Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ5904

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
R200501264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De onderhoudsverplichtingen van ouders en stiefouders jegens de kinderen zijn in beginsel van gelijke rang, zodat ieders onderhoudsverplichting dient te worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder hebben te gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind in het algemeen een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het kind, de draagkracht van de ouder(s) en stiefouder, alsmede de feitelijke verhouding van elk van de onderhoudsplichtigen tot het kind.

De onderhoudsplicht van de stiefouder neemt niet af naar mate de verstandhouding tussen de vader en de kinderen beter is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 49
JPF 2007/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RJH

8 juni 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200501264

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de vrouw,

procureur mr. C.E.M. Renckens,

t e g e n

[man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de man,

procureur mr. A.T.L. van Zandvoort.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Roermond van 7 september 2005, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 december 2005, heeft de vrouw het hof - kort gezegd - verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het inleidende wijzigingsverzoek van de man af te wijzen en de man te veroordelen om met ingang van 1 september 2002 een bedrag van € 590,-- per maand terzake van kinderalimentatie te betalen, dan wel met ingang van de datum van indiening van dit verzoek een zodanig bedrag aan de man op te leggen als het hof in goede justitie zal bepalen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 januari 2006, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

2.4.1. Het hof heeft geconstateerd dat de op [geboortejaar]geboren minderjarige, genaamd [A.], is uitgenodigd om zijn mening in deze zaak kenbaar te maken, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

Ter voormelde zitting heeft de vrouw de door haar opgeworpen grieven 1 én 5 ingetrokken.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 29 augustus 1986 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gegeven echt-scheidingsbeschikking is blijkens een zich bij de stukken bevindende mededeling van de ambtenaar van de burgerlijke stand van gemeente Venray, ingeschreven in de desbetreffende registers van die gemeente op 24 augustus 2000. Dat betekent dat de in de bestreden beschikking neergelegde vermelding dat de inschrijving heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2005, berust op een kennelijke verschrijving, welke verschrijving het hof als zojuist vermeld verbeterd zal lezen.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn te [geboorteplaats] vier kinderen geboren, namelijk:

- [A.] op [geboortejaar]

- [B.] op [geboortejaar]

- [C.] op [geboortejaar]

- [D.] op [geboortejaar],

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4.3. Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat partijen een onderlinge regeling hebben getroffen als opgenomen in het echtscheidingsconvenant d.d. 23 juni 2000, van welk convenant een door de griffier gewaarmerkt afschrift van vier bladzijden aan die beschikking is gehecht. In artikel 1.4. zijn partijen overeengekomen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van ƒ 900,-- (€ 408,40) per maand in totaal. Deze overeenkomst maakt deel uit van de beschikking.

Korte tijd daarna is – ter compensatie van ziektekosten – de door de man voor de kinderen van partijen te betalen onderhoudsbijdrage verhoogd.

Vast is komen te staan, dat partijen nadien in augustus 2002 in onderling overleg zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 2002 een onderhoudsbijdrage voor de kinderen zou voldoen van totaal € 590,-- per maand, welke bijdrage krachtens wettelijke indexeringen in 2005 € 635,25 bedroeg.

4.4. Bij op 24 februari 2005 ter griffie van voornoemde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de man wijziging gevraagd van de geldende op hem rustende alimentatieverplichting jegens de kinderen van partijen en verzocht die bijdrage – met wijziging van de echtscheidingsbeschikking in zoverre en de per 1 september 2002 tussen partijen bereikte overeen- stemming – met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift nader te betalen op € 240,-- per maand in totaal.

4.4.1. De rechtbank heeft bij beschikking waarvan beroep de door de man voor de kinderen van partijen te betalen onderhoudsbijdragen met ingang van 25 februari 2005 nader vastgesteld op € 57,50 per kind per maand.

Tegen die beslissing heeft de vrouw hoger beroep ingesteld.

Ingangsdatum wijziging

4.5. De vrouw heeft in haar zesde grief zich er over beklaagd dat de rechtbank de gewijzigde alimentatieverplichting van de man jegens de kinderen van partijen heeft laten ingaan op 25 februari 2005. Die wijziging met terugwerkende kracht

– aldus de vrouw ter zitting – zou het gevolg kunnen hebben dat zij de eventueel teveel door de man aan haar betaalde kinderalimentatie aan de man dient terug te betalen. Die situatie vindt de vrouw niet redelijk.

4.6. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank in haar laatste rechtsoverweging als ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie-verplichting van de man genomen 25 februari 2005, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift.

4.6.1. Het hof is van oordeel, dat de vrouw vanaf de datum van indiening van het wijzigingsverzoek van de man er mee rekening heeft kunnen houden dat de rechtbank het verzoek van de man geheel, dan wel gedeeltelijk zou kunnen honoreren.

Dat de vrouw desondanks kennelijk met die mogelijkheid geen rekening heeft gehouden levert geen omstandigheid op, op basis waarvan dient te worden gekozen voor een latere dan de door de rechtbank gekozen ingangsdatum. Bovendien heeft de vrouw ter onderbouwing van deze grief geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan een latere ingangsdatum dan 25 februari 2005 als redelijk moet worden aangemerkt.

Van belang is in dit verband dat de man desgevraagd ter zitting van het hof heeft medegedeeld, dat – indien en voor zover hij vanaf 25 februari 2005 teveel aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald dan waartoe hij op basis van de bestreden beschikking is verplicht – hij geen terugbetaling zal verlangen van de vrouw van hetgeen zij teveel heeft ontvangen.

Dat betekent dat geen verrekening zal hoeven plaats te vinden van hetgeen de vrouw ná 25 februari 2005 teveel aan alimentatie van de man heeft ontvangen.

Het hof is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat de door de rechtbank in het dictum van haar bestreden beschikking vermelde ingangsdatum van 25 februari 2005 dient te worden gehandhaafd, zodat de zesde grief faalt.

Behoefte

4.7. In haar derde grief heeft de vrouw de door de rechtbank gehanteerde becijfering van de behoefte van de kinderen van partijen, die door de rechtbank op basis van de tabel "eigen aandeel kosten van kinderen”, de leeftijden van de kinderen en het tijdens huwelijk genoten gezinsinkomen van ongeveer € 2.250,-- per maand netto is vastgesteld op € 690,-- per maand in totaal, zijnde € 230,-- per kind per maand, betwist.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar grief verwezen naar een door haar gemaakte opstelling van de door haar gemaakte kosten, die – kort gezegd – resulteert in een totaal bedrag van € 918,-- per maand.

4.8. Alvorens op de grief in te gaan merkt het hof op dat de hiervoor door de rechtbank gegeven conclusie dat de behoefte van elk van de kinderen van partijen zou neerkomen op € 230,-- per maand op een kennelijke rekenfout berust.

Het gaat in deze zaak om vier kinderen, zodat de totale behoefte van de kinderen, die door de rechtbank was vastgesteld op

€ 690,-- per maand, per saldo dient neer te komen op € 172,50 per kind per maand en dus niet op € 230,-- per kind per maand. In zoverre zal het hof die berekeningswijze (de rechtbank is kennelijk uitgegaan van drie kinderen) van de rechtbank verbeterd lezen.

4.9. Voor zover de vrouw - blijkens eerder genoemde opstelling - de totale behoefte van de vier kinderen van partijen stelt op € 918,-- per maand en derhalve neerkomende op € 229,50 per kind per maand, oordeelt het hof dat de vrouw in de door haar opgestelde becijfering heeft verzuimd te vermelden het bedrag waarop de vrouw aanspraak kan maken terzake van kinderbijslag, zodat de behoefte van die kinderen – na aftrek van de kinderbijslag – per saldo zal uitkomen op een lager bedrag.

Overigens heeft de vrouw de door haar berekende behoefte niet dan wel onvoldoende onderbouwd.

4.10. Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de - op basis van het Trema-rapport - door de rechtbank berekende behoefte van de kinderen juist is. De derde grief faalt derhalve.

Draagplicht

4.11. De grieven twee en vier hebben betrekking op de onderhoudsverplichting van de man, de vrouw en de huidige echtgenoot van de vrouw jegens de kinderen en de mate waarin ieder van hen naar rato van hun draagkracht kan bijdragen in de behoefte van de vier kinderen van partijen.

De vrouw stelt dat de onderhoudsverplichting van de stiefvader geringer wordt naarmate de verhouding c.q. de contacten tussen de vader en de kinderen beter is.

Omdat tussen de man en de kinderen een ruime omgangsregeling bestaat, dient naar de mening van de vrouw de onderhoudsverplichting van haar huidige echtgenoot jegens de kinderen te worden gesteld op nihil. Met andere woorden op hem rust geen plicht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ook al is de band tussen de huidige echtgenoot van de vrouw en de kinderen goed.

4.12. Het hof is van oordeel, dat in zaken als de onderhavige in beginsel uitgangspunt dient te zijn dat in de behoefte van kinderen voorzien dient te worden door alle onderhoudsplichtigen samen. Vast staat dat de huidige echtgenoot van de vrouw een wettelijke onderhoudsplicht heeft ten opzichte van de kinderen van partijen. De verplichtingen van de onderhouds- plichtigen zijn in beginsel van gelijke rang.

Als de onderhoudsverplichting van de ouders van de kinderen samenvalt met die van een stiefouder, dient de omvang van ieders onderhoudsverplichting te worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder hebben te gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind in het algemeen een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het kind, de draagkracht van de ouder(s) en de stiefouder en de feitelijke verhouding van elk van de onderhoudsplichtigen tot het kind.

4.13. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onbetwist melding gemaakt van de navolgende financiële gegevens van de onderhoudsplichtigen:

- de vrouw:

€ 40.491,-- bruto ABP jaarinkomen 2005;

- de huidige echtgenoot van de vrouw:

€ 56.539,-- winst uit onderneming in 2001;

€ 62.406,-- winst uit onderneming in 2002;

€ 70.801,-- winst uit onderneming over 2003.

Het belastbaar inkomen bedroeg volgens het fiscaal rapport € 42.099,-- in 2003;

- de man:

€ 48.355,-- bruto jaarinkomen in 2004.

4.13.1. Op basis van voormelde inkomens heeft de rechtbank het redelijk geoordeeld, dat het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen, naar rato van zijn inkomen en gelet op de verhouding waarin hij tot de kinderen staat, wordt vastgesteld op eenderde deel van de totale behoefte van de kinderen, zijnde € 230,-- per maand in totaal, neerkomende op

€ 57,50 per kind per maand. Dit betekent dat tweederde deel voor rekening komt van de vrouw en haar huidige echtgenoot.

4.14. Het hof acht dit oordeel van de rechtbank juist met inachtneming van hetgeen onder 4.12. is overwogen.

In de eerste plaats leidt een vergelijking van de inkomens van de onderhoudsplichtigen tot die conclusie. Niet valt in te zien dat de onderhoudsplicht van de stiefvader zou afnemen naar mate de verstandhouding tussen de vader en de kinderen beter is. In casu staat vast dat de kinderen ook met hun stiefvader een goede verstandhouding hebben.

Het hof ziet in de omstandigheid dat de kinderen zowel met hun vader als met hun stiefvader een goede relatie hebben geen reden om af te wijken van het uitgangspunt van onderhoudsplichtigen van gelijke rang.

Gelet op dit uitgangspunt snijdt de stelling van de vrouw dat haar keuze om te hertrouwen de man vrijwaart van zijn onderhoudsverplichting, geen hout.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken.

4.15. Het vorenstaande leidt derhalve tot de hierna te vermelden beslissing.

Proceskosten.

4.16. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Roermond van 7 september 2005;

stelt vast dat geen verrekening zal plaatsvinden van hetgeen de man vanaf 25 februari 2005 ter zake van kinderalimentatie mogelijkerwijs teveel aan de vrouw heeft betaald;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Bijleveld-van der Slikke en Lohuis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.