Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ9638

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
KGC200600355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

X. heeft woonwagenstandplaats "gekraakt" Gemeente heeft in KG ontruiming gevorderd. X. beroept zich op een toezegging ten aanzien van de standplaats maar dat verweer wordt door het hof verworpen. Volgens het hof is er hooguit een bereidverklaring van de gemeente om t.z.t. met X. te contracteren. In verband met wijziging van omstandigheden kan X. de gemeente niet aan die bereidverklaring houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KG C0600355/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 12 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 10 maart 2006,

hierna te noemen: [X.],

procureur: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

DE GEMEENTE EINDHOVEN,

zetelend te Eindhoven,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr. M. van Heeren,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis in kort geding van 20 februari 2006 tussen de gemeente als eiseres en [X.] en de personen die verblijven in dan wel op de onroerende zaak of een gedeelte daarvan, gelegen te Eindhoven aan de [adres], als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 137275/KG ZA 06-34)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

In haar appeldagvaarding heeft [X.] twee grieven aangevoerd en, onder overlegging van producties, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden, producties overgelegd en geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van [X.] in de proceskosten.

Beide partijen hebben een akte genomen. De gemeente heeft daarbij één productie overgelegd.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

De gemeente is eigenaresse van het woonwagenkamp aan de [adres] te [woonplaats], waarop zich 27 standplaatsen voor woonwagens bevinden. De gemeente heeft het voornemen om het woonwagenkamp op te heffen in verband met de realisering van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan]. Om die reden worden vrijgekomen standplaatsen niet opnieuw door de gemeente verhuurd, maar opgeheven.

[X.], die geboren is op [geboortejaar], woonde tot vorig jaar bij haar ouders in de woonwagen op standplaats nummer 23. Op enig moment in 2005 (volgens [X.] in januari of februari 2005, volgens de gemeente in oktober 2005) heeft [X.] de standplaats met nummer 22 in gebruik genomen door daarop een woonwagen te plaatsen en daarin te gaan wonen.

Van deze actie heeft zij mededeling gedaan aan de gemeente bij brief van 18 april 2005, met de volgende inhoud (voorzover hier van belang):

Bij deze wil ik u mededelen dat ik op het woonwagenkamp aan [adres] nummer 22 op 10 februari 2005 ingenomen heb (gekraakt).

Deze plaats heb ik 3 jaar geleden toegewezen gekregen door [Y.] (….)

Met deze brief wil ik u toestemming vragen om nr. 22 te mogen bewonen en verzekert te zijn op het nieuwe kamp voor een plaats.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat [X.] de standplaats onrechtmatig in gebruik heeft genomen en zij heeft in kort geding gevorderd dat [X.], alsmede degenen die (eventueel) mede de standplaats in gebruik hebben, zullen worden veroordeeld tot ontruiming van de standplaats.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft vordering bij vonnis in kort geding d.d. 20 februari 2006 toegewezen.

Tegen die beslissing en tegen de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, heeft [X.] hoger beroep ingesteld.

4.2. De eerste grief houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat er sprake is van onrechtmatig gebruik van de standplaats door [X.]. Volgens [X.] is de standplaats in het verleden in gebruik geweest bij haar oma en is in 2002, na het overlijden van haar oma, door de ambtenaar woonwagenzaken van de gemeente [Y.], aan haar de toezegging gedaan dat zij de standplaats zou mogen innemen zodra zij meerderjarig zou zijn (hetgeen per 8 april 2005 het geval was).

Ten bewijze van deze stelling heeft [X.] in eerste aanleg een schriftelijke verklaring van de heer [Y.] in het geding gebracht, gedateerd 3 februari 2006, met onder meer de volgende inhoud:

Ik ben werkzaam geweest bij de gemeente [gemeentenaam] als beleidsmedewerker/beheerder woonwagenzaken van 1 juni 1972 tot 1 april 2003. (….)

Ik weet zeker dat aan mevrouw [X.] destijds in 2002 of de toezegging is gedaan dat zij op termijn de standplaats [adres] zou mogen innemen zodra zij zelfstandig zou gaan wonen. Toewijzing was toen nog niet mogelijk omdat [X.] nog niet meerderjarig was.

(…)

4.3. De gemeente heeft betwist dat door de heer [Y.] een toezegging is gedaan zoals door [X.] wordt gesteld. Uit het dossier van de gemeente blijkt niets van een dergelijke toezegging. Bovendien was de heer [Y.] niet bevoegd om een toezegging als hier bedoeld te doen. De toewijzing van standplaatsen geschiedt conform het toewijzingsbeleid van de gemeente op basis van een wachtlijst en een voorrangslijst. [X.] staat weliswaar op de wachtlijst maar komt, gezien haar plaats op die lijst, nog niet voor een standplaats in aanmerking.

4.4. Naar het oordeel van het hof kan uit de thans beschikbare stukken niet zonder meer worden afgeleid dat door de ambtenaar [Y.] aan [X.] (bevoegdelijk) de toezegging is gedaan dat zij per 8 april 2005 de standplaats met nummer 22 ter beschikking zou krijgen en dat zij gerechtvaardigd op een dergelijke toezegging mocht vertrouwen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de gemeente dienaangaande, zijn de door [X.] in het geding gebrachte bewijsstukken ontoereikend. Voor een verdergaand feitenonderzoek is in het kader van dit kort geding geen plaats.

4.5. Het hof voegt hieraan toe dat, ook in het geval ervan uit moet worden gegaan dat de ambtenaar [Y.] de toezegging heeft gedaan zoals door [X.] is gesteld, dit nog niet betekent dat zij de standplaats rechtmatig in gebruik heeft genomen. Redelijkerwijs mag er immers van uit worden gegaan dat [X.] bekend was met het gegeven dat standplaatsen voor woonwagens door de gemeente worden verhuurd. De (eventuele) toezegging van de heer [Y.] kan dan ook hooguit worden aangemerkt als een bereidverklaring om zich ervoor sterk te maken dat de gemeente in de toekomst met [X.] een overeenkomst zal aangaan.

Of de gemeente aan een dergelijke bereidverklaring gevolg moet worden gegeven in die zin dat daadwerkelijk tot het sluiten van een huurovereenkomst met betrekking tot de desbetreffende standplaats moet worden overgegaan, hangt af van de omstandigheden van het geval, onder meer van de vraag of sinds die bereidverklaring sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Uit de stellingen van de gemeente valt af te leiden dat dit laatste het geval is. Immers: met het oog op de voorgenomen opheffing van het onderhavige woonwagenkamp worden vrijkomende standplaatsen niet meer verhuurd maar opgeheven, teneinde het woonwagenkamp te kunnen opheffen ten behoeve van de realisering van het bestemmingsplan ter plaatse.

4.6. Dat [X.] een en ander ook aldus begrepen heeft blijkt wel uit haar brief aan de gemeente van 18 april 2005, waarin zij stelt dat zij de standplaats heeft gekraakt en dat zij dat heeft gedaan teneinde verzekerd te zijn van een plaats op het nieuwe kamp.

4.7. Het voorgaande betekent dat de eerste grief faalt.

4.8. De tweede grief van [X.] richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de gemeente een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming. Volgens [X.] is dat spoedeisend belang niet aanwezig omdat met de uitvoering van het bestemmingsplan ter plaatse pas in 2008 zal worden begonnen.

4.9. Ook deze grief faalt. Naar het oordeel van het hof heeft de gemeente in het kader van dit kort geding voldoende onderbouwd dat zij er belang bij heeft dat vrijgekomen standplaatsen op het kamp niet opnieuw worden uitgegeven teneinde te bewerkstelligen dat de locatie tijdig kan worden opgeheven met het oog op de realisering van het bestemmingsplan ter plaatse en dat haar belang zwaarder weegt dan het belang van [X.].

Bovendien heeft de gemeente er belang bij dat haar beleid van toewijzing van standplaatsen op basis van wachtlijsten, niet wordt doorkruist doordat mensen eigenmachtig een standplaats in gebruik nemen.

4.10. Nu beide grieven falen dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

[X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van de gemeente tot op heden op € 296,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 12 september 2006.