Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:BA0264

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
C200301404 & C200400281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft verdeling agrarisch bedrijf na echtscheiding. In verband met gewijzigde omstandigheden wordt de vraagstelling aan de reeds eerder benoemde deskundigen gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

C0301404/HE en C0400281/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 17 oktober 2006,

gewezen in de zaken van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. P.J. van den Hoogen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. A.A.M. van Exsel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 december 2005 op het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 15 januari 1999, 24 december 1999, 21 juli 2000, 13 augustus 2003 en 31 december 2003 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

6. Het tussenarrest van 27 december 2005

Bij genoemd arrest heeft het hof een deskundigenbericht gelast. Voorts heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken zoals in dat tussenarrest is vermeld en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure in de beide zaken

Naar aanleiding van het tussenarrest van 27 december 2005 heeft de vrouw een akte houdende bezwaar tegen vragen deskundigen, bepalen voorschot alsmede houdende wijziging van eis genomen.

De advocaat van de man heeft op 20 januari 2006 een brief aan het hof gezonden.

De vrouw heeft vervolgens een memorie na tussenarrest, tevens akte houdende wijziging van eis genomen en daarbij producties overgelegd.

De man heeft een akte uitlating wijziging eis genomen, waarin hij bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van eis van de vrouw.

Bij beslissing van de eerste enkelvoudige kamer van het hof d.d. 23 mei 2006 is het bezwaar van de man tegen de wijziging van eis ongegrond verklaard.

De man heeft hierna een antwoordmemorie na tussenarrest met twee producties genomen.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling van de zaken met de rolnummers C0301404 en C0400281, in principaal en incidenteel appel

8.1. In de akte en in de memorie die de vrouw na het tussenarrest heeft genomen, voert zij aan dat er sprake is van een aantal wijzigingen van omstandigheden, welke wijzigingen niet alleen gevolgen hebben voor de verdeling van de gemeenschap maar ook voor het deskundigenonderzoek dat door het hof is gelast. Volgens de vrouw dienen zowel de vraagstelling als het voorschot op de kosten te worden aangepast.

Het gaat om de volgende wijzigingen:

- de varkensrechten die in 1998 aan de man zijn toegekend op basis van de Wet herstructurering varkenshouderij, welke varkensrechten volgens de vrouw behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap, zijn door de man in twee gedeelten, op respectievelijk 3 december 2003 en 5 november 2004 verkocht en overgedragen aan [A.], de zoon van partijen.

- Onder de druk van een dreigende executoriale verkoop door de Rabobank, is de boerderij aan de [adres] te [woonplaats], samen met een deel van de agrarische grond, onderhands verkocht aan een derde en op 1 maart 2005 in eigendom overgedragen.

In deze eigendomsoverdracht zijn betrokken:

* de boerderij met schuren, erf en ondergrond aan de [adres] te [woonplaats], groot 89,50 aren, sectie K nummer 966;

* de percelen grond sectie K, nummers 28, 585, en 586, tezamen groot 2.49.50 ha, alsmede het resterende deel van het perceel sectie K nummer 966, groot 3.57.95 ha.

De verkoop opbrengst (voor aftrek van de schuld aan de Rabobank) bedroeg € 630.272,67.

- Eind december 2005 zijn voorts percelen grond aan de [adres] verkocht aan de gemeente [gemeenteplaats]. Het gaat om de percelen sectie K nummers 95/98, in totaal groot 2.46.20 ha. De verkoopopbrengst bedroeg € 80.000,-.

- Van het oorspronkelijk bedrijf resteren nog slechts het perceel gemeente [gemeenteplaats] sectie G nummer 705, groot 0.86.40 ha en het perceel gemeente [gemeenteplaats] sectie K nummers 546 en 547, in totaal groot 1.36.70 ha.

8.2. Uit de bruto verkoopopbrengst van de boerderij is de op dat moment bestaande schuld aan de Rabobank (hypothecaire lening en kredietfaciliteit) van € 551.054,10 voldaan.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de toename van de schuld aan de Rabobank ná de echtscheiding mogelijkerwijs niet alleen het gevolg is van een toename van de bedrijfsschulden, maar mede te maken heeft met privé-uitgaven van de man. Om die reden heeft zij bij wijze van vermeerdering van eis gevorderd dat de man zal worden veroordeeld om aan haar toestemming te verlenen om alle relevante stukken bij de Rabobank [vestigingsplaatsen] in te zien en afschriften daarvan op te vragen.

Een zelfde vordering was door haar reeds bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding ingesteld. Die vordering is door de voorzieningenrechter van de rechtbank bij vonnis d.d. 23 januari 2006 toegewezen.

De vrouw heeft bij wijze van vermeerdering van eis tevens gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de voornoemde schuld aan de Rabobank ad € 551.054,10 geheel ten last van de man dient te komen.

8.3. De vrouw heeft bij wijze van vermeerdering van eis voorts gevorderd dat de man, in verband met de hiervoor vermelde overdracht van varkensrechten aan [A.], zal worden veroordeeld inzage te verstrekken in alle stukken die betrekking hebben op de vervreemding van deze varkensrechten. Tevens vordert zij dat de man zal worden veroordeeld om de helft van de waarde van de varkensrechten, naar de vrije verkoopwaarde per datum verdeling, aan haar te voldoen.

8.4. De man heeft, via een brief van zijn advocaat d.d. 20 januari 2006, bezwaar gemaakt tegen de benoeming van de heer Schimmel als deskundige, omdat deze door de vrouw bij de verkoop van onroerende zaken als makelaar is ingeschakeld en niet langer als onpartijdig aangemerkt kan worden.

Verder stelt ook de man zich op het standpunt dat de opdracht aan de deskundigen en de bepaling van het voorschot op de deskundigenkosten niet in stand kunnen blijven.

8.5. De door de vrouw beschreven wijzigingen van omstandigheden, te weten de verkoop van de varkensrechten, van de boerderij en van de cultuurgronden, worden door de man als juist erkend. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de varkensrechten niet in de verdeling van de gemeenschap moeten worden betrokken. Volgens de man gaat het om rechten die bij de invoering van de Wet herstructurering varkenshouderij in 1998, dus na de ontbinding van het huwelijk, uitsluitend aan hem zijn toegekend.

Voor wat betreft de schuld aan de Rabobank stelt hij dat de totale omvang betrekking heeft op bedrijfsschulden.

8.6. Het hof overweegt omtrent het voorgaande als volgt.

Op grond van de gewijzigde omstandigheden zoals hiervoor beschreven, kan de beslissing in het tussenarrest van

27 december 2005 met betrekking tot het deskundigenonderzoek, niet in stand blijven.

8.7. In plaats van de deskundige Schimmel zal een andere deskundige worden benoemd. De benoeming van de deskundige Ruesink kan worden gehandhaafd.

8.8. De deskundigen dienen, in afwijking van hetgeen in het vorige tussenarrest is bepaald, antwoord te geven op de volgende vragen.

1) Wat is de huidige waarde in het economisch verkeer van de percelen gemeente [gemeenteplaats] sectie G nummer 705, groot 0.86.40 ha en gemeente [gemeenteplaats] sectie K nummers 546 en 547, totaal 1.36.70 ha?

Het hof merkt hierbij op dat de agrarische waarde thans niet meer aan de orde is, gelet op de beëindiging van het agrarisch bedrijf.

2) Ten aanzien van de varkensrechten die tot het bedrijf hoorden en in 2003 respectievelijk 2004 zijn verkocht (in totaal 1047 varkensrechten) dienen de volgende vragen te worden beantwoord:

a) wat was de verkoopprijs die van zoon [A.] voor de varkensrechten is ontvangen op respectievelijk 3 december 2003 en 5 november 2004?

b) wat was de waarde in het economisch verkeer van deze varkensrechten ten tijde van de verkoop?

c)wat is de huidige waarde van de hier bedoelde varkensrechten ?

Omtrent deze vraagstelling merkt het hof nog het volgende op:

- ook ten aanzien van de varkensrechten geldt dat de agrarische waarde niet meer aan de orde is gelet op de bedrijfsbeëindiging;

- voor de beoordeling van de stelling van de vrouw dat de verkoop aan [A.] tegen een te lage prijs heeft plaatsgevonden, is zowel de betaalde prijs als de economische waarde ten tijde van de verkoop van belang;

- omdat de vrouw inmiddels een procedure tot vernietiging van de verkoop/eigendomsoverdracht van de varkensrechten heeft aangespannen, bestaat de mogelijkheid dat niet de verkoopopbrengst maar de varkensrechten zelf in de verdeling betrokken moeten worden, zodat zowel de waarde ten tijde van de verkoop als de huidige waarde van belang zijn;

anders dan de man stelt behoren de hier bedoelde varkensrechten wél tot de huwelijksgoederengemeenschap. Ten tijde van de ontbinding van het huwelijk was het aantal varkens dat in het bedrijf van partijen mocht worden gehouden, gelimiteerd door de aan het bedrijf toegekende mestproductierechten in het kader van de toen bestaande mestwetgeving. Die rechten vertegenwoordigden een vermogenswaarde die tot de huwelijksgoederengemeenschap hoorde. Per 1 september 1998 is de Wet herstructurering varkenshouderij in werking getreden. Deze wet strekt ertoe de destijds bestaande mestproductierechten te vervangen door varkensrechten. Dit blijkt onder meer uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, waarin in hoofdstuk 1 par. 2.1. is vermeld: Het varkensrecht komt in omvang overeen met 85% (nadien gewijzigd in 90%) van het gemiddeld aantal varkens dat volgens de opgave van de varkenshouder in het kader van de mestwetgeving in 1996 op het bedrijf werd gehouden; indien de varkenshouder daarvoor kiest kan 1995 in plaats van 1996 als referentiejaar dienen.

Het hof merkt hierbij op dat de wet herstructurering varkenshouderij inmiddels is ingetrokken. Partijen kunnen zich – desgewenst – in hun memories na het deskundigenbericht uitlaten over de eventuele consequentie van de wijziging in wetgeving.

3) Wat was de stand van de bedrijfsschuld aan de Rabobank (hypothecaire lening en kredietfaciliteit) ten tijde van de ontbinding van het huwelijk op 9 september 1994, welke verhogingen van de schuld hebben sindsdien plaatsgevonden en wat is de besteding geweest van de opgenomen gelden?

Het hof merkt ten aanzien van dit punt op dat de man gehouden is de deskundigen ten behoeve van het onderzoek alle gevraagde medewerking te verlenen; indien de man op dit punt in gebreke blijft zal het hof daaraan de consequenties verbinden die het geraden acht.

8.9. Het voorschot op de kosten van de deskundigen zal door het hof worden vastgesteld op respectievelijk

€ 1.400,-- en € 2.500,-- dus in totaal € 3.900,--.

Ieder van partijen dient de helft van dit voorschot te voldoen.

8.10. Voor het overige wordt hetgeen in het tussenarrest van 27 december 2005 is overwogen en beslist, gehandhaafd.

9. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel in de zaak met rolnummer C0400281

bepaalt dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in onderdeel 8.8. van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:

voor wat betreft vraag 1:

Ir. I.E.D.O. van Hoven

Postbus 50

4850 AB ULVENHOUT;

voor wat betreft de vragen 2 en 3:

Ing. A.J. Ruesink

GIBO Adviesgroep Bedrijfskunde

Postbus 67

7000 AB DOETINCHEM;

verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof;

verzoekt de deskundigen tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek zullen aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van respectievelijk € 1.400,-- en € 2.500,-- dus in totaal € 3.900,--, tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 3.900,--, derhalve € 1.950,-- zal overmaken naar rekeningnummer 19.23.25.787 ten name van Arrondissement 536;

verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

benoemt mr. N.J.M. van Etten tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffie dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 27 februari 2007 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van de man;

houdt iedere verdere beslissing aan.

in de zaak met rolnummers C03014040 en C0400281:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 oktober 2006.