Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA0474

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
01/00177
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om hem een vrijstelling van BPM voor de C en de D te verlenen terecht heeft afgewezen en meer in het bijzonder of belanghebbende zijn normale verblijfplaats gedurende tenminste twaalf opeenvolgende maanden heeft gehad in België. De Inspecteur heeft in dat kader onder meer het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet zijn normale verblijfplaats in België heeft gehad en dat belanghebbende per 1 april 2000 woonachtig is in Nederland. Belanghebbende is van oordeel dat zijn verzoek om vrijstelling van BPM voor de C en de D ten onrechte niet is ingewilligd. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/27.22 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0579
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/00177

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking, waarbij een verzoek om vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) werd afgewezen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 22 juni 2000 ontving de Inspecteur van belanghebbende een

verzoek om vrijstelling van BPM voor een personenauto van het merk C, voorzien van het Belgische kenteken 000-000 (hierna: de C), en een personenauto van het merk D, voorzien van het Belgische kenteken 111-111 (hierna: de D) in verband met het gestelde verlaten van zijn verblijfsgelegenheid in België. Bij beschikking van 5 september 2000 heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen. Het tegen de beschikking gerichte bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 102,= (ƒ 225,=).

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 september 2005 te Eindhoven.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen ter zitting verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.7. Het hof heeft vervolgens met instemming van partijen het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op 3 april 1971, drijft sinds 1 juli 1998 in de vorm van een eenmanszaak een onderneming onder de naam "E". De onderneming (hierna: het bedrijf) was eerst gevestigd op het adres A-straat 1 te Q en is per 29 oktober 1999 op het adres B-straat 1 te Y gevestigd.

Belanghebbende was tot 3 mei 1999 ingeschreven op het adres A-straat 1 te Q, het adres waar ook zijn ouders woonachtig waren en zijn.

2.2. Belanghebbende is op 31 maart 2000 in het huwelijk getreden met mevrouw F. Mevrouw F, die voor belanghebbende administratieve werkzaamheden voor het bedrijf verrichtte en die belanghebbende, zo hij in Nederland werkzaam was, iedere dag zag, heeft nooit in België ingeschreven gestaan.

2.3. Belanghebbende heeft op 29 oktober 1999 samen met mevrouw F een pand gekocht aan de B-straat 1 te Y. Het pand heeft een woongedeelte en een kantoorgedeelte. Het kantoorgedeelte beschikt over een aparte ingang.

De hypotheekofferte voor het pand B-straat 1 te Y is gericht aan de heer X en mevrouw F, C-straat 1, R.

Vanaf voornoemde datum kan belanghebbende over woonruimte in Nederland beschikken. Voorafgaande aan de aankoop van de woning stond mevrouw F ingeschreven op het adres van belanghebbendes ouders, zijnde A-straat 1 te Q .

2.4. In een bij het verweerschrift in afschrift overgelegde verklaring van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad R en een in afschrift overgelegd uittreksel uit het bevolkingsregister is vermeld, dat belanghebbende op 25 mei 1999, komende van A-straat 1, Q , is ingeschreven te R en op 19 juni 2000 van de stad R is afgevoerd naar het adres B-straat 1, 0000 GG Y.

Belanghebbende had gedurende de periode dat hij in België stond ingeschreven in Nederland bij H te S een buitenlandverzekering tegen ziektekosten.

2.5. Als bijlage 3 bij het verweerschrift is onder meer een brief van belanghebbende d.d. 4 juli 2000 overgelegd met daarbij als bijlagen afschriften van facturen van afvalheffing en een betalingsuitnodiging ter zake van het ophalen en verwerken van het huisvuil door de stad R, facturen van de Dienst kijk- en luistergeld te T, facturen van I te U ter zake van elektriciteit, een factuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, telefoonrekeningen van J te V, afschriften van een Belgische bankrekening en afschriften terzake van woonhuis-, inboedel- en aansprakelijkheidsverzekeringen bij K N.V. te W.

2.6. Bij brief van 3 oktober 2005 heeft belanghebbende een aantal afdrukken van betalingsafschriften overgelegd. De afschriften betreffen betalingen voor huur over de periode februari 1999 tot en met juni 2000 van het object C-straat 1, te R. De afschriften bevatten onder meer de volgende gegevens:

Debetbericht BEF

Rekeningnr. :

Mededeling: HUUR

Bedrag: 1.300,00 NLG

Koers : 18,305449

Waarde: 23.797 BEF

Kosten te uwer laste.

Kostentotaal : 182 BEF

TOTAAL DEBET : 23.979 BEF

Bij de betalingsafschriften is de afdruk van een geschrift van de L te V over gelegd met onder meer de volgende gegevens:

PERIDIEKE BETALING

OPDRACHTGEVER : REKENING : BEF

NAAM : X

BEGUNSTIGDE : REKENING :

NAAM : M

BEGUNSTIGDE : REKENING :

NAAM : M

ADRES : D-STRAAT 1

0000 NN QQ

BANK : O

VAST BEDRAG : 1.300,00 NLG

FREQUENTIE : MAANDELIJKS

MED : HUUR

2.7. Op 16 maart 2000 is door ambtenaren van het P geconstateerd, dat belanghebbende de C met het buitenlands kenteken bestuurde en dat hij op genoemde datum met die personenauto een aanvang heeft gemaakt met het gebruik van de openbare weg in Nederland.

Belanghebbende was niet in het bezit van een vrijstellingsvergunning BPM voor de C en de D.

Aan belanghebbende is op dezelfde dag een zogenoemd informatie- en waarschuwingsformulier BPM uitgereikt. De Inspecteur voegt bij de afdruk van het voormelde formulier de afdruk van ander formulier. Op dat formulier is onder meer het volgende vermeld:

Naam bestuurder: X, Voorletters , Adres: B-straat 1, Plaats: Y;

Naam houder: X, Voorletters: , Adres: C-straat 1, Plaats; R;

Betreft het eventueel een verhuizing en zo ja per wanneer?: 01-04-2000.

2.8. Op 22 juni 2000 ontving de Inspecteur van belanghebbende een

verzoek om vrijstelling van BPM voor de C en de D.

In het verzoek is onder meer het volgende gesteld:

2a.uit welk land wordt de normale verblijfplaats overgebracht? België

2b. Wat was uw laatste adres en woonplaats aldaar? C-straat 1 R

2c. Had u een koop of huurwoning? Huurwoning

3a. Op welke datum bent u in het buitenland vertrokken? 19-Juni-2000

5b. Had u in het buitenland een bank of girorekening? Ja; 6a. Bent u gehuwd of hebt u andere persoonlijke bindingen? Nee: gehuwd 31 maart 2000 Nederlandse

6b. komt uw gezin of partner ook naar Nederland? Nvt

6c. Indien uw gezin/partner niet naar Nederland komt, wat is daarvan de reden? Was reeds woonachtig in NL

7a. Op welke datum wordt het motorrijtuig naar Nederland overgebracht? 1 july 2000

11a. Wanneer bent u uit Nederland vertrokken en wat was uw laatste adres + woonplaats aldaar? 25 mei 1999 A-straat 1, 0000 AA Q

2.9. In de brief van 4 juli 2000 van belanghebbende is onder meer het volgende opgenomen:

In mei 1999 ben ik verhuisd naar België voor verschillende redenen. Ik kreeg van vrienden woonruimte aangeboden te R. Deze ruimte kreeg ik ter beschikking en als tegenprestatie diende ik het te onderhouden, verzekeren etc. Er werd ook geen contract opgesteld. Wij waren immers geen vreemden voor elkaar. De vrienden vonden het prettig als het pand bewoond en onderhouden werd om verwaarlozing tegen te gaan. Voor mij was dit prettig daar ik veel werkzaamheden in de grensstreek had.

(...)

Periode 01-04-2000 tot 19 juni 2000

(...)

Ik heb mijn partner niet bezocht in de periode april/juni. Zij was immers wonende en aanwezig op het zakenadres B-straat 1 te Y. (...)

In de periodes tussen bovengenoemde data was ik werkzaam op mijn kantoor in Nederland.

Tevens heb ik in die periode mijn woonlocatie in België samen met mijn partner klaar gemaakt voor oplevering aan nieuwe bewoner.

Vertrek op latere datum dan april

Op 16 maart is mij inderdaad het waarschuwingsformulier uitgereikt. Daar ik mijn pand diende op te leveren in de overeengekomen staat, schilderen leeg etc., en mijn lange verblijven in het buitenland is verhuizing herhaaldelijk uitgesteld. Op 19 juni heb ik mij vervolgens uitgeschreven in België en mij gevestigd in Y. Ook de verhuizing heeft de nodige tijd in beslag genomen.

2.10. Bij beschikking van 5 september 2000 wordt het verzoek om vrijstelling afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de Verordening (EEG) nr. 918/83, in het bijzonder de voorwaarde van artikel 4, van die verordening dat de normale verblijfsplaats gedurende ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten Nederland moet hebben gelegen.

2.11. Bij zijn bezwaar, gedagtekend 7 september 2000, heeft belanghebbende een afdruk van een niet getekende huurovereenkomst overgelegd. In die overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Ondergetekende B zal met ingang van 01-02-1999 het woonhuis incl. aanhorigheden gelegen : C-straat 1 R België, huren van ondertekende A voor een periode van 1 jaar.

Ondergetekende A zal zorgdragen voor de betaling van alle belastingen/heffingen en of andere aan het woonhuis verbonden "vaste" kosten.

De gehele onderhoudskosten zijn voor rekening van ondergetekende A.

Ondergetekende B zal zorgdragen voor betaling van de huur op uiterlijk de 1e van iedere maand. Ingaand voor het eerst op de 1e van de maand februari 1999.

Opzegging huurovereenkomst: Deze overeenkomst is per direct opzegbaar echter een opzegtermijn van 3 maanden is verplicht.

De huurprijs is vastgesteld op fl. 1.300,= per maand. Huur zal overgemaakt worden door ondergetekende B naar O QQ rekeningnumer : tnv: BB (...)

Aldus overeengekomen op 22-01-1999 en in tweevoud getekend:

(...) Ondergetekende B:

X

2.12. In het door de Inspecteur bij zijn verweerschrift gevoegde verslag van het hoorgesprek van 13 oktober 2000 is onder meer het volgende opgenomen:

De heren X en CC geven aan waarom volgens hen het standpunt van de douane onjuist is. (...)

-De echtgenote van de heer X heeft tijdelijk gewoond op het adres van diens ouders. (...), maar beschikte over zelfstandige woonruimte. Zij is daarna gelijktijdig met de heer X meeverhuisd naar België en later weer terug naar Nederland. De tekst van het bezwaarschrift heeft op dit punt mogelijk verwarring geschapen. Zij heeft zich echter niet laten uitschrijven en inschrijven, omdat dat zoveel rompslomp oplevert. (...)

-De heer X noch zijn vrouw kenden in België sociale activiteiten, buiten bijvoorbeeld het boodschappen doen. Vanwege drukke werkzaamheden hebben zij daar (ook in Nederland) nauwelijks tijd voor.

-Het woonhuis in België was gehuurd van bekenden. De heer X zorgde voor het onderhoud.

Belanghebbende heeft het gestelde in het verslag niet weersproken.

2.13. Belanghebbende heeft de Inspecteur na het horen een verklaring overgelegd van zijn echtgenote mevrouw F opgemaakt op 26-11-2000. In die verklaring is onder meer het volgende opgenomen:

Ivm persoonlijke (relatie) omstandigheden heb ik mij laten uitschrijven op mijn oud woonadres en mij vervolgens medio Jan/februari 1999 laten inschrijven bij kennissen tw de Fam DD a-straat 1 0000 AA Q.

Echter hier was geen behoorlijke woonruimte voor mij beschikbaar. Derhalve ben ik medio februari 1999 verbleven in het pand gelegen C-straat 1 te R. X (de zoon van de Fam DD) had een pand gehuurd in België Deze woning mocht ik gebruiken voor bewoning van X.

In een later stadium ben ik werkzaamheden gaan verrichten voor X (E).Wij zijn toen altijd gezamenlijk van België naar Q gereden en Visa Versa. (...)

Ik kon mij niet laten inschrijven in België omdat ik niet kon aantonen, aan de benodigde instanties, dat ik beschikte over voldoende financiële inkomsten. (...)

Nadat wij het pand hebben aangekocht heb ik mijn inschrijving laten wijzigen van Q naar Y. Ik wilde nl de Fam DD niet langer tot last zijn. (...)

Na het Huwelijk en huwelijksreis is begonnen met de uitwerking van het idee om in Nederland te gaan wonen. In de periode eind April/juni 2000 ben ik regelmatig in Y verbleven om alles gereed te maken. (...)

Nadat het pand geheel voor wonen gereed was is alles van België naar Nederland verhuist. Dit was einde mei 2000.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om hem een vrijstelling van BPM voor de C en de D te verlenen terecht heeft afgewezen en meer in het bijzonder of belanghebbende zijn normale verblijfplaats gedurende tenminste twaalf opeenvolgende maanden heeft gehad in België.

De Inspecteur heeft in dat kader onder meer het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet zijn normale verblijfplaats in België heeft gehad en dat belanghebbende per 1 april 2000 woonachtig is in Nederland.

Belanghebbende is van oordeel dat zijn verzoek om vrijstelling van BPM voor de C en de D ten onrechte niet is ingewilligd. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Ik bedoel te zeggen, dat ik in België heb gewoond. Dat is de vraag.

Wat betreft inconsistentie merk ik op, dat de woonplaats van mijn echtgenote in Nederland was, op het moment dat ik de aanvraag indiende.

Het bedrijf was in Nederland gevestigd. 's-Avonds ging ik met mijn echtgenote, die toen mijn vriendin was, en op het bedrijf werkte, naar België.

Het formulier heb ik naar beste weten ingevuld.

Ik was destijds manager van BB. De sociale kontakten lagen in België. De familie woonde wel in Nederland.

Ik was free-lance aktief in het assurantiewezen.Het kantoor was in RR bij mijn ouders. Ik wilde meer privacy. Ik had in België woonruimte en vrienden gevonden.

De klanten kwamen uit de regio SS en RR.

Ik ben bekend met de Nederlandse wetgeving.

De eigenaar van de woning in België was een Nederlander. De huur is via een bankrekening in Nederland betaald. Ik wil dit alsnog in het geding brengen.

In de pleitnota van de Inspecteur staat niets nieuws.

De woning in Y was in het begin niet geschikt om het te bewonen.

De verbouwingen hebben meerdere maanden geduurd.

De woning heb ik in oktober 1999 gekocht. Eerst in juni van het daaropvolgende jaar ben ik erin gaan wonen. Er heeft destijds een huisarts in gewoond. De huisartsafdeling is verbouwd tot woongedeelte.

Ik deed contante opnames vanwege boodschappen bij Aldi etc.

Bij het huis was een zwembad.

Ik vraag proceskostenvergoeding volgens het Besluit.

De Inspecteur:

Ik weet niet of er huur betaald is. Ik heb er niets van gezien.

Het is inconsistent. Volgens belanghebbende zouden alleen vaste lasten betaald zijn.

Het werk was in Nederland. Ik twijfel eraan of hij in België woonde.

Uit betalingen van kijk- en luistergeld is niet onomstotelijk af te leiden, dat hij daar gewoond heeft. Je kunt over woonruimte beschikken zonder er te wonen.

Gelet op de woonplaats van de echtgenote wordt belanghebbende geacht in Nederland te hebben gewoond. Ook door het Hof van Justitie is dit zo gezegd.

Belanghebbende had een woning ter beschikking in Nederland.

Het gaat over een termijn van 12 maanden.

Met twee adressen heb je problemen. Je kijkt dan naar de persoonlijke bindingen en die lagen in Nederland.

Ik trekt de stelling in op pagina 6 van het verweerschrift, dat

belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 3, letter a, van de Verordening (EEG) nr. 918/83, dat de auto's waarvoor vrijstelling wordt gevraagd, ten minste zes maanden voor de overbrenging in de vroegere verblijfplaats zijn gebruikt.

Het informatie- en waarschuwingsformulier, bijlage 1 bij het verweerschrift, wordt door de ambtenaar ingevuld. De aantekeningen op het formulier zijn van de ambtenaar en niet van belanghebbende.

Het huisadres van belanghebbende in Y staat erin vermeld.

De ambtenaar is aan de deur geweest.

Het verbruik van water is meer dan drie maal het gemiddelde van 1 tot 2 personen.

Ik doe geen beroep op proceskostenvergoeding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 4, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 wordt vrijstelling van belasting verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto's indien ter zake van het in het vrije verkeer brengen daarvan aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer bestaat, of zou bestaan indien het vervoermiddel uit een ander land dan een lidstaat van de Europese Gemeenschap in het vrije verkeer zou zijn gebracht, onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.

4.2. Voor wat betreft de vrijstelling bij invoer is in de Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 (Pb. EG 1983, nr. L 105; hierna: de Verordening) voorzover van belang het volgende opgenomen.

Artikel 2 van de Verordening:

Behoudens het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 zijn van rechten bij invoer vrijgesteld de persoonlijke goederen, ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats naar het douanegebied van de Gemeenschap overbrengen.

Art. 3 van de Verordening:

De vrijstelling is beperkt tot persoonlijke goederen die:

a. behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven, in zijn bezit zijn geweest en, wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt;

b. bestemd zijn om voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats.

De Lid-Staten mogen bovendien de vrijstelling afhankelijk stellen van de voorwaarde dat op de betrokken goederen, hetzij in het land van oorsprong, hetzij in het land van herkomst, de douanerechten en/of belastingen zijn geheven welke daar normaal op slaan.

Artikel 4 van de Verordening:

Voor de vrijstelling komen alleen personen in aanmerking die hun normale verblijfplaats sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de Gemeenschap hebben gehad.

De bevoegde autoriteiten kunnen van het bepaalde in de eerste alinea evenwel afwijkingen toestaan, mits het in het voornemen van de betrokkene lag gedurende ten minste twaalf maanden buiten het douanegebied van de Gemeenschap te verblijven.

4.3. Het is in dezen aan belanghebbende, die verzoekt om een vergunning voor vrijstelling van BPM, om het bewijs te leveren dat voor de betreffende personenauto's, de C en de D, wordt voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling. In dat verband moet naar het oordeel van het hof worden beoordeeld of wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit BPM, jo. de artikelen 2, 3 en 4 van de Verordening. In casu gaat het daarbij om de vraag of belanghebbende zijn normale verblijfplaats in België had en, zo dat het geval is, of hij zijn normale verblijfplaats tenminste 12 maanden buiten Nederland heeft gehad.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat, zo belanghebbende zijn normale verblijfplaats in België had, dat eerst met ingang van 25 mei 1999 het geval was. Het hof heeft geen reden om aan dat uitgangspunt te twijfelen. Die datum is immers ook aan de orde bij de inschrijving van belanghebbende in België en belanghebbende heeft die datum tevens vermeld in zijn verzoek om vrijstelling van BPM. Om voor een vrijstelling van BPM in aanmerking te komen, moet belanghebbende gezien het vorenstaande het bewijs leveren dat hij eerst op 25 mei 2000 of op een latere datum zijn normale verblijfplaats in België naar Nederland heeft overgebracht. Het hof acht belanghebbende niet in het van hem te verlangen bewijs geslaagd. Het hof overweegt daarbij dat de inschrijving van belanghebbende in Y per 19 juni 2000 en de overige door belanghebbende gestelde feiten en omstandigheden op zich geen uitsluitsel geven over het daadwerkelijk overbrengen van zijn verblijfplaats. Verder geeft Mevrouw F in haar verklaring aan dat de verhuizing einde mei 2000 plaatsvond. Het hof overweegt mede dat belanghebbende, op wiens weg dat ligt, geen specifieke gegevens en/of stukken heeft verstrekt over de omvang en/of de periode van de verbouwing en over het tijdstip waarop de verbouwing van het pand aan de B-straat gereed was. Dat geldt ook voor de wijze en/of het tijdstip van de gestelde feitelijke verhuizing naar de B-straat 1 te Y.

Ook heeft belanghebbende geen gegevens verstrekt en/of een verklaring gegeven voor het feit dat sprake is van een huurovereenkomst voor één jaar, terwijl de betalingen langer zouden doorlopen.

4.5. Het hof overweegt in dat verband verder nog dat diverse gegevens en verklaringen niet eenduidig zijn. Het gestelde in het door de Inspecteur bij de afdruk van het zogenoemde waarschuwingsformulier gevoegde formulier is door belanghebbende niet expliciet weersproken. In zijn brief van 4 juli 2000, als reactie op vragen van de Inspecteur, geeft belanghebbende onder meer het volgende aan: "In mei 1999 ben ik verhuisd naar België voor verschillende redenen. Ik kreeg van vrienden woonruimte aangeboden te R. Deze ruimte kreeg ik ter beschikking en als tegenprestatie diende ik het te onderhouden, verzekeren etc.". Dit spoort niet met de later door belanghebbende verstrekte informatie en het bij het bezwaarschrift verstrekte, overigens niet ondertekende huurcontract. De door belanghebbende aan het hof over gelegde afdrukken van betalingsbewijzen e.d. doen daar niet aan af.

In haar verklaring geeft mevrouw F aan dat zij geen inschrijving in België kon verkrijgen, omdat zij de benodigde instanties geen verklaring kon verstrekken dat zij beschikte over voldoende financiële inkomsten. In het hoorgesprek geeft belanghebbende aan dat mevrouw F zich niet heeft laten uitschrijven en inschrijven, omdat dat zoveel rompslomp oplevert.

In het hoorgesprek is aangegeven dat mevrouw F gelijktijdig met de heer X is meeverhuisd naar België en later terug naar Nederland. In haar verklaring stelt mevrouw F dat zij al medio februari 1999 de woning in België heeft betrokken.

Bij het hoorgesprek wordt gesteld dat belanghebbende en zijn vrouw in België geen sociale activiteiten kenden. Ter zitting wordt aangegeven dat de sociale kontakten in België lagen en dat belanghebbende in België woonruimte en vrienden had gevonden.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4 van de Verordening dat belanghebbende zijn normale verblijfplaats gedurende tenminste twaalf opeenvolgende maanden heeft gehad in België, zodat er geen recht op vrijstelling van BPM bestaat. Een door de omstandigheden gerechtvaardigd bijzonder geval, op grond waarvan verkorting van de termijn op zijn plaats is, is niet gesteld en niet gebleken. In dat verband behoeft de vraag inzake de feitelijke verblijfplaats van belanghebbende geen beantwoording meer.

Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde de Inspecteur.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan 21 december 2006 door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en in afschrift aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.