Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ6967

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
R200600679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de omstandigheden (de man is 58 jaar, hij komt waarschijnlijk niet meer aan de slag en hij zal van zijn 61e tot zijn 65e geen ww-uitkering ontvangen) acht het hof de keus van de man om de ontbindingsvergoeding te besteden aan de aankoop van een stamrecht gerechtvaardigd.

De ontbindingsvergoeding wordt, teneinde de bedoelde periode van 4 jaar te overbruggen, aldus niet als suppletie op de ww-uitkering berekend bij de beoordeling van de draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RJH

20 december 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600679

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur mr. L.H.J.M. Cilissen,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. H.A.M.J. Loeffen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2006, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 juni 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog - met wijziging van de tussen partijen gegeven beschikking van 26 maart 2004 - de door hem voor de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 september 2005 te bepalen op nihil.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 juli 2006, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze zaak bij voornoemde rechtbank van 24 februari 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man van 12 oktober 2006.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

2.5. Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de brief van de procureur van de man van 8 november 2006, alsmede van de brief van de procureur van de vrouw van 8 november 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 18 juni 1971 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gegeven echtscheidingsbeschikking van 7 maart 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 16 juni 2003.

4.2. Bij de beschikking van 7 maart 2003 heeft de rechtbank bepaald dat de man als uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 800,-- per maand dient te bepalen.

4.3. Bij beschikking van 26 maart 2004 heeft de rechtbank de door de man voor de vrouw te betalen partneralimentatie nader vastgesteld op € 1.500,-- per maand met ingang van 13 november 2003.

4.3.1. Van die beschikking heeft de man bij zijn op 5 oktober 2005 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift wijziging verzocht en gevraagd om de onderhoudsbijdrage voor de vrouw met ingang van 1 september 2005 nader te bepalen op nihil, zulks op grond van het feit dat hij per die datum werkloos is geworden en zijn inkomen sedertdien substantieel is verminderd.

4.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voormeld verzoek van de man afgewezen.

Tegen die beschikking is de man opgekomen.

Behoefte

4.5. De behoefte van de vrouw aan de laatstelijk bij beschikking van de rechtbank van 26 maart 2004 vastgestelde bijdrage is in hoger beroep op zichzelf niet in geschil. De stelling van de man in zijn beroepschrift dat van de vrouw verlangd mag worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet dient volgens de man ter zitting niet te worden opgevat als grief.

Draagkracht

4.6. De man stelt dat zijn draagkracht met ingang van 1 september 2005 ontoereikend is geworden om de hem opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van thans € 1.554,41 per maand te betalen.

4.6.1. De man heeft in dit verband aangevoerd dat hij met ingang van 1 september 2005 werkloos is geworden en uit dien hoofde een uitkering ontvangt en dat het er niet naar uitziet dat hij hernieuwd kan deelnemen aan het arbeidsproces. Hij vindt het dan ook niet redelijk dat van hem wordt verwacht - zoals de rechtbank heeft geoordeeld - dat hij de aan hem toegekende ontslagvergoeding benut ter suppletie van zijn huidige ww-uitkering tot zijn oude salarisniveau teneinde op die wijze in staat te blijven de op hem rustende partneralimentatie te betalen, zulks terwijl hij na de periode van die suppletie (derhalve na ongeveer 3 jaar) van zijn ww-uitkering volledig zal terugvallen op uitsluitend de ww-uitkering gedurende een periode van ongeveer één jaar, waarna hij gedurende een periode van ongeveer vier jaar (dus van zijn 61-ste tot zijn 65-ste) niet meer in aanmerking zal komen voor enige andere (loongerelateerde) uitkering.

Een en ander dient te worden afgezet tegen de financiële positie van de vrouw, die thans beschikt over een aanzienlijk vermogen, waarop zij redelijkerwijs zou kunnen interen teneinde te kunnen voorzien in haar eigen levensonderhoud.

De inkomenspositie van de man

4.8. Uit de overgelegde belastingaangifte 2004 blijkt dat de man in dat jaar een fiscaal arbeidsinkomen heeft genoten van

€ 67.864,--.

4.9. Vaststaat dat bij beschikking van de rechtbank Roermond, sector kanton, van 26 juli 2005, de arbeidsovereenkomst tussen de man en zijn voormalige werkgever met ingang van 1 september 2005 is ontbonden en dat in dat kader aan de man een vergoeding is toegekend van € 103.894,56 bruto.

De rechtbank heeft in die beschikking onder meer overwogen dat de man op 1 oktober 1991 bij die werkgever in dienst is getreden en laatstelijk de functie van materiaal ontwikkelaar G3 heeft vervuld.

De werkgever is tengevolge van bedrijfseconomische omstandigheden tot een reorganisatie binnen het bedrijf moeten overgaan en de functie van de man is daarbij komen te vervallen, terwijl binnen de werkorganisatie geen andere passende functie voor de man voorhanden was. Ten tijde van die ontbinding was de man 56 jaar oud.

4.9.1. Gebleken is dat de man de aan hem toegekende vergoeding heeft aangewend voor de aankoop van een stamrecht (Rabo Flexplan). Dit stamrecht heeft – aldus de man – ten doel om de periode gelegen tussen het einde van zijn recht op een ww-uitkering en de aanvang van zijn aow-gerechtigde leeftijd, dus van bijna zijn 61-ste tot zijn 65-ste levensjaar, alsnog over inkomen te kunnen beschikken.

4.10. Aan de man is na die ontbinding een ww-uitkering toegekend, welke uitkering volgens de door de man in de rechtbankprocedure in het geding gebrachte becijfering zou neerkomen op € 2.355,- bruto per maand, of wel ongeveer

€ 28.260,-- bruto op jaarbasis.

4.10.1. Uit een zich bij de stukken bevindende ww-betaalspecificatie d.d. 6 januari 2006 betrekking hebbende op de periode 5 december 2005 tot en met 1 januari 2006 blijkt, dat het UWV op basis van de aan de man toegekende uitkering het fiscaal ww-jaarloon van de man heeft becijferd op € 31.794,--. Ook de overgelegde ww-betaalspecificatie van 15 september 2006, betreffende de periode van 14 augustus 2006 tot en met 10 september 2006 vermeldt hetzelfde zojuist vermelde fiscale jaarloon.

4.11. Voormelde gewijzigde financiële positie van de man is naar het oordeel van het hof een relevante wijziging van omstandigheden, zodat de draagkracht van de man met ingang van 1 september 2005 nader dient te worden onderzocht.

4.11.1. Voor de bepaling van de draagkracht van de man zal het hof in beginsel rekening houden met laatstgemeld fiscaal jaarloon.

4.11. Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting van het hof naar voren is gekomen, is het hof van oordeel, dat op de hierna te vermelden gronden de door de man gemaakte keuze om de aan hem toegekende ontbindingsvergoeding aan te wenden voor de aankoop van een stamrecht als redelijk moet worden aangemerkt.

In zaken betreffende alimentatieverplichtingen heeft een aan de alimentatieplichtige toegekende vergoeding in beginsel te dienen als suppletie van een na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de alimentatieplichtige verstrekte ww-uitkering, zodat op die wijze de draagkracht van de onderhoudsplichtige tot het betalen van de geldende alimentatie kan worden gehandhaafd.

Op basis van dat beginsel en op basis van de destijds bekende feiten en omstandigheden heeft de rechtbank op 24 maart 2006 de bestreden beschikking gegeven en overwogen dat de ww-uitkering met die vergoeding dient te worden aangevuld tot het oude salarisniveau tot aan het moment dat de man een nieuwe baan heeft gevonden. De rechtbank is er kort gezegd van uit gegaan dat de man binnen een niet nader genoemde periode een nieuwe baan zou krijgen.

In hoger beroep is gebleken, dat de man, die van oorsprong chemicus is, bij zijn laatste werkgever bijzonder specialistische werkzaamheden heeft verricht op het gebied van productontwikkeling en dat die voormalige werkgever om organisatorische en bedrijfseconomische redenen die werkzaamheden heeft verplaatst naar het land van haar hoofdvestiging, namelijk Taiwan. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de verplaatsing door zijn gewezen werkgever van die specialistische werkzaamheden naar Taiwan met zich heeft gebracht dat zodanige werkzaamheden niet meer in Nederland en evenmin elders in Europa worden verricht. Dat betekent dat de man geen werkzaamheden meer zal kunnen verrichten op zijn laatste werkterrein.

Verder staat vast dat de man, die thans 58 jaar is, na zijn ontslag tenminste 70 keer heeft gesolliciteerd op naar zijn mening voldoende passende functies en dat hij op alle sollicitaties uiteindelijk negatieve reacties heeft gekregen. De man heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat zijn kennis en ervaring als chemicus, gelet op de ontwikkelingen op dat terrein, gedateerd zijn en dat zijn kansen op de arbeidsmarkt op dat terrein, mede gezien zijn leeftijd, aanzienlijk zijn gereduceerd.

Voorts heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat de aan hem na zijn ontslag toegekende ww-uitkering wordt beëindigd als hij ongeveer 61 jaar is en dat hij gedurende de periode vanaf die beëindiging tot aan het moment dat hij een aow-uitkering zal ontvangen niet in aanmerking komt voor enige andere (loongerelateerde) uitkering. Om die reden heeft de man ervoor gekozen om de volledige aan hem na ontbinding verstrekte vergoeding te besteden aan de aankoop van een stamrecht, teneinde in de periode dat hij niet in aanmerking komt of kan komen voor enige andere (loongerelateerde) uitkering inkomen te hebben.

4.12. Het hof is op basis van voormelde feiten en omstandigheden van oordeel, dat de door de man gemaakte keuze om de aan hem toegekende vergoeding aan te wenden voor de aankoop van een stamrecht moet worden aangemerkt als een redelijke keus, mede gelet op het feit dat de vrouw over een niet onaanzienlijk eigen vermogen beschikt.

Op basis van de thans voorhanden gegevens is voldoende aannemelijk geworden dat de kansen van de man om hernieuwd aan het arbeidsproces deel te nemen zeer gering zijn, zodat de mogelijkheden van de man om binnen drie jaar (de tijd dat de ww-uitkering met de ontbindingsvergoeding gesuppleerd kan worden) de laatstelijk door hem genoten arbeidsinkomsten wederom te verdienen eveneens zeer gering zijn. Het hof merkt wellicht ten overvloede op dat van de man verwacht mag worden dat hij de vrouw onmiddellijk in kennis zal stellen van inkomsten uit arbeid die hij zich niettegenstaande hetgeen hierboven is overwogen zal weten te verwerven.

4.12.1. Dat betekent dat het hof geen rekening houdt met het suppleren van de thans aan de man verstrekte ww-uitkering, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en derhalve behoort te worden vernietigd.

4.13. Met betrekking tot de financiële situatie van de man met ingang van 1 september 2005 zal het hof uitgaan van de navolgende gegevens.

Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

1. € 31.794,-- aan fiscaal jaarloon in het kader van de ww;

2. € 4.000,-- aan geschat feitelijk rendement uit vermogen.

Het hof is hierbij uitgegaan van een gemiddeld rendement van ongeveer 4% over een geschat vermogen van ongeveer

€ 100.000,--. Daarbij is uitgegaan van de gegevens voorkomende op de bij brief van de procureur van de man van 12 oktober 2006 overgelegde pagina van de fiscale aangifte over 2005, waaruit kan worden afgeleid dat de waarde uit sparen

(€ 77.452,--) en beleggen (€ 23.259,--) op 31 december 2005 € 100.711,-- bedroeg.

In dit verband dient rekening te worden gehouden met de fiscale aspecten in box III betreffende het voordeel uit sparen en beleggen, waarbij dienovereenkomstig aansluiting dient te worden gezocht bij de gegevens voorkomende op de in eerste aanleg overgelegde aangifte 2004, waarbij overheveling heeft plaatsgevonden van het heffingsvrije vermogen van de partner, omdat die overheveling kennelijk een bestendig karakter heeft voor de invulling van de belastingaangifte door de man. Aldus resteert een te belasten forfaitair rendement van € 2.438,-- in 2005 en een te belasten forfaitair rendement van € 2.424,-- in 2006.

Dat de man over een hoger vermogen zou beschikken dan uit de door hem overgelegde belastingaangiften blijkt, is tegenover de betwisting door de man niet gebleken of door de vrouw aannemelijk gemaakt. Het hof ziet geen reden om te bepalen dat de man dient in te teren op zijn vermogen om aan zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen en zal dan ook zoals gebruikelijk rekening houden met een rendement van 4% in box III voor de bepaling van de draagkracht van de man.

B. Lasten van de man

1. wwb-norm voor een zelfstandig wonende alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud;

2. huurlasten:

a. ongeveer € 344,40 per maand als aandeel (50%) in de huur in de periode tot 1 juli 2006 en

b. circa € 355,-- per maand met ingang van 1 juli 2006.

Het hof is hierbij uitgegaan van de gegevens voorkomende op de “huurverhogingsbrief” van de Cordares Vastgoed BV d.d. 26 april 2006 en van het gegeven dat de man een zelfstandig verdienende partner heeft, die niet alleen in eigen levensonderhoud kan voorzien, maar tevens voor de helft kan bijdragen in de gemeenschappelijke woonlasten met de man;

3. premie ziektekostenverzekering:

a. € 150,-- per maand aan premie voor de man in de periode van 1 september 2005 tot 1 januari 2006.

Hierbij is uitgegaan van de persoonlijke premie van de man voorkomende op de opgaaf van IAK verzekeringen van 22 september 2005 betreffende de verschuldigde premie (€174,16), vermeerderd met het eigen risico van circa € 6,28 per maand, doch verminderd met de voor de man geldende gemiddelde nominale premie van ongeveer € 30,-- per maand, die uit voormeld normbedrag dient te worden bestreden;

b. € 221,20 per maand aan premie zvw voor de man per 1 januari 2006. Dit bedrag wordt gevormd door de inkomens- afhankelijke premie ad € 139,80 voorkomende op de ww-betaalspecificatie van 15 september 2006 en uit de desbetreffende de man betreffende opgaaf van Interpolis van 14 februari 2006 neerkomende op een premie van € 81,40 per maand;

c. met de voor de zoon betaalde premie zal niet afzonderlijk rekening worden gehouden, nu deze door het hof wordt beprepen in na te melden door de man aan de studerende zoon verstrekte bijdrage.

4. € 411,-- per maand aan ten hoogste in aanmerking te nemen bijdrage studie en levensonderhoud voor de meerderjarige zoon van partijen [A.] in de periode tot 1 september 2006, de datum waarop de studie is voltooid.

De man heeft op pagina 3 van zijn inleidend verzoek - kort gezegd – aangevoerd dat hij een totale bijdrage levert, inclusief ziektekosten, van circa € 822,-- per maand. In hoger beroep heeft hij deze stelling gehandhaafd.

Het hof is van oordeel dat hiermee in redelijkheid slechts voor de helft rekening dient te worden gehouden. Als volledig rekening zou worden gehouden met het door de man opgevoerde bedrag zou het er immers per saldo op neerkomen dat die bijdrage door de vrouw wordt gedragen. Het door de man gestelde meerdere dient de man, zijn wettelijke onderhoudsverplichting jegens de vrouw in aanmerking genomen, te bestrijden uit het aan hem te laten vrije deel van zijn draagkrachtruimte, dan wel uit het hem ter beschikking staande vermogen.

Wel is het hof van oordeel, dat voldoende is komen vast te staan dat deze bijdrage voor de studerende zoon, waarvan ook al sprake was in de tussen partijen gegeven beschikking van 26 maart 2003, moet worden aangemerkt als een door de ouders aan de zoon toegezegde onderhoudsverplichting, welke verplichting is aan te merken als het voltooien van de verzorging en opvoeding, waarvan studeren een onderdeel is. Aldus is redelijk te achten dat de man, aan deze toegezegde onderhoudsverplichting wordt gehouden, zij het dat het hiervoor in aanmerking genomen bedrag ad € 411,-- ten laste van de draagkracht kan worden gebracht.

C. Voor het overige is het hof niet gebleken van bijzonder in aanmerking te nemen lasten bij de bepaling van de draagkracht van de man.

Vaststelling van de alimentatie

4.11. Op basis van bovengenoemde financiële omstandigheden van de man, komt het hof, alle voor de man geldende fiscale aspecten in aanmerking nemende, zoals onder meer de algemene heffingskorting, fiscaal voordeel wegens betaling partneralimentatie, alsmede heffingsvrij vermogen van de man plus overheveling heffingsvrij vermogen partner, tot de slotsom dat de man als volgt kan bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw:

- € 525,-- per maand met ingang van 1 september 2005 tot 1 september 2006;

- € 890,-- per maand met ingang van 1 september 2006.

4.11.1. Dat betekent dat de bestreden in zoverre niet in stand kan blijven en dat op het hoger beroep van de man moet worden beslist op de hierna aangegeven wijze.

4.12. Nu vaststaat dat de man tot in ieder geval de datum van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft voldaan aan de bij beschikking van 26 maart 2004 aan hem opgelegde onderhoudsbijdrage voor de vrouw, heeft een en ander tot consequentie dat de man vanaf 1 september 2005 meer alimentatie voor de vrouw heeft betaald dan waartoe hij hierboven in staat wordt geacht.

Nu de man in deze procedure niet heeft verzocht om terugbetaling, gaat het hof er van uit dat partijen deze kwestie in onderling overleg zullen regelen door middel van bijvoorbeeld verrekening.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van der rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2006, behoudens de compensatie van proceskosten;

en opnieuw rechtdoende:

stelt – met wijziging van de tussen partijen gegeven beschikking van voornoemde rechtbank van 26 maart 2004 in zoverre – de door de man voor de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage als volgt nader vast:

- € 525,-- per maand met ingang van 1 september 2005 tot 1 september 2006;

- € 890,-- per maand met ingang van 1 september 2006, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Draijer-Udo en Philips, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 december 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.