Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ7015

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
R200600190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man stelt dat er twee peildata hebben te gelden, één voor de omvang en de samenstelling van het te verrekenen vermogen, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift, in dit geval derhalve 13 juni 2003 en één die bepaalt tegen welke datum de waarde en de waardering van het op 13 juni 2003 vastgestelde te verrekenen vermogen dient te worden bepaald. Die laatste peildatum moet volgens de man zijn de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zouden zijn overeengekomen, hetgeen niet het geval is. Voor de inboedelgoederen heeft dan te gelden 14 april 2004 als datum van de feitelijke verdeling en voor het overige de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft deze opvatting van de man gemotiveerd bestreden.

Van toepassing is artikel 1:142 lid 1 sub b. BW. In dat artikel wordt bepaald dat in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald heeft te gelden het tijdstip van het verzoek tot echtscheiding. Vanaf dat tijdstip delen de echtgenoten niet meer in de waardeontwikkeling van de tot het te verrekenen vermogen behorende goederen. Die peildatum is op een vroeger moment bepaald dan het moment waarop volgens vaste jurisprudentie bij verdeling van een gemeenschap de omvang van het vermogen wordt bepaald, te weten het moment van de feitelijke verdeling. Het betreft hier echter niet de verdeling van een gemeenschap, maar een finaal verrekenbeding. Dat partijen (artikel 7 lid 1 van de akte huwelijksvoorwaarden) zijn overeengekomen, kort gezegd, dat zij zullen verrekenen alsof er tussen hen algehele gemeenschap van goederen zou hebben bestaan, brengt daarin geen verandering. Daardoor wordt immers het regime niet dat van een gemeenschap en kunnen de op een gemeenschap betrekking hebbende wettelijke bepalingen en jurisprudentie, anders dan de man kennelijk meent, niet van overeenkomstige toepassing worden geacht op het aan de orde zijnde finaal verrekenbeding.

Nu voorts niet is gebleken dat partijen in of buiten de huwelijksvoorwaarden anders schriftelijk zijn overeengekomen, is de rechtbank terecht van 13 juni 2003 als peildatum uitgegaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 142
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 41
JPF 2007/59 met annotatie van BER
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PJA

21 september 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R06/00190

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur mr. J.A.A. van de Westelaken,

t e g e n

[Y],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. J.J. Geuze.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 18 november 2005 door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 17 februari 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verrekening en verdeling vast te stellen zoals in het lichaam van het beroepschrift door hem voorgesteld, althans zoals het het hof in goede justitie voorkomt.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 maart 2006, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden, kosten rechtens.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006.

Bij die gelegenheid zijn partijen en hun procureurs gehoord. Van het verhandelde ter terechtzitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 november 2004;

- brieven met bijlagen van de procureur van de man van 22 februari 2006 en 4 juli 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de vrouw van 3 juli 2006;

- een brief van de procureur van de vrouw van 28 juli 2006;

- een brief met bijlage van de procureur van de vrouw van 11 augustus 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 31 januari 2001 met elkaar gehuwd.

De tussen hen op 4 februari 2005 door voormelde rechtbank gegeven echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 1 maart 2005.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verdeling en verrekening als bedoeld in artikel 7 lid 1 van de akte huwelijksvoorwaarden d.d. 30 januari 2001 vastgesteld.

Die akte bevat de volgende bepaling:

Artikel 7:

1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten bij onaantastbare beschikking scheiding van tafel en bed is uitgesproken, zal er een afrekening plaatsvinden. Deze afrekening zal plaatsvinden zodanig, dat ieder der deelgenoten is gerechtigd tot een waarde gelijk aan die, waartoe zij gerechtigd zouden zijn indien er algemene gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.

Buiten deze verrekening blijft:

- (…..)

- een bedrag in contanten groot driehonderdduizend gulden (fl. 300.000,00), uit te keren aan de comparant sub 1. Bovenbedoeld bedrag ad driehonderdduizend gulden (fl. 300.000,00) wordt jaarlijks aangepast als volgt: (..)

2. de waardering van de goederen zal door partijen in onderling overleg plaatsvinden of bij gebreke van overeenstemming door twee deskundigen te benoemen door de kantonrechter waarbinnen de laatste gezamenlijke woonplaats van partijen was gelegen. (…)

3. de verrekening moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk casu quo de datum waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed onaantastbaar is geworden.

4. ingeval van gewichtige reden zich tegen prompte voldoening verzetten, zullen partijen een redelijke betalingsregeling (…) treffen, waarbij de belangen van alle partijen in acht genomen worden.

5. De verrekening als bedoeld in lid 1 van dit artikel zal niet plaatsvinden:

a. (…)

b. (…)

c. voorzover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verdeling en verrekening vastgesteld, zoals in die beschikking is aangegeven in de punten 2 t/m 11.

De man heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met:

a. de door de rechtbank gehanteerde peildatum (grief 1);

b. de waarde van de voormalige echtelijke woning (grief 2);

c. de omvang van de op die woning rustende hypothecaire geldleningen (grief 3);

d. de aanname door de rechtbank dat de verdeling van de inboedelgoederen, welke zich bevonden en/of zich thans nog bevinden in of op de voormalige echtelijke woning, nog niet volledig zou zijn gerealiseerd (grief 4);

e. het saldo op de bankrekening bij de Nedbank te [vestigingsplaats], waarvan de rechtbank is uitgegaan (grief 5);

f. het oordeel van de rechtbank dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er op de peildatum een op naam van de vrouw staande spaarrekening in België bestond (grief 6).

4.4. De man heeft zijn vierde grief ingetrokken. Hij heeft verklaard dat partijen tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling alsnog overeenstemming hebben bereikt over een definitieve verdeling van de inboedelgoederen. De vrouw heeft dat erkend.

Een beslissing op deze grief blijft derhalve achterwege. De bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover deze een beslissing inhoudt met betrekking tot de inboedelgoederen.

4.5. Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt met betrekking tot de te verrekenen hypothecaire leningen. Er moet, welke peildatum ook zal hebben te gelden, in totaal (afgerond) € 215.546, -- worden verrekend, te weten:

hypotheek nr. 1547.903.465 € 192.856,59

hypotheek nr. 1547.928.867 € 11.345,--

hypotheek nr. 1547.928.999 € 11.345, --

€ 215.546,59

Het saldo van laatstvermelde hypotheek beloopt blijkens het zich bij de stukken bevindende jaaroverzicht 2005 van de Rabobank [vestigingsplaats] per 31 december 2005 € 27.000,--, maar daarvan komt slechts € 11.345. -- voor verrekening in aanmerking. De op dat overzicht vermelde hypotheek nr. 121753.255 (saldo per 31 december 2005 € 17.501,71) wordt niet verrekend.

Gelet hierop faalt de derde grief van de man. Het hof neemt voormeld saldo ad € 215.546,59 in aanmerking bij de verrekening.

4.6. In de toelichting op de eerste grief stelt de man dat er twee peildata hebben te gelden, één voor de omvang en de samenstelling van het te verrekenen vermogen, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift, in dit geval derhalve 13 juni 2003 en één die bepaalt tegen welke datum de waarde en de waardering van het op 13 juni 2003 vastgestelde te verrekenen vermogen dient te worden bepaald.

Die laatste peildatum moet volgens de man zijn de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zouden zijn overeengekomen, hetgeen niet het geval is. Voor de inboedelgoederen heeft dan te gelden 14 april 2004 als datum van de feitelijke verdeling en voor het overige de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw heeft deze opvatting van de man gemotiveerd bestreden.

4.7. Van toepassing is artikel 1:142 lid 1 sub b. BW. In dat artikel wordt bepaald dat in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald heeft te gelden het tijdstip van het verzoek tot echtscheiding. Vanaf dat tijdstip delen de echtgenoten niet meer in de waardeontwikkeling van de tot het te verrekenen vermogen behorende goederen. Die peildatum is op een vroeger moment bepaald dan het moment waarop volgens vaste jurisprudentie bij verdeling van een gemeenschap de omvang van het vermogen wordt bepaald, te weten het moment van de feitelijke verdeling. Het betreft hier echter niet de verdeling van een gemeenschap, maar een finaal verrekenbeding. Dat partijen (artikel 7 lid 1 van de akte huwelijksvoorwaarden) zijn overeengekomen, kort gezegd, dat zij zullen verrekenen alsof er tussen hen algehele gemeenschap van goederen zou hebben bestaan, brengt daarin geen verandering. Daardoor wordt immers het regime niet dat van een gemeenschap en kunnen de op een gemeenschap betrekking hebbende wettelijke bepalingen en jurisprudentie, anders dan de man kennelijk meent, niet van overeenkomstige toepassing worden geacht op het aan de orde zijnde finaal verrekenbeding.

Nu voorts niet is gebleken dat partijen in of buiten de huwelijksvoorwaarden anders schriftelijk zijn overeengekomen, is de rechtbank terecht van 13 juni 2003 als peildatum uitgegaan.

De eerste grief is derhalve ongegrond.

4.8. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat zij samen een makelaar zullen aanwijzen die de voormalige echtelijke woning aan de [adres] in [plaatsnaam] gaat taxeren en dat die taxatie bindend zal zijn.

Bij brief van 28 juli 2006 heeft de procureur van de vrouw laten weten dat partijen aan makelaar [C.] te [vestigingsplaats] een bindende taxatie hebben gevraagd.

Bij brief van 11 augustus 2006 heeft de procureur van de vrouw een door [C.] Makelaars opgemaakt rapport d.d. 4 augustus 2006 betreffende de taxatie van de woning in het geding gebracht. Daarin wordt onder meer vermeld dat de onderhandse verkoopwaarde van de woning, vrij van huur en gebruik, per 13 juni 2003 € 390.000, -- beliep. Op grond van het vorenstaande dient de woning tegen die waarde in de verrekening te worden betrokken.

In zoverre slaagt de tweede grief.

4.9. De vijfde en de zesde grief zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot saldi op rekeningen die de vrouw zou hebben bij banken in respectievelijk Zuid Afrika en België. Het hof kan zich geheel verenigen met de beslissing van de rechtbank hierover en de door haar daaraan ten grondslag gelegde redengeving. In hoger beroep heeft de man geen nadere feiten en/of omstandigheden gesteld, die als zodanig of gelezen in onderling verband en samenhang wat door hem in eerste aanleg is gesteld, tot een andere beslissing moeten leiden.

Beide grieven falen derhalve.

Proceskosten.

4.10. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de op 18 november 2005 door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking voor zover daarbij in het kader van de verdeling en verrekening werd beslist met betrekking tot de waarde van de voormalige echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldleningen, alsmede met betrekking tot de inboedelgoederen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de verrekening van de waarde van de voormalige echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldleningen vast zoals in het lichaam van deze beschikking is aangegeven, te weten € 390.000, -- respectievelijk € 215.546,49;

bekrachtigt voormelde beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Bijleveld-van der Slikke en Van Arkel-van Gasselt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 september 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.