Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ6983

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
R200500553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een voogd is gerechtigd ten behoeve van een onder zijn voogdij staande minderjarige een onderhoudsbijdrage van de niet met het gezag belaste ouder te vragen. Een dergelijk verzoek berust op een andere titel dan een verzoek van de ene ouder om ten laste van de andere ouder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind vast te stellen. In vergelijking tot het verzoek van de vrouw om ten laste van de man een bijdrage voor het kind vast te stellen, vormt het verzoek van de voogd, inhoudende de vaststelling van een bijdrage voor R ten laste van de man, een nieuw verzoek, waarin de voogd als een zelfstandige, nieuwe procespartij optreedt. Aangezien er geen sprake is van een situatie van prorogatie als bedoeld in art. 329 Rechtsvordering, is uitsluitend de rechtbank bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van het verzoek, zodat het hof zich ambtshalve onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van het verzoek en de zaak tussen de voogd en de man zal verwijzen naar de rechtbank ‘s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500553

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

MG, MSG en RJG,

allen wonende te [woonplaats],

in hun hoedanigheid van erfgenamen van

KS, overleden 26 augustus 2005, laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

en

MSG,

wonende te [woonplaats],

in haar hoedanigheid van voogd over de minderjarige RJG,

geboren op [geboortejaar], kind van:

KS, overleden 26 augustus 2005, laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

appellanten,

procureur mr. H.C. Egger-van Oppen,

t e g e n

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M.M.G. Senssen-Franssen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 februari 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 24 mei 2005, heeft KS, hierna: de vrouw, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man met ingang van 6 december 2001, danwel met ingang van een andere datum, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het hierna te noemen minderjarige kind aan de vrouw het overeengekomen bedrag vermeerderd met de wettelijke indexeringen dient te voldoen, dan wel een ander in goede justitie vast te stellen bedrag, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 juni 2005, heeft de man verzocht de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren en de voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Bij die gelegenheid is namens de man zijn advocaat gehoord. De man zelf is onder voorafgaand bericht van zijn afwezigheid niet ter zitting van het hof verschenen.

Voorts is als belanghebbende MSG, hierna: de voogd, bijgestaan door haar advocaat, gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 februari 2005;

de brief met bijlagen van de procureur van appellanten d.d. 30 maart 2006;

de brief met bijlage van de procureur van de man d.d. 10 mei 2006;

de brief met bijlagen van de procureur van appellanten d.d. 8 juni 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De vrouw en de man zijn op 24 november 1989 te X met elkaar getrouwd. De tussen hen op 23 november 2001 door de rechtbank 's-Hertogenbosch uitgesproken echtscheiding is op 6 december 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente X.

4.2. Uit het huwelijk van de man en de vrouw is geboren:

RJG, hierna te noemen: R, geboren te X op [geboortejaar].

Ten tijde van haar overlijden op 26 augustus 2005 oefende de vrouw het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over R en had R zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 15 oktober 2004 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van R aan de vrouw een bedrag van € 129,- per maand moet voldoen. De vrouw kon zich daar niet mee verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

4.4. Op 26 augustus 2005 is de vrouw te X overleden. Bij haar testament van 4 juni 2003 heeft de vrouw haar dochter uit een eerdere relatie, mevrouw MSG, benoemd tot voogd over R. Blijkens de akte van aanvaarding van voogdij van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie x van 17 februari 2006, heeft mevrouw MSG zich bereid verklaard de voogdij over R te aanvaarden.

Sinds het overlijden van de vrouw verblijft R in het gezin van de voogd.

Verzoek voor wat betreft de periode voorafgaand aan het overlijden van de vrouw

4.5.1. Eerst tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van het hof hebben partijen zich gerealiseerd dat, nu de vrouw tot aan haar overlijden gerechtigd was de bijdrage voor R te ontvangen, de procedure voor zover die ziet op een eventueel door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor R voor de periode tot aan het overlijden van de vrouw, uitsluitend kan worden voortgezet door alle erfgenamen van de vrouw tezamen, danwel door één van hen, na daartoe door de overigen gemachtigd te zijn. Het hof heeft de voogd, tevens één van de erfgenamen, vervolgens in de gelegenheid gesteld de procedure door middel van het overleggen van een machtiging van de overige erfgenamen alsnog voort te zetten, danwel een verklaring in het geding te brengen waaruit blijkt dat de erven afzien van de voortzetting van de verdere procedure in de plaats van de vrouw.

4.5.2. Bij brief van de procureur van 8 juni 2006, met als bijlage onder meer een door alle erfgenamen ondertekende verklaring “weigering overname procedure”, hebben de erfgenamen aan het hof medegedeeld af te zien van de mogelijkheid om de procedure in de plaats van de vrouw voort te zetten.

4.5.3. Nu de erfgenamen tezamen geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de procedure in de plaats van de vrouw voort te zetten, zal het hof de voogd, nu zij slechts één van de erfgenamen is, niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep tegen de bestreden beschikking voor wat betreft de periode voorafgaand aan het overlijden van de vrouw.

Verzoek voor wat betreft de bijdrage aan de voogd

4.6.1. Voorts heeft de voogd zich eerst ter zitting gerealiseerd dat, hoewel een voogd gerechtigd is ten behoeve van een onder zijn voogdij staande minderjarige een onderhoudsbijdrage van de niet met het gezag belaste ouder te vragen, een dergelijk verzoek op een andere titel berust dan een verzoek van de ene ouder om ten laste van de andere ouder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind vast te stellen. In vergelijking tot het verzoek van de vrouw om ten laste van de man een bijdrage voor R vast te stellen, vormt het verzoek van de voogd, inhoudende de vaststelling van een bijdrage voor R ten laste van de man een nieuw verzoek.

4.6.2. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

In vergelijking tot de onderhavige bij het hof aanhangige procedure tussen de vrouw en de man, vormt het verzoek van de voogd om ten behoeve van R en ten laste van de man een bijdrage vast te stellen een nieuw verzoek, waarin de voogd als een zelfstandige, nieuwe procespartij optreedt. Aangezien er geen sprake is van een situatie van prorogatie als bedoeld in art. 329 Rechtsvordering, is uitsluitend de rechtbank bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van het verzoek, zodat het hof zich ambtshalve onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van het verzoek en de zaak tussen de voogd en de man zal verwijzen naar de rechtbank ‘s-Hertogenbosch.

4.7. Gelet op voorgaande zal het hof beslissen als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de voogd niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2005, voor zover het hoger beroep ziet op de periode voorafgaand aan het overlijden van de vrouw op 26 augustus 2005,

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek van de voogd om ten laste van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van de man en de vrouw vast te stellen,

verwijst de zaak tussen de voogd en de man in de stand waarin deze zich thans bevindt naar de rechtbank ’s-Hertogenbosch en bepaalt dat de griffier van het hof daartoe een afschrift van deze beschikking aan genoemde rechtbank zal toezenden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kranenburg, Bijleveld-van der Slikke en Van Teeffelen uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.