Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8635

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
R200600577
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een voorlopig getuigenverhoor dient er niet toe om de ongeloofwaardigheid van eerder gehoorde getuigen vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 154

Uitspraak

MV

2 oktober 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600577

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoeker,

hierna: [X.],

procureur mr. M.A.M. Bannenberg,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna: [Y.],

procureur mr. J.E. Benner.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 24 mei 2006, heeft [X.] verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten met bepaling van het tijdstip waarop dit voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden.

1.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 juni 2006, heeft [Y.] verzocht het verzoek af te wijzen met veroordeling van [X.] in de kosten van deze procedure.

1.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief van de advocaat van [X.] d.d. 31 mei 2006;

- een viertal geluidsfragmenten, ter griffie ingekomen op 10 augustus 2006;

- de transcripten van de bandopnames ter griffie ingekomen op 14 september 2006;

- de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen van mr. de Bont.

1.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de heer [Z.], hierna: [Z.], namens [X.], bijgestaan door mr. M.O. de Bont;

- [Y.], bijgestaan door mr. J.P.M. van Zijl.

2. De beoordeling

2.1. [X.] en [Y.] hebben een geschil over de vraag of [X.] in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende verplichtingen uit goed werkgeverschap. [Y.] heeft in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [X.] een onrechtmatige daad jegens [Y.] heeft begaan en dientengevolge verplicht is aan [Y.] de schade te vergoeden die zij als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden, en dat [X.] wordt veroordeeld om aan [Y.] een schadevergoeding te betalen.

2.2. De rechtbank heeft in het vonnis van 5 januari 2006 als volgt overwogen.

In voldoende mate is vast komen te staan dat [Z.] [Y.] in 1999 veelvuldig ongewenst heeft benaderd om andere dan zakelijke redenen en dat [Y.] dat als een probleem heeft ondervonden. De zijdens [X.] aangevoerde feiten en omstandigheden zijn, ook indien deze, waar zij betwist zijn, komen vast te staan, ontoereikend om dat bewijs te ontkrachten.

Tevens staat vast dat [Z.]s, als directeur van [X.] op 18 en 19 april 2000 enkele telefoongesprekken van [Y.] met derden heeft opgenomen. Voorts staat, gelijk overwogen, vast dat [X.] [Y.] bij brief van 8 mei 2000 op staande voet heeft ontslagen, omdat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan laster, achterklap en roddel jegens [Z.]s BV, en dat in een loonvorderings- procedure is geoordeeld dat het ontslag nietig is en de loonvordering van [Y.] is toegewezen.

Op grond van het vorenoverwogene is de kantonrechter van oordeel geweest dat [X.] heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen als goed werkgever door de vermelde handelingen van [Z.] toe te staan, althans geen maatregelen te nemen om [Y.] in bescherming te nemen tegen die handelingen van [Z.] en door [Y.] op onterechte gronden op staande voet te ontslaan.

2.3. [X.] kan zich met deze beslissing van de rechtbank niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 5 januari 2006.

2.4. [X.] heeft in haar verzoekschrift aangevoerd dat zij in het kader van de aanhangige appèlprocedure de hierna te noemen personen als getuigen wenst te horen:

1. mevrouw [A.], wonende te [woonplaats] (de zus van de voormalige echtgenoot van [Y.]);

2. de heer [B.], wonende te [woonplaats];

3. de heren [C.] en [D.], beiden wonende te [woonplaats], directeuren van B.V. Handelsonderneming Homat;

4. de heer [E.], wonende te [woonplaats], directeur van [F.] te [vestigingsplaats], voormalig werkgeefster van [Y.];

5. de heer [G.], wonende te [woonplaats], directeur [H.];

6. de heer [I.], wonende te [woonplaats], België;

7. de heer [J.], wonende te [woonplaats];

8. de heer [K.] en mevrouw [L.], beiden wonende te [woonplaats];

9. de heer [M.], mevrouw [N.] en mevrouw [O.], allen wonende te [woonplaats];

10. de heer [P.], wonende te [woonplaats];

11. mevrouw [Y.].

2.5. [X.] heeft in het verzoekschrift onder meer aangevoerd dat het verzochte getuigenverhoor van groot belang is voor de onderbouwing van de nog te formuleren grieven tegen het vonnis van 5 januari 2006. [X.] stelt dat zij van mening is, dat zij slachtoffer is geworden van een door [Y.] in scène gezet spel. [Y.] heeft vergelijkbare situaties gecreëerd bij eerdere en latere werkgevers en heeft een voormalig echtgenoot op vergelijkbare wijze onder druk gezet. Daarnaast heeft, en ook dat heeft zich bij andere werkgevers voorgedaan, [Y.] collegae benaderd met het doel hen op te zetten tegen [X.], waarbij zij zich bedient van achterklap, aldus [X.]. Voorts is [X.] van mening dat door [Y.] in de gevoerde bodemprocedure valse verklaringen in het geding zijn gebracht. [X.] wenst ter betwisting van de vordering in de bodemprocedure en tot bewijs van voornoemde feiten de onder 2.4. genoemde getuigen te horen.

2.6. [Y.] heeft in haar verweerschrift onder meer aangevoerd dat het belang van [X.] bij toewijzing van haar verzoek is vervallen, nu het gerechtshof het verzoek om de behandeling van het hoger beroep aan te houden in afwachting van het voorlopig getuigenverhoor, althans in afwachting van de beschikking van het gerechtshof op het verzoek tot het doen houden van het voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen en [X.] op de rolzitting van het gerechtshof van 20 juni 2006 van grieven heeft gediend. Voor zover [X.] enig te respecteren belang heeft bij het doen horen van getuigen, zal dat belang verband houden met de verdere behandeling van haar hoger beroep en kan dat horen van de getuigen plaatsvinden in het kader van dat hoger beroep, voor zover een getuigenbewijs althans terzake dienend is. Het thans doen houden van een voorlopig getuigen- verhoor is daarom in strijd met de goede procesorde, aldus [Y.].

Voorts voert [Y.] aan dat het verzoek dient te worden afgewezen wegens onevenredigheid van belangen en misbruik van bevoegdheid. Enerzijds is het horen als getuigen van personen waarmee [Y.] haar relatie heeft verbroken voor [Y.] belastend, anderzijds heeft hetgeen de getuigen volgens opgave van [X.] kunnen verklaren geen belang voor hetgeen in hoger beroep aan het gerechtshof voorligt. [Y.] stelt dat het immers niet gaat om de vraag hoe [Y.] zich in relatie tot voorgaande werkgevers en een voormalig echtgenoot en voormalig partner heeft gedragen, maar om de vraag hoe [X.] zich jegens [Y.] heeft gedragen.

2.7. Ter terechtzitting heeft de advocaat van [X.] voorgaande herhaald en met name de relevantie van de getuige [I.] benadrukt. [X.] beschikt over een bandopname van een telefoongesprek met de heer [I.], die aantoont dat de inhoud van dit gesprek niet overeenkomt met hetgeen hij daarover in eerste aanleg heeft verklaard. Het gesprek ging over het arbeidsconflict tussen [X.] en [Y.], níet over ongewenste toenaderingspogingen van [Z.]. De verklaring van de heer [I.] en daarmee het deels daarop gebaseerde vonnis is onjuist. Daarnaast voert [X.] aan dat ook andere getuigen in strijd met de waarheid hebben verklaard en dat daardoor de omstandigheden die door de kantonrechter zijn gewogen onjuist zijn.

2.8. [Y.] heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de bandopnamen van de door haar gevoerde telefoongesprekken gedeeltelijk onverstaanbaar zijn en een raar verloop hebben. Zij kan zich evenmin precies herinneren wat zes jaar geleden is gezegd. [Y.] betwijfelt of hetgeen de getuigen zullen verklaren kan bijdragen aan het bewijs in hoger beroep. Naar de mening van [Y.] heeft [Z.] geen belang bij het horen van getuigen, en is nu niet duidelijk welk belang thans is gediend met het horen van getuigen in de procedure.

2.9. Het hof oordeelt als volgt.

2.9.1. [X.] en [Y.] zijn in de bodemprocedure in geschil over de vraag of [X.] heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen als goed werkgever door de onder 2.2. vermelde handelingen van [Z.] toe te staan, althans geen maatregelen te nemen om [Y.] in bescherming te nemen tegen die handelingen van [Z.] en door [Y.] op onterechte gronden op staande voet te ontslaan.

2.9.2. Een voorlopig getuigenverhoor kan dienen ter voorbereiding van een procedure en in het bijzonder om te kunnen beoordelen of het zinvol is de procedure aan te gaan, dan wel of een reeds aanhangige procedure moet worden doorgezet. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toewijsbaar, tenzij het niet voldoet aan voormelde eisen voor toewijzing, het verzoek in strijd is met een goede procesorde, er sprake is van een onevenredigheid van belangen die meebrengt dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verlangen of als het verzoek op een nader zwaarwegend geoordeeld bezwaar afstuit. Voor afwijzing bestaat eveneens grond indien een redelijk belang van de verzoeker ontbreekt (HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442).

2.9.3. Eerst overweegt het hof dat de bewijslast ten deze niet rust op [X.], maar op [Y.]. Hetgeen door [Y.] in eerste aanleg is aangevoerd, zal door de rechter in hoger beroep gewogen moeten worden. De gelegenheid voor [X.] om tegenbewijs te leveren doet zich eerst voor als het door [Y.] aangebrachte bewijs toereikend geacht wordt om haar vordering te dragen. Het hof kan in dit stadium niet met voldoende zekerheid vaststellen dat [Y.] in de op haar rustende bewijslast zal slagen. Niet valt uit te sluiten dat haar vordering aanstonds zal worden afgewezen. Evenmin kan worden vastgesteld, zo al aan toewijzing van enig deel gedacht moet worden, welke aspecten van haar vordering door het hof bewezen zullen worden geacht, in welk geval [Z.] B.V. toegelaten moet worden tot tegenbewijs, en in welk geval eerst nog nader bewijs van [Y.] (met recht op tegenbewijs door [X.]) zal worden verlangd. Daarbij komt dat de bodemrechter, in het geval een bewijsfase wordt ingelast, een op de relevante vragen toegespitst probandum kan formuleren.

[X.] is mitsdien op dit moment in de bodemprocedure te vroeg met haar verzoek tot het horen van getuigen. Het feit dat de rechter in eerste aanleg het bewijs dat destijds voorhanden was toereikend achtte, brengt niet met zich mee dat de rechter in hoger beroep dezelfde mening zal zijn toegedaan.

2.9.4. Het is het hof gebleken dat [X.] door middel van het horen van de onder 2.4 genoemde getuigen wenst aan te tonen dat er sprake is van een door [Y.] in scène gezet spel. [X.] wil dit aantonen door te ‘bewijzen’ dat [Y.] zich vaker schuldig maakt aan het in scène zetten van situaties. Wat daar ook van zij, de omstandigheid dat [Y.] bij andere gelegenheden zich niet heeft gedragen zoals verwacht mag worden, is ontoereikend om het in deze zaak bijgebrachte bewijs te ontzenuwen. Ontoereikend is dan ook om de ongeloofwaardigheid van de getuigen in andere situaties aan te tonen. Daarmee is immers de ongeloofwaardigheid ten aanzien van de feiten en omstandigheden die in casu relevant zijn niet gegeven.

2.9.5. Voorts wenst [X.] aan te tonen dat enkele getuigen die gehoord zijn in het voorlopig getuigenverhoor voorafgaande aan de behandeling in eerste aanleg ongeloofwaardig zijn, nu hetgeen zij in eerste aanleg hebben verklaard niet in overeenstemming zou zijn met de werkelijkheid en [X.] deze stelling deels zou kunnen onderbouwen met de opgenomen telefoongesprekken.

Ook in zoverre is het verzoek prematuur. Thans valt nog niet te beoordelen of en in hoeverre de bodemrechter acht zal slaan op deze verklaringen. Bovendien is de geloofwaardigheid van een getuige niet een te bewijzen feit of omstandigheid. Het is aan [Z.] B.V. om te stellen dat (een deel van) de getuigenverklaring niet op waarheid berust, in welk geval – zo relevant geacht – zij tot het bewijs van die stelling kan worden toegelaten. Het hof ziet geen aanleiding om op de beoordeling van de geloofwaardigheid vooruit te lopen.

2.9.6. Samenvattend is het hof van oordeel dat het verzoek prematuur is en dat er zwaarwegende bezwaren zijn om reeds thans, vooruitlopend op de beoordeling door de bodemrechter, getuigen te doen horen. Het hof zal het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor mitsdien afwijzen. [X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure.

3. De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van [X.] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor af;

veroordeelt [X.] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [Y.] begroot op € 296,-- voor vast recht en op € 1264,-- voor salaris procureur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Gründemann en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.