Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8736

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05/00007
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BB4366, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB4366
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, geboren op 12 mei 1933, was het gehele jaar 2002 in Duitsland woonachtig. In 2002 ontving belanghebbende uit Nederland een niet-volledige AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP terzake van het voormalig dienstverband als hoogleraar aan de Universiteit E. Dit ABP-pensioen bedroeg in 2002 bruto € 39.697,= en er is € 6.477,= loonbelasting op ingehouden. Op de AOW-uitkering is niets ingehouden. [..] Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2002 voor het ABP-pensioen een "vrijstelling" geclaimd op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied van 16 juni 1956, Trb. 1959,85, (hierna: het Verdrag). De Inspecteur heeft de geclaimde "vrijstelling" niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/27.1.1
FutD 2007-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00007

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (Duitsland) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van € 44.766,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 juni 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mevrouw A, als gemachtigde van belanghebbende, en mevrouw B, beiden verbonden aan C te Q, alsmede, namens de Inspecteur, de heer D.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende, geboren op 12 mei 1933, was het gehele jaar 2002 in Duitsland woonachtig.

2.2. Van 1 november 1975 tot 30 november 1998 is hij werkzaam geweest als hoogleraar aan de Universiteit E.

2.3. In 2002 ontving belanghebbende uit Nederland een niet-volledige AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP terzake van het voormalig dienstverband als hoogleraar aan de Universiteit E. Dit ABP-pensioen bedroeg in 2002 bruto € 39.697,= en er is € 6.477,= loonbelasting op ingehouden. Op de AOW-uitkering is niets ingehouden.

2.4. De Universiteit E is een publiekrechtelijke rechtspersoon. De pensioenen van overheidswerknemers zoals die van de Universiteit E waren geregeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna: de ABP-wet) en de uitvoering daarvan was ondergebracht bij de publiekrechtelijke rechtspersoon Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: het ABP). Met ingang van 1 januari 1996 is het ABP bij de Wet privatisering ABP (Wet van 12 december 1995, Stb. 639) geprivatiseerd en is zijn vermogen onder algemene titel overgegaan op de Stichting Pensioenfonds ABP (artikel 24 van de Wet privatisering ABP). Voorts is per die datum de ABP-wet ingetrokken en zijn de in die wet geregelde pensioenaanspraken van overheidswerknemers opgenomen in het Pensioenreglement van het ABP.

2.5. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2002 voor het ABP-pensioen een "vrijstelling" geclaimd op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied van 16 juni 1956, Trb. 1959,85, (hierna: het Verdrag). De Inspecteur heeft de geclaimde "vrijstelling" niet gehonoreerd.

2.6. De Duitse fiscus heeft het ABP-pensioen op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van het Verdrag in de Duitse belastinggrondslag begrepen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard het antwoord op vraag of het Verdrag de bevoegdheid tot de heffing van de inkomstenbelasting over het ABP-pensioen van belanghebbende aan Nederland toewijst.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

– De grief over de heffingsrente laat ik vallen.

– Belanghebbende heeft uit Duitsland geen schriftelijk antwoord gekregen op zijn verzoek om een onderling overleg te starten. Hij heeft slechts telefonisch te horen gekregen dat de Duitse autoriteiten de verdragstekst duidelijk vinden en daarom geen overleg nodig vinden. Hem is medegedeeld dat hij eerst alle rechtsmiddelen in Nederland moet benutten. In Duitsland is het pensioen ook belast. Tegen die aanslag heeft belanghebbende in Duitsland bezwaar ingediend.

De Inspecteur

- Belanghebbende is de enige belastingplichtige op onze eenheid, die de "vrijstelling" claimt, hoewel we veel ABP-gepensioneerden die in Duitsland wonen in onze bestanden hebben.

- Alle verdragen wijzen overheidspensioenen toe aan de bronstaat.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van € 5.069,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Verdrag bepaalt in artikel 12:

"1. Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van de Staten wachtgelden, pensioenen, weduwe- of wezenpensioenen, andere uitkeringen of op geld waardeerbare voordelen ter zake van vroegere diensten verkrijgt, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

2. In afwijking van het eerste lid komt het recht tot belastingheffing voor wachtgelden, pensioenen, weduwe- en wezenpensioenen, andere uitkeringen of op geld waardeerbare voordelen ter zake van vroegere diensten, die een van de beide Staten of 'Länder', provinciën, gemeenten of gemeentelijke verbanden en andere publiekrechtelijke rechtspersonen van een van de beide Staten rechtstreeks of door tussenkomst van een hiertoe in het leven geroepen publiekrechtelijke instelling aan zijn werknemers of hun nagelaten betrekkingen betalen, aan deze Staat toe.

3. (...)".

4.2. Belanghebbende stelt dat, nu het ABP-pensioen uitbetaald wordt door de Stichting Pensioenfonds ABP, een privaatrechtelijke rechtspersoon, het ABP-pensioen noch rechtstreeks, noch door tussenkomst van een publiekrechtelijke instelling wordt uitbetaald. Op grond van de letterlijke tekst van artikel 12, tweede lid, van het Verdrag, dient het ABP-pensioen aan Duitsland ter heffing te worden toegewezen.

4.3. De Hoge Raad heeft in het arrest van 23 november 1994, nr. 29 935, BNB 1995/117, in een vergelijkbare casus, waarin het ging om de Stichting Bedrijfspensioenfonds PTT Nederland bij de privatisering van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (kortweg: PTT), overwogen:

"3.3. Voor de toepasselijkheid van artikel 12, lid 2, van de Overeenkomst is vereist - voor zover hier van belang - dat de Staat of een publiekrechtelijke rechtspersoon of instelling de afkoopsommen "betaalt". Aan dat vereist[e] is voldaan voor zover die pensioenen zijn opgebouwd bij PTT. Immers, veelal zal een overheidspensioen ook door een overheidslichaam worden betaald, maar indien dat niet het geval is - zoals hier - komt het erop aan bij wie het pensioen is opgebouwd. Alleen dan wordt recht gedaan aan het hier van belang zijnde onderscheid tussen overheidspensioenen en particuliere pensioenen. Niet van belang is derhalve dat de afkoopsommen zijn uitbetaald door belanghebbende. [...]".

4.4. Belanghebbende stelt met een beroep op artikel 31 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969, Trb. 1977, 169, inzake Verdragenrecht, dat de duidelijke tekst van artikel 12, tweede lid, van het Verdrag niet terzijde mag worden gesteld door de strekking van die bepaling. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat in de Nederlandse literatuur en jurisprudentie na 1994 steun te vinden is voor zijn stelling, evenals in de interpretatie van de Duitse fiscus. Nochtans, het is niet aan het hof om een van het arrest BNB 1995/117 afwijkende beslissing te nemen.

Het hof merkt hierbij op dat de term "publiekrechtelijke instelling" niet zonder meer vereenzelvigd kan worden met het begrip "publiekrechtelijk rechtspersoon", aangezien een privaatrechtelijk rechtspersoon met een publiekrechtelijke taak daar tevens onder zou kunnen worden begrepen. Het hof merkt ook op dat de term "publiekrechtelijke instelling", mede gelet op artikel 2, tweede lid, van het Verdrag, noch in de Nederlandse wetgeving of rechtspraak op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, noch in het Nederlandse staatsrecht een eenduidige definitie heeft gekregen (vergelijk daartegenover de definitie van "publiekrechtelijke instelling" in bijvoorbeeld artikel 1, sub b, van de Richtlijn EG 92/50 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, waaraan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen nadere invulling heeft gegeven, onder meer in zijn arrest 10 november 1998, C-360/96, BFI Holding).

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten, dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 25 oktober 2006 door J.W. van der Voort, voorzitter, J. Swinkels en M.J.W.M. Ellis, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 25 oktober 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.