. [X.] voert daartegenover aan dat partijen in maart 2001 hebben gesproken over de aan [X.] beloofde loonsverhoging. Partijen hebben het een en ander uitgesproken en er werd besloten opnieuw te starten. Enkele dagen later en na lang aandringen van Poncin hebben partijen een nieuwe provisieregeling afgesproken. Deze zou “op proef” zijn en worden vergeleken met de reeds bestaande regeling. De daarbij bedoelde differentiatie zag op een omzet van tenminste

ƒ 250.000,--. Nu deze omzet niet is behaald kan Poncin geen beroep op de gedifferentieerde provisieregeling doen.

[X.] stelt voorts dat hij in 2001 na zijn vakantie te horen kreeg dat hij geen verkoop meer mocht verrichten. Daardoor liep hij omzet mis. Ten tijde van de vakantie van Poncin in de zomer van 2001 diende [X.] de verkoopmakelaardij te doen. Na terugkeer van Poncin van vakantie heeft [X.] Poncin meegedeeld dat hij elders een nieuwe werkkring had gevonden. Poncin heeft hem daarop verzocht geen werkzaamheden ten behoeve van Poncin te verrichten.

4.6. Het hof is van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat partijen een differentiatie in de provisieregeling zijn overeengekomen in de zin dat [X.] de provisie in delen van 50% van de omzet verdiende per fase als uiteengezet in rechtsoverweging 4.4. Evenwel is de precieze inhoud van deze nieuwe regeling niet komen vast te staan, meer in het bijzonder of de regeling was gekoppeld aan een omzet van ƒ 250.000,--, waarbij, zo begrijpt het hof de stelling van [X.] in de inleidende dagvaarding (bladzijde 6, eerste alinea) de nieuwe regeling pas zou gelden bij een omzet van meer dan

ƒ 250.000,-- met de afspraak dat partijen nader zouden overleggen mocht die omzet lager blijken te zijn.

Het hof zal Poncin overeenkomstig haar bewijsaanbod toelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat partijen met elkaar op of omstreeks 23 maart 2001 een gedifferentieerde provisieregeling hebben afgesproken, zoals door haar gesteld.

de omzet over 2001

4.7. Grief 1 in principaal appel en grief 2 in incidenteel appel betreffen de omvang van de door [X.] behaalde omzet en de periode waarover Poncin aan [X.] provisie dient te voldoen. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

4.7.1. [X.] wijst er op dat de kantonrechter ten onrechte de provisie heeft beperkt tot de periode augustus 2001 – december 2001.

[X.] voert aan dat de omzet over de periode september 2001 – december 2001 (het hof leest tot en met december 2001, zulks gelet op hetgeen [X.] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd) dient te worden berekend op dezelfde wijze als in de periode januari 2001 – augustus 2001 is gedaan, waarbij de omzet over de periode van non-activiteit (16 november tot en met 31 december 2001) dient te worden bepaald op grond van de gemiddelde omzet per maand over de periode januari 2001 – augustus 2001 (het hof leest tot en met augustus 2001). Uitgaande van een gerealiseerde omzet in de periode januari tot en met augustus 2001 van ƒ 188.351,60 (€ 85.470,23) becijfert [X.] de jaaromzet op een bedrag van ƒ 282.527,39 (€ 128.205,34). Op grond van art. “N” van de arbeidsovereenkomst becijfert [X.] vervolgens de hem toekomende provisie op € 14.296,58. Verminderd met de voorschotprovisies gedurende 10 maanden (€ 4.537,80) resteert door Poncin te voldoen een provisiebedrag van € 9.758,78, exclusief (wettelijke) rente.

4.7.2. Poncin komt op tegen de overweging van de kantonrechter dat zij aan [X.] provisie dient te betalen over de periode augustus tot december 2001. Poncin benadrukt dat [X.] was aangesteld voor de aankoopmakelaardij en dat ook provisie kon worden verdiend met de verkoopmake-laardij, maar alleen in noodgevallen. In ieder geval heeft [X.] geen aanspraak op provisie over niet gerealiseerde omzet. Bovendien heeft [X.] tot 15 november 2001 gewerkt zodat de omzet (zo begrijpt het hof) tot die datum dient te worden berekend. Poncin stelt dat de omzet van [X.] over 2001 ƒ 99.422,-- bedraagt. [X.] heeft derhalve geen recht op provisie en de voorschot-provisies van totaal ƒ 10.300,-- zijn ten onrechte aan [X.] voldaan en dienen te worden terugbetaald.

4.8. Het hof oordeelt als volgt. De grief dat de kantonrechter de provisie ten onrechte heeft beperkt tot de periode augustus 2001 – december 2001 faalt daar de kantonrechter heeft toegewezen hetgeen [X.] op dit punt vorderde.

In hoger beroep heeft [X.] evenwel zijn eis vermeerderd aldus dat Poncin wordt veroordeeld tot betaling van de provisie over 2001 – vermeerderd met vakantiegeld – nader op te maken bij staat en subsidiair vast te stellen op € 9.758,78 bruto, te vermeerderen met vakantiegeld.

Het hof is van oordeel dat Poncin naast salaris ook provisie en vakantiegeld dient te voldoen over de periode 16 november 2001 tot en met 31 december 2001 daar de non-actiefstelling in de risicosfeer van Poncin als werkgever ligt en [X.] als werknemer mitsdien in beginsel recht heeft op loondoor-betaling. Dit geldt in beginsel ook indien de non-actiefstelling aan de werknemer te wijten zou zijn.

Voorts is het hof van oordeel dat van de gerealiseerde omzet uitgegaan dient te worden en dat de omzet over de periode 16 november tot en met 31 december 2001 dient te worden berekend op grond van de gemiddeld behaalde maandomzet over de periode januari tot en met augustus 2001 nu [X.] zulks heeft gemotiveerd met de stelling dat hij zich in augustus 2001 na terugkeer van zijn vakantie niet meer mocht bezighouden met de verkoopmakelaardij met als gevolg dat zijn omzet daalde en Poncin die stelling onvoldoende heeft betwist zodat de stelling als vaststaand kan worden aangenomen. Weliswaar heeft Poncin aangevoerd dat [X.] is aangenomen voor de aankoopmakelaardij en hij zich alleen in noodgevallen mocht bezighouden met de verkoop-makelaardij, maar uit het door partijen overgelegde overzichten (productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie en productie 4 bij conclusie van antwoord in reconventie) blijkt dat [X.] een zeer substantieel gedeelte (volgens zijn eigen overzicht ongeveer 65%) van zijn omzet uit de verkoop heeft gegenereerd zodat niet valt in te zien dat [X.] alleen in noodgevallen met de verkoop was belast zoals Poncin heeft aangevoerd. Ook de tekst van de overgelegde arbeids-overeenkomst geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de functie van makelaar slechts beperkt was tot aankoopactiviteiten. Een dergelijke beperking is in die overeenkomst niet te lezen. Voorts is onduidelijk gebleven wat de zin van de overeengekomen provisieregeling is indien geen omzet via de verkoopmakelaardij kan worden bereikt. Het standpunt van Poncin op dit punt wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Ten aanzien van de door ieder van partijen in het geding gebracht omzet- en provisieberekening overweegt het hof als volgt. Het verschil in de behaalde omzet en daarmee het verschil in de hoogte van de provisie lijkt te worden veroorzaakt doordat Poncin uitgaat van percentages (100%, 90% en 50%). Bovendien komen de door partijen opgenomen bedragen niet overeen. Gelet op het controlerecht van de werknemer op de voet van art. 7:619 BW ligt het op de weg van Poncin een met bewijsstukken onderbouwde berekening van de door [X.] behaalde omzet 2001 in het geding te brengen, waarna [X.] daarop zal kunnen reageren.

De provisieberekening die vervolgens toegepast moet worden - het hof is van oordeel dat verwijzing naar de schadestaat niet nodig is daar de provisie over 2001 op basis van de omzetgegevens berekend kan worden. - is afhankelijk van de uitkomst van voormelde bewijslevering.

de scholingskosten

4.9. Met grief 2 van het principaal appel komt [X.] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de terugbetalingsregeling sub K van de arbeidsovereenkomst geen onderscheid maakt tussen cursussen gevolgd op eigen initiatief en cursussen gevolgd in opdracht van de werkgever. De kantonrechter gaat voorts voorbij aan hetgeen in art. K is bepaald terzake terugbetaling.

Ter toelichting op de grief voert [X.] aan dat de kosten van de cursus bij Sciento niet voor terug-betaling in aanmerking komen omdat [X.] deze cursus in opdracht van Poncin diende te volgen. Bovendien komen ook de kosten van de cursus “makelaar OZ” voor rekening van Poncin omdat [X.] door Poncin werd gedwongen het werk neer te leggen. Hij heeft geen voordeel gehad van de gevolgde opleiding. Indien en voor zover [X.] wel een bijdrage in de kosten dient te leveren dient deze op 40% gesteld te worden, derhalve € 903,74 indien uitgegaan wordt van beide opleidingen en € 496,25 indien uitgegaan wordt van uitsluitend de opleiding “makelaar OZ”.

4.10. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de kosten van beide cursussen voor terugbetaling op grond van art. K van de arbeidsovereenkomst in aanmerking komen nu voormelde bepaling geen onderscheid maakt tussen cursussen gevolgd op eigen initiatief dan wel in opdracht van Poncin. In zoverre faalt de grief. Ten aanzien van de berekenings- methodiek oordeelt het hof dat [X.] terecht heeft aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van 40% van de gemaakte scholingskosten nu de arbeidsovereenkomst binnen drie jaar is beëindigd. Het hof zal Poncin na de bewijslevering in de gelegenheid stellen een correcte berekening in het geding te brengen.

de kilometervergoeding

4.11. In grief 3 van het principaal appel stelt [X.] dat de kantonrechter ten onrechte slechts ƒ 218,40 (€ 99,11) terzake kilometervergoeding heeft toegewezen. [X.] stelt dat hij wegens kilometer-vergoeding èn vergoeding woon-werkverkeer over de periode september 1999 – juni 2000 een bedrag tegoed heeft van ƒ 4.120,06 (€ 1.869,60).

4.12. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede grond een bedrag van ƒ 218,40 (€ 99,11) heeft toegekend zijnde het door [X.] na wijziging van eis gevorderde bedrag. [X.] heeft daarnaast een kilometervergoeding gevorderd over september 1999 – juni 2000 “p.m.” welke door de kantonrechter als onvoldoende gespecificeerd van de hand is gewezen.

In hoger beroep heeft [X.] zijn vordering van € 1.869,60 becijferd door uit te gaan van een maandelijkse vaste onkosten- vergoeding van ƒ 500,-- (€ 226,89) en een vergoeding woon-werkverkeer van ƒ 270,-- (€ 122,52) per maand en daarop in mindering te brengen de bedragen die hij conform zijn loonstroken in de periode september 1999 tot en met augustus 2000 heeft ontvangen.

Het hof is van oordeel dat de tekst van art. “C” van de arbeidsovereenkomst weliswaar ietwat onduidelijk is maar dat gelet op de handelwijze van partijen de strekking kennelijk is dat het bedrag van ƒ 500,-- een maximum is en is te claimen door een door de werkgever over te leggen kilometerregistratie. Dit laatste geldt niet voor het woonwerkverkeer aangezien het aantal kilometers daarvan (uiteraard) bekend is. Het hof is van oordeel dat de vordering voor zover deze ziet op de beweerde vaste onkostenvergoeding van ƒ 500,-- (€ 226,89) per maand bij gebreke van voldoende onderbouwing dient te worden afgewezen. De vordering wegens woonwerk-verkeer van ƒ 270,--

(€ 122,52) per maand is toewijsbaar tot 16 november 2001 aangezien [X.] daarna geen onkosten voor woonwerkverkeer meer heeft gehad.

Het hof zal Poncin in de gelegenheid stellen met bewijsstukken onderbouwd een specificatie in het geding te brengen van de aan [X.] over de periode september 1999 – 16 november 2001 betaalde onkostenvergoedingen wegens woonwerkverkeer. [X.] zal daarop kunnen reageren.

vakantiegeld

4.13. Grief 4 in principaal appel ziet op de afwijzing door de kantonrechter van het door [X.] gevorderde vakantiegeld daar [X.] deze vordering niet heeft gespecificeerd. [X.] voert aan dat hij geen specificatie kon geven omdat de hoogte van het vakantiegeld samenhangt met de hoogte van de nog toe te kennen provisie.

4.14. Het hof zal nadat de hoogte van de provisie is komen vast te staan en voor het geval blijkt dat dienaangaande een nabetaling dient plaats te vinden alsnog vakantiegeld hierover toewijzen, conform het bepaalde in art. “C” eerste zin van de arbeidsovereenkomst. De beslissing hieromtrent wordt aangehouden tot na de bewijslevering.

verrekening

4.15. Grief 5 in het principaal appel betreft de toewijzing in reconventie van een bedrag van € 1.809,53 (netto) (waarop de kantonrechter een bedrag van € 185,33 in mindering heeft gebracht, hof). Poncin heeft in reconventie de door haar betaalde voorschotten alsmede studiekosten teruggevorderd. [X.] stelt dat reconventionele vordering van Poncin onbegrijpelijk is. Poncin dient over de periode van non-activiteit het salaris en de voorschotten terzake provisie te voldoen zonder deze voorschotten te verrekenen met salaris. De voorschotten kunnen volgens [X.] wel in mindering strekken op de door Poncin te betalen provisie.

Poncin voert daartegenover aan dat de voorschotten bij vergissing zijn begroot op ƒ 550,-- gedurende 10 maanden (derhalve ƒ 5.500,--, hof). Dit had – ook volgens [X.] – moeten zijn: een bedrag van ƒ 10.300,--. Omdat [X.] echter zijn target niet heeft gehaald is geen provisie door Poncin verschuldigd en dienen de voorschotten te worden terugbetaald.

4.16. Het hof houdt de beslissing op dit punt aan tot na de bewijslevering.

representatiekosten

4.17. Grief 6 in principaal appel waarmee [X.] opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat voormelde kosten slechts tot 16 november 2001 zijn verschuldigd faalt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de representatiekosten slechts tot voormelde datum zijn verschuldigd omdat [X.] nadien gelet op de non-activiteit geen representatiekosten heeft hoeven maken.

verrekening voorschotten

4.18. Met grief 7 in principaal appel komt [X.] op tegen het oordeel dat het aan [X.] toekomende salaris dient te worden verrekend met voorschotten en studiekosten.

De kantonrechter had het salaris dienen toe te wijzen zo nodig onder aftrek van de door [X.] aan Poncin verschuldigde studiekosten, maar niet onder aftrek van (provisie)voorschotten, aldus [X.].

4.19. Het hof houdt ook op dit punt de beslissing aan tot na de bewijslevering.

4.20. Grief 3 in het incidenteel appel heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

Slotsom

4.21. Gelet op de kosten die gepaard gaan met bewijslevering door middel van getuigen is het de vraag of partijen, gelet op het geringe belang in deze zaak, het zover moeten laten komen. Het gaat om correcte afwikkeling van een arbeidsrelatie die al geruime tijd geleden is beëindigd. Het hof adviseert partijen met elkaar om de tafel te gaan en een schikking in der minne te treffen.

4.22. In afwachting van de bewijslevering dan wel het bericht van partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

laat Poncin toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat partijen met elkaar op of omstreeks 23 maart 2001 een gedifferentieerde provisieregeling hebben afgesproken, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.4.;

bepaalt, voor het geval Poncin bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. E.A.G.M. Waaijers als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 januari 2007 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op maandagen en donderdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van Poncin bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van Poncin tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door Aarts, Waaijers en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 19 december 2006.