Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA0483

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05/00585
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoorde de zoon van belanghebbende in 2002 tot het huishouden van belanghebbende? En zo niet, is er dan beleid dat niettemin dwingt belanghebbendes woning als eigen woning in de zin van afdeling 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna eigen woning) te behandelen? Belanghebbende was in de jaren 1993-1997 voor A in Duitsland gestationeerd en daarna in Q (Syrië). In 1999 is hij overgeplaatst van Syrië naar Denemarken en in 2002 van Denemarken naar Spanje. Hij heeft in de jaren 1999 tot en met 2002 niet in Nederland gewoond. Hij heeft wel regelmatig in Nederland verbleven, ondermeer om hoogbejaarde (schoon)ouders te bezoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0514
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Kenmerk: 05/00585

Uitspraak van de vierde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X, thans wonende in Turkije, ...

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 oktober 2005, nummer AWB 05/652 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P/kantoor Z van de rijksbelastingdienst

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.665,=. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de aanslag gehandhaafd.

1.2. Bij uitspraak van 25 oktober 2005, heeft de Rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij brief van 7 december 2005, bij het Hof ingekomen op 8 december 2005. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 oktober 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten, geschil en overwegingen

2.1. Het Hof verwijst voor de feiten naar het onderdeel 2 van de uitspraak van de Rechtbank.

2.2. Het geschil is ter zitting teruggebracht tot twee vragen:

Behoorde de zoon van belanghebbende in 2002 tot het huishouden van belanghebbende?

En zo niet, is er dan beleid dat niettemin dwingt belanghebbendes woning als eigen woning in de zin van afdeling 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna eigen woning) te behandelen?

2.3. Belanghebbende was in de jaren 1993-1997 voor A in Duitsland gestationeerd en daarna in Q (Syrië). In 1999 is hij overgeplaatst van Syrië naar Denemarken en in 2002 van Denemarken naar Spanje. Hij heeft in de jaren 1999 tot en met 2002 niet in Nederland gewoond. Hij heeft wel regelmatig in Nederland verbleven, ondermeer om hoogbejaarde (schoon)ouders te bezoeken.

Belanghebbende heeft in 1999 een huis gekocht in R. Hij heeft het huis in R in november 2002 verkocht. Nu dat huis aan belanghebbende persoonlijk niet anders dan tijdelijk ter beschikking heeft gestaan, is naar het oordeel van het Hof ten aanzien van hem in beginsel niet sprake van een eigen woning. Dan is het vervolgens de vraag of het huis in 2002 aan personen, die tot zijn huishouden behoren anders dan tijdelijk ter beschikking stond. Immers ook dan kan de woning in R als eigen woning in de zin van afdeling 3.6 van de Wet worden aangemerkt.

2.4. Vaststaat, dat het huis in R door de zoon van belanghebbende van 12 oktober 1999 tot 21 september 2002 bewoond is. De zoon was in 2002 21 jaar geworden. Hij studeerde vanaf najaar 1999 in S. Het huis is van 4 september 2001 tot 5 november 2002 en van 5 september 2002 tot 5 november 2002 (tevens) door respectievelijk de dochter van belanghebbende en haar man bewoond. De dochter was in 2002 28 jaar oud. Vaststaat dat zij niet tot het huishouden van belanghebbende heeft behoord.

2.5. In geschil is slechts of de zoon in 2002 tot het huishouden heeft behoord. Omdat zoon en dochter beiden in 2002 in het huis te R hebben verbleven of gewoond, is voor het geval, dat belanghebbende bij het eerste geschilpunt in het gelijk zou worden gesteld, ter zitting voor het Hof tussen partijen afgesproken, dat ieders deel van het gebruik op de helft zou worden gesteld.

2.6. In geschil is dus allereerst of de zoon in 2002 feitelijk, dat wil zeggen beoordeeld naar de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, tot het huishouden van belanghebbende behoorde.

Voorop zij gesteld, dat artikel 3.111, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) als een eigen woning niet alleen aanmerkt de woning, die door belastingplichtige zelf wordt bewoond. Met de zinsnede "(...) of personen die behoren tot zijn huishouden (...)" is naar het oordeel van het Hof ook ruimte gelaten voor een situatie als de onderhavige, dat een zoon er alleen woont. Voor zover de Inspecteur iets anders zou hebben beweerd, is dat onjuist. Voorwaarde is dan wel, dat die zoon nog tot het huishouden van belanghebbende behoort.

2.7. Te dezen heeft dan het volgende te gelden.

Ter zitting is niet meer komen vast te staan, dan dat belanghebbendes dochter in 1999 al in Nederland studeerde en op kamers woonde en dat belanghebbendes zoon in 1999 met belanghebbende terugkwam uit Syrië om te gaan studeren in S. Hij ging anders dan zijn zus niet in S op kamers wonen, maar betrok het huis van zijn ouders in R. Hij was op dat moment evenals zijn zus volwassen. Het is niet ongebruikelijk, dat kinderen dan het huishouden verlaten. Nu belanghebbende bovendien een aftrekpost claimt en daartoe stelt, dat zijn volwassen zoon anders dan eerder zijn zus tot zijn huishouden is blijven behoren, is het naar het oordeel van het Hof aan belanghebbende zulks aan de hand van feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Het Hof heeft dat aan belanghebbende ter zitting voorgehouden. Belanghebbendes gemachtigde heeft slechts gesteld, dat het naar zijn mening zo is, dat een kind, dat thuis blijft wonen als de ouders naar het buitenland uitgezonden worden, altijd tot het huishouden behoort en wel omdat dat beleid is.

2.8. Belanghebbende heeft zich in dat verband beroepen op beleid, dat geldt bij de uitvoering van lid 6 van artikel 3.111 van de Wet. Mariniers, zo stelt belanghebbende, die naar Curaçao worden uitgezonden en hun huis in Nederland niet willen verkopen en daarom verhuren, mogen een kind in hun woning laten wonen ook als zij voor drie jaar worden uitgezonden, zonder dat ze hun renteaftrek verliezen. De Inspecteur heeft erkend dat er voor de toepassing van genoemd lid 6 dat beleid is, maar heeft ter zitting ten stelligste ontkend, dat dit beleid in de praktijk is of feitelijk wordt doorgetrokken naar lid 1 van artikel 3.111 van de Wet.

Naar het oordeel van het Hof stelt de Inspecteur terecht, dat de situaties van lid 1 en lid 6 niet vergelijkbaar zijn. In lid 1 wordt de situatie behandeld, dat de woning anders dan tijdelijk ter beschikking staat, en in lid 6 gaat het om het geval, dat de woning wel tijdelijk ter beschikking staat. Beleid voor het ene geldt dus niet voor het andere lid. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld, dat zulks wel het geval is, maar heeft daartoe niet meer aangedragen dan een verwijzing naar de totstandkoming van het beleid en de uitvoering van het beleid bij lid 6. Dat is daartoe niet genoeg. De Inspecteur heeft daartegenover naar het oordeel van het Hof bovendien overtuigend aangevoerd, dat in de contacten met contribuabelen heel goed het onderscheid tussen lid 1 en lid 6 door de medewerkers van de Belastingdienst wordt gemaakt. Dat is die medewerkers volgens de Inspecteur uitvoerig bijgebracht. Het Hof heeft geen reden daar aan te twijfelen.

2.9. Verder stelt de Inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht, dat belanghebbende niet voldoet aan de in het zesde lid gestelde voorwaarde, dat de woning gedurende ten minste een jaar anders dan tijdelijk ter beschikking moet hebben gestaan. Belanghebbende kan daarom in elk geval niet rechtstreeks op het beleid rond lid 6 aanspraak maken.

2.10. Het geschil is gesplitst in twee geschilpunten, maar is in de kern terug te brengen tot de vraag of het beleid bij lid 6, dat een kind bij tijdelijke uitzending mag blijven wonen in het huis dat in Nederland wordt aangehouden, de Inspecteur voor de voeten loopt, wanneer hij voor de toepassing van lid 1 de vraag stelt of een in Nederland achtergebleven kind tot het huishouden behoort.

Dat is naar het oordeel van het Hof niet het geval. De Inspecteur mag en kan die vraag dus opwerpen in alle gevallen, waarin lid 6 niet van toepassing is.

2.11. Voorzover belanghebbende na hetgeen hierboven is overwogen nog stelt, dat een zoon van 21, die al drie jaar studeert, terwijl zijn ouders in het buitenland wonen, tot het huishouden van de ouders behoort, heeft het volgende te gelden.

Belanghebbende heeft voor die stelling onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. In elk geval is daartoe onvoldoende de enkele verwijzing naar beleid rond lid zes van artikel 3.111 van de Wet .

2.12. De Rechtbank heeft overwogen, dat hetgeen belanghebbende heeft gesteld omtrent tot het huishouden behoren, geen verandering in haar oordeel brengt. Ook het Hof komt tot die conclusie, maar vult de gronden in zoverre aan, dat een ander oordeel wel mogelijk is, wanneer aan de hand van feiten en omstandigheden van het geval aannemelijk wordt gemaakt, dat een kind wel tot het huishouden van de uitgezonden ouders is blijven behoren.

Zo kan het Hof zich voorstellen, dat een kind van 18 jaar, dat uit Syrië terugkomt en in Nederland gaat studeren, tijdelijk als een ander geval moet worden behandeld, dan een kind van dezelfde leeftijd, dat al die tijd in Nederland woonde en blijft wonen. Dat was bij belanghebbendes zoon in 1999 wellicht nog aan de orde, maar in 2002 naar het oordeel van het Hof niet meer. Een volwassen man van 21 jaar moet naar het oordeel van het Hof na drie jaren geacht worden voldoende te zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving om zelfstandig, zonder hulp van zijn ouders, door het leven te kunnen. Er zijn in casu geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken, die een andere conclusie zouden rechtvaardigen.

2.13. De slotsom is, dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met aanvulling van gronden, als hiervoor aangegeven.

3. Griffierecht

Het Hof is van oordeel, dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

4. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gedaan op 6 december 2006 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op dit datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 6 december 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.