Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8643

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
R200600337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling salaris bewindvoerder Boek I

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 447
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rekestnummer R06/337

BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 6 juni 2006,

gegeven in de zaak van:

mr. [X.],

advocaat en procureur,

wonende te [woonplaats], kantoorhoudende te [kantoorplaats],

ten deze handelende in zijn hoedanigheid van bewind-voerder over de goederen toebehorende aan

[Y.],

daartoe benoemd bij beschikking van de kantonrechter Maastricht op 14 mei 1998 (repnummer 393/98, zaaknummer 39456),

appellant bij verzoekschrift dat bij het hof is inge-komen op 28 maart 2006 (het stempel vermeldt abusieve-lijk 28 maart 2005),

verder te noemen: de bewindvoerder,

procureur: mr. L.G.R.M. Spronken,

op het hoger beroep van de onder repnummer 468/2006, zaak-nummer 218847 en BMnummer 30958 door de recht-bank Maas-tricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen gegeven be-schikking van 24 maart 2006 op het verzoek van de bewind-voerder van 10 januari 2006 strekkende tot vaststelling van de beloning op de voet van artikel 1:447 lid 1 BW over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg ver-wijst het hof naar de beschikking waarvan beroep.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. In het beroepschrift heeft de bewindvoerder zijn be-zwaren tegen de hoogte van de salarisvaststelling uiteen-gezet.

2.2. De bewindvoerder heeft afgezien van een mondelinge behandeling. Beschikking is bepaald op heden.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar het appelschrift.

4. De beoordeling

4.1. De beschikking waarvan beroep wordt door het hof aan-gemerkt als een administratieve beslissing. Het hof heeft afgezien van het oproepen en doen horen van de onderbewind gestelde (vgl. HR 19 januari 1990, NJ 1991/213).

4.2. Ingevolge artikel 332 lid 1 Rv staat – kort gezegd - tegen een in eerste aanleg (in een dagvaardingsprocedure) gewezen vonnis hoger beroep open tenzij de vordering waar-over de rechter had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. Een overeenkomstige beperking van de appellabi-liteit wordt niet gemaakt ten aanzien van beschikking op een verzoekschrift. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.3. Het gaat in dit hoger beroep om de salarisvaststel-ling van de bewindvoerder.

4.3.1. De bewindvoerder – die geen lid is van de Branche-vereniging Professionele Bewindvoerders, hierna: de Branchevereniging – vraagt om toekenning van beloning van € 832,50 exclusief BTW, conform de tarieven die gelden voor bewindvoerders die wel aangesloten zijn bij de Bran-chevereniging.

4.3.2. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen en toegekend € 656,- exclusief BTW conform het tarief voor de professionele, niet bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerders. Blijkens een daartoe strekkende overweging heeft de kantonrechter zich geconformeerd aan de door het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK) landelijk vastgestelde aanbevelingen meerderjarigenbewind. Deze aan-bevelingen (die zijn goedgekeurd op 26 april 2004) zijn te vinden op www.rechtspraak.nl. In deze aanbevelingen wordt, met name onder C. aanbevelingen inzake de beloning van de bewindvoerder, onderscheid gemaakt naar (a) de niet be-roepsmatige bewindvoerder, (b) de professionele, niet bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerder en (c) de professionele en bij de Branchevereniging aangesloten bewindvoerder. Over het onderscheid tussen de categorieën b. en c. wordt slechts opgemerkt dat professionele bewindvoerders die deelnemen aan de Branchevereniging ‘daarmee extra waarborgen bieden’.

4.3.3. In het inleidend verzoekschrift heeft de bewind-voerder de volgende 6 argumenten aangevoerd om voor het hogere tarief in aanmerking te komen:

1. een advocaat is professioneel bezig; als advocaat ben ik onderworpen aan allerlei regels en voor-schriften zoals het hebben van een beroepsaansprake-lijkheidsverzekering, tuchtrecht, het ondergaan van een audit enz.

2. het bewindsbureau maakt een niet op de wet gebaseerd onderscheid;

3. een branchevereniging is “maar” een gewone vereni-ging en niet een bij de wet geregelde instelling als het notariaat en de advocatuur.

4. notarissen en advocaten, die tot bewindvoerder be-noemd worden, voelen zich door dit onderscheid gede-gradeerd.

5. de vereniging BPI [hof: bedoeld zal zijn PBI, Pro-fessionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders] is geen door de Orde van Advocaten erkende specialisa-tievereniging.

6. bij faillissementen maakt de rechtbank wat betreft honorering ook geen onderscheid tussen curatoren die al of niet aangesloten zijn bij de specialistenvere-niging Insolad.

4.3.4. De kantonrechter overwoog:

Het toekennen van de hogere vergoeding is gekoppeld aan het lidmaatschap van de branchevereniging. Hieraan voldoet verzoeker niet. Verder is het niet aan de kan-tonrechter om bij iedere individuele professionele be-windvoerder te gaan toetsen of hij eveneens aan de criteria voldoet, die vereist zijn om lid te worden van de branchevereniging. Dat de Orde van Advocaten deze branchevereniging niet heeft erkend doet daar niets aan af. Het is bovendien de kantonrechter (niet het bewindsbureau) die de beloning, in afwijking van de 5%-regeling, vaststelt. Tenslotte zijn de werkzaam-heden van de beschermingsbewindvoerder in het geheel niet te vergelijken met die van de faillissementscura-tor.

4.3.5. In het appelschrift herhaalt de bewindvoerder zijn argumenten en voorziet deze van een kort nader commentaar.

4.3.6. Het hof heeft gebruik gemaakt van de informatie die te vinden is op de webside van de Branchevereniging, www.bpbi.nl. Daaruit blijkt dat er aanzienlijke kosten verbonden zijn aan het lidmaatschap van de Branchevereni-ging. Verder blijkt onder meer van een aanbod voor diverse opleidingen, toegespitst op het beschermingsbewind, een toelatings- en vervolgaudit alsmede van een klachtprocedure.

4.4. Het hof overweegt als volgt.

4.4.1. Naar het oordeel van het hof kan het onderscheid in honorering tussen de bewindvoerder die bij Branchevereni-ging is aangesloten en de bewindvoerder die dat niet is, zoals gemaakt in de LOK-Aanbevelingen en in casu door de kantonrechter gevolgd, redelijkerwijs worden aangelegd en vindt zij voldoende rechtvaardiging in de verschillen die het al dan niet lid zijn van de Branchevereniging met zich meebrengt.

4.4.2. Gelet op de hoogte van de – hiervoor vermelde – vergoedingen voor bewindvoerders in relatie tot de kosten verbonden aan het lidmaatschap van de Branchevereniging (zoals deze blijkt uit de webside: een eenmalig inschrijf-geld vanaf € 2.250,- en een jaarlijkse contributie van mi-nimaal € 3.375,-, bestaande uit een naar aantallen bewin-den gestaffelde bijdrage plus een bijdrage per bewind) is het alleszins gerechtvaardigd om de aangesloten bewind-voerders een hogere vergoeding toe te kennen.

4.4.3. De omstandigheid dat advocaten ook (tuchtrechte-lijk) toezicht ondervinden van de Nederlandse Orde van Ad-vocaten en onderworpen zijn aan tal van regelingen, waar-onder audits, en dat zij door de Orde gehouden worden op-leidingen te volgen, neemt deze extra kosten voor de aan-gesloten bewindvoerder niet weg en rechtvaardigt dan niet de gelijke beloning tussen advocaten en leden van de Bran-chevereniging.

4.4.4. Het is daarom van oordeel dat de kantonrechters in alle redelijkheid professionele bewindvoerders die zich – tegen aanzienlijke kosten - onderwerpen aan specifiek toe-gesneden toezicht, audits en opleidingen daarvoor extra kunnen honoreren.

4.4.5. Het hof wijst er bovendien op dat het lidmaatschap van de Branchevereniging en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de aangesloten bewindvoerders ook andere voordelen biedt die de goede uitvoering van de regeling bevorderen, waaraan de lidmaatschapskosten bijdragen. Te denken valt aan een laagdrempelig aanspreekpunt voor on-derbewindgestelden en derden die informatie wensen, conti-nuïteit in de kennis en bevordering van de eenvormigheid inzake de praktijkvoering, informatievoorziening aan de bewindvoerders en overlegorgaan voor bewindvoerders onder-ling. De klacht als zou de Branchevereniging als voornaam-ste doel hebben het behartigen van belangen van leden noopt niet tot een ander oordeel, reeds omdat die belangen mede strekken tot een goede uitvoering van de onderbewind-stellingen en niet daaraan in de weg behoeven te staan.

4.4.6. Ook het beroep op de professionaliteit van een ad-vocaat faalt. De omstandigheid dat advocaten (en notaris-sen) op juridisch terrein als professioneel aangemerkt kunnen worden, neemt niet weg dat zij, als zij tot bewind-voerder worden benoemd, hun juridische professionaliteit ten aanzien van bewindvoering kunnen vergroten en dat zij zich – met name via de Branchevereniging - zullen bekwamen in de niet-juridische aspecten van de bewindvoering. Het lidmaatschap kan dan ook niet worden aangemerkt als een degradatie, maar geldt veeleer als een specialisatie.

4.4.7. Voor het maken van onderscheid tussen leden en niet-leden is een wettelijke regeling geen vereiste. Het-zelfde geldt voor het al dan niet erkennen van de Branche-vereniging door de Orde. Toereikend kan worden geacht dat het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters vertrouwen stelt in de Branchevereniging.

4.4.8. Dat in faillissementszaken geen onderscheid wordt gemaakt naar leden en niet-leden van de Vereniging van In-solventie Advocaten (wat daar ook de reden voor is) is eveneens ontoereikend voor gelijkschakeling van honorering voor advocaten (en andere professionals) met leden van de Branchevereniging.

4.5. De conclusie is dan dat de klachten falen en de be-schikking van de kantonrechter bekrachtigd dient te worden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Grapperhaus en Goyaerts en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van 6 juni 2006.