Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ7144

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
20-000589-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

TBS: In afwijking van datgene dat door het openbaar ministerie is gevorderd, te weten dat het hof de verdachte de ISD-maatregel zal opleggen, en zonder dat deskundigen zich hier specifiek over hebben uitgelaten, gelast het hof dat verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000589-06

Uitspraak : 5 december 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 januari 2006 in de strafzaak met parketnummer 01-825346-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Haaglanden, PCS Unit 4 (BIBA en BGG) te 's-Gravenhage.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij de op 2 juni 2006 ter terechtzitting van het hof overgelegde vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 augustus 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een bijl, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het uit zijn, verdachtes, jas en/of tas pakken van die/een bijl en/of (vervolgens) die bijl aan die [slachtoffer 2] tonen en/of voorhouden en/of (vervolgens) (van korte afstand) met die bijl boven zijn verdachtes hoofd maken van zwaaiende bewegingen naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 2] roepen van de woorden "ga terug of ik sla je ermee", althans woorden van dergelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 22 juni 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen twee dekbedovertrekken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 juni 2005 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, twee dekbedovertrekken heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die dekbedovertrekken wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een paar babyschoentjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 augustus 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bijl toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld bestond uit het uit zijn, verdachtes, tas pakken van die bijl en vervolgens van korte afstand met die bijl boven zijn verdachtes hoofd maken van zwaaiende bewegingen naar en in de richting van die [slachtoffer 2] en daarbij tegen die [slachtoffer 2] roepen van de woorden "ga terug of ik sla je ermee", althans woorden van dergelijke dreigende aard of strekking;

2 primair.

hij op 22 juni 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee dekbedovertrekken toebehorende aan [slachtoffer 3];

3.

hij op 28 juli 2005 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar schoentjes toebehorende aan [slachtoffer 4].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 310 van die wet.

Het onder 2 primair en onder 3 bewezen verklaarde is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Door K. Visser, psychiater, is op 7 december 2005 een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie ten aanzien van feit 1 luidt:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in diagnostische zin het beste te omschrijven als een borderline persoonlijkheidsstoornis, waarbij deze stoornis de belangrijkste factor is die zijn verslaving aan drugs in stand houdt, met als onderliggende aspecten de affectieve, educatieve en emotionele verwaarlozing.

Ten tijde van het ten laste gelegde, indien bewezen, waren deze verschijnselen aanwezig en was betrokkene vrijwel zeker onder invloed van cocaïne.

De eventuele ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens beïnvloedde betrokkenes gedragingen en gedragskeuze en wel zodanig dat het ten laste gelegde daaruit mede verklaard kan worden.

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid moet betrokkene hoogstens in lichte mate verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

Door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog, is op 23 december 2005 een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie ten aanzien van feit 1 luidt:

Er is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis en daarmee samenhangend van verslavingsproblematiek. Aldus kan gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van betrokkene’s geestvermogens.

Ten tijde van het ten laste gelegde waren deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis evenzo aanwezig.

Het ten laste gelegde, indien het bewezen wordt, kan verklaard worden vanuit deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis.

Vanuit zijn gebrekkige ontwikkeling neigt betrokkene ertoe om zich te poneren en te laten gelden. Dit werd ten tijde van het ten laste gelegde waarschijnlijk versterkt door de invloed van cocaïne.

Gelet op de verwevenheid tussen betrokkene’s persoonlijkheidsstoornis en zijn verslaving kan de invloed van cocaïne, naar mening van ondergetekende, enigszins worden meegewogen in de advisering omtrent de toerekening.

Indien het ten laste gelegde wordt bewezen, adviseert ondergetekende om dit in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.

Door A.T. Spangenberg, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, R.J.P. Rijnders, psychiater, en R.K.J. Ronhaar, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, is een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek is door hen een rapport, gedateerd 16 november 2006, uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie ten aanzien van feit 1 luidt:

Betrokkene is een inmiddels 39-jarige, ongehuwde man van Nederlandse afkomst met een benedengemiddelde intelligentie. Er is sprake van een afhankelijkheid van cocaïne. Betrokkene voldoet aan de criteria van de recpectievelijk antisociale, boderline en vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Omwille van classificatieredenen worden deze afzonderlijke persoonlijkheidsstoornissen samengevoegd onder de noemer persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven.

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten (indien bewezen) was bij betrokkene eveneens sprake van de bovengenoemde persoonlijkheidsstoornis, alsmede de cocaïneafhankelijkheid. Betrokkene pleegde de drie ten laste gelegde feiten onder invloed van cocaïne. Uit het dossier wordt duidelijk dat in het sub 2 en sub 3 ten laste gelegde vooral de antisociale persoonlijkheidsaspecten van betrokkene op de voorgrond stonden (namelijk verwervingscriminaliteit). De borderline en ontwijkende persoonlijkheidskenmerken lijken ten tijde van het sub 2 en sub 3 ten laste gelegde geen prominente rol te hebben gespeeld.

Betrokkene’s gestoorde woede- en agressieregulatie hebben een adequaat handelen ten tijde van het sub 1 ten laste gelegde in lichte mate verstoord, waardoor dit deel van het ten laste gelegde (indien bewezen) betrokkene enigszins verminderd kan worden aangerekend.

De ondergetekenden concluderen dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem sub 1 ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, met deze in de rapporten gegeven conclusies en maakt die tot de zijne in dier voege dat feit 1 verdachte tenminste enigszins verminderd kan worden toegerekend.

Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, bij welk vonnis verdachte veroordeeld werd tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren, integraal zal bevestigen.

Het hof komt op grond van na te melden overwegingen tot een oplegging van een straf en maatregel welke afwijken van datgene dat door het openbaar ministerie gevorderd is en welke tevens afwijken van datgene dat namens verdachte ter verdediging is bepleit.

Het hof zal verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 18 juli 2006 reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

- de omstandigheid dat de verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de strafbare feiten, ad informandum vermeld op de inleidende dagvaarding, voor welk feiten de verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd;

- het gewelddadige karakter van het onder 1 bewezen verklaarde;

- de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte ter zake van feit 1 zoals hiervoor onder het kopje “strafbaarheid van de verdachte” is overwogen.

Het hof beschouwt als hier herhaald en ingelast hetgeen hiervoor onder het kopje “strafbaarheid van de verdachte” is overwogen.

In genoemde rapportages is omtrent de kans op herhaling het volgende geconcludeerd:

K. Visser:

De pathologie van het gebeurde ligt in betrokkenes handelen, waarbij de persoonlijkheidsstoornis de belangrijkste factor is die zijn verslaving in stand houdt. Er is hier in feite sprake van een draaideurproblematiek. Wil men hier iets aan doen dan moet er ingegrepen worden, anders is zeker continuering van het recidief gedrag te verwachten.

Drs. A.F.J.M. Zwegers:

Gezien het hoogfrequente delictsgedrag in het verleden staat het zo ongeveer vast dat betrokkene vanuit zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis tot recidive zal komen.

In het verleden werd uitputtend gepoogd om betrokkene tot gedragsverandering te bewegen. Betrokkene kreeg zeer vaak detentiestraf, werd door de reclassering begeleid en nam zelfs deel aan het SOV-project. Gebleken is dat geen enkele interventie effectief was ten aanzien van delictpreventie.

A.T. Spangenberg, R.J.P. Rijnders, en R.K.J. Ronhaar:

Betrokkene’s levensloop en zijn problematiek in overweging nemende valt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te verwachten dat betrokkene na de huidige detentie zijn vroegere levensstijl zal hervatten.

Het hof verenigt zich ook met deze conclusies en de daarvoor gegeven gronden en maakt die tot de zijne.

Gelet op voormelde vrees voor herhaling alsmede gelet op:

- de aard en de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte,

- de veelvuldigheid van voorafgaande veroordelingen van verdachte ter zake geweldsdelicten,

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij van mening is dat hij steeds agressiever wordt,

is het hof van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de last tot terbeschikkingstelling vereist. Zulks is, nu het door verdachte begane onder 1 bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, ook toegelaten.

Het hof is voorts van oordeel dat op grond van vorenstaande een dusdanig gevaar voor herhaling bestaat, dat de algemene veiligheid van personen eist dat verdachte daarbij van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in 1996 reeds een ter beschikking stelling met voorwaarden is opgelegd, welke - ondanks het niet nakomen van de voorwaarden door verdachte - nimmer ten uitvoer is gelegd.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep meerdere malen aangegeven zeer gemotiveerd te zijn voor behandeling. Nu de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf reeds geheel door de verdachte is ondergaan, acht het hof het wenselijk dat ten spoedigste een aanvang zal worden genomen met de tenuitvoerlegging van de genoemde maatregel.

Beslag

Ten aanzien van de 2 inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven dekbedovertrekken zal het hof de teruggave aan de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a (oud), 37b, 57, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder

1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

2 primair en 3, telkens:

Diefstal.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter zake van feit 1 ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [slachtoffer 3] te Eindhoven, van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven,

te weten:

- 2 dekbedovertrekken.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, mr. A.J.M. Bark - Van Gink, voorzitter, en

mr. G.Th.C. van der Bilt,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 5 december 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. G.Th.C. van der Bilt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.