Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ5128

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
C0401532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat in dit hoger beroep nog om het volgende.

De gemeente [gemeente] heeft van de vrouw fl. 90.020,36 teruggevorderd vanwege onterecht verstrekte bijstand in de periode maart 1988 tot december 1991. Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 7 maart 1997 is deze vordering vastgesteld. De executie is op [datum 2] aangevangen. De vrouw vordert van de man de helft, stellende dat partijen in die periode samenleefden en dat de man deswege mede aansprakelijk en draagplichtbig is. De rechtbank heeft de man veroordeeld om aan de vrouw de helft van fl. 90.000,-, zijnde E. 20.420,11, te vermeerderen met de wettelijke rente van de dag der dagvaarding (5 juli 2000) te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0401532/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 17 januari 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 10 juni 2004 en herstelexploot van 29 oktober 2004,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

geïntimeerde bij gemelde exploten,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep van het onder rolnummer 67825/HA ZA 01-732 door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 10 maart 2004 (zoals hersteld bij herstelvonnis van 21 april 2004) tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 21 februari 2002.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de man 3 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van genoemde vonnissen waarvan beroep voor zover in conventie gewezen en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met haar veroordeling in de kosten.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om de financiële afwikkeling van het samenleven van partijen. De samenwoning is op [datum 1] geëindigd.

4.2. In de appeldagvaarding heeft de man alleen hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 10 maart 2004. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat het de man vrij om in de memorie van grieven de omvang van het hoger beroep uit te breiden tot eerdere tussenvonnissen. De man is derhalve ontvankelijk in zijn vordering tot vernietiging van het tussenvonnis.

4.3. In de appeldagvaarding stelt de man hoger beroep in tegen de beslissingen in conventie en reconventie. Naar het hof uit de memorie van grieven begrijpt wordt het hoger beroep tegen de beslissing in reconventie niet gehandhaafd. Het hof zal derhalve alleen de conventie behandelen.

4.4. Van de vorderingen in conventie is in hoger beroep alleen nog - zo begrijpt het hof de memorie van grieven - aan de orde de bijstandvordering.

4.5. Het gaat in dit hoger beroep nog om het volgende.

De gemeente [gemeente] heeft van de vrouw fl. 90.020,36 teruggevorderd vanwege onterecht verstrekte bijstand in de periode maart 1988 tot december 1991. Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 7 maart 1997 is deze vordering vastgesteld. De executie is op [datum 2] aangevangen. De vrouw vordert van de man de helft, stellende dat partijen in die periode samenleefden en dat de man deswege mede aansprakelijk en draagplichtbig is. De rechtbank heeft de man veroordeeld om aan de vrouw de helft van fl. 90.000,-, zijnde E. 20.420,11, te vermeerderen met de wettelijke rente van de dag der dagvaarding (5 juli 2000) te betalen.

4.6. Verjaring

Het meest verstrekkende verweer van de man is zijn beroep op verjaring. Het hof zal dit verweer eerst behandelen.

4.6.1. De onderhavige vordering van de vrouw vindt kennelijk (mede, het hof vult zonodig deze rechtsgrond ambtshalve aan) haar grond in de opvatting dat de man - in zijn relatie tot de vrouw - voor de helft draagplichtig is voor de vordering van de gemeente en dat de vrouw uit dien hoofde regres heeft op de man voor hetgeen zij aan de gemeente moet betalen. Deze draagplicht vloeit

- zo begrijpt het hof - voort uit de samenleving en daarmee samenhangende gemeenschappelijke huishouding (in welke huishouding de ten onrechte genoten bijstand is gevloeid) en daaraan ten grondslag liggende affectieve relatie tussen partijen, die wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid.

4.6.2. Een zodanige regresvordering van de vrouw is een vordering tot nakoming van een verbintenis als bedoeld in artikel 3:307 BW. De verjaring vangt eerst aan ná het opeisbaar worden, dat wil hier zeggen nadat de vrouw de gemeente heeft betaald. Daarmee is niet begonnen vóór 2000. De rechtsvordering is derhalve niet verjaard.

4.6.3. Het beroep van de man op de artikelen 3:309 BW (onverschuldigde betaling) en 3:310 BW (schadevergoeding) stuit hierop af dat deze rechtsgronden betrekking hebben op de verhouding tussen de gemeente en de vrouw. Weliswaar kan de man deze verjaringen inroepen tegen de vrouw, maar alleen indirect, dat wil zeggen als de vordering van de gemeente op deze gronden zou zijn verjaard. Dat de vordering van de gemeente op de vrouw is verjaard wordt niet gesteld en is ook niet gebleken. De verjaring van de vordering van de gemeente is gestuit door de behandeling bij de Commissie beroepszaken administratieve geschillen leidende tot de uitspraak van 17 februari 1993, de procedure bij de kantonrechter leidende tot de uitspraak van 7 maart 1997 en de aanvang van de executie.

4.6.4. De conclusie is dan dat het beroep op verjaring wordt verworpen.

4.7. Grief 1 luidt:

De rechtbank heeft de man bij tussenvonnis d.d. 21 februari 2002 ten onrechte belast met het bewijs van het feit dat hij van maart 1988 tot december 1991 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met (...) de vrouw.

4.7.1. De man heeft gemotiveerd betwist dat hij in de betreffende periode 1988-1991 met de vrouw heeft samengewoond dan wel een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. De rechtbank heeft de man belast met het bewijs, daarbij overwegende dat zij het voorshands aannemelijk acht dat de man en de vrouw hebben samengeleefd en dat de aan de vrouw ten onrechte verstrekte uitkering is aangewend ter bekostiging van de gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank grondt dit oordeel op het onderzoek door de sociale recherche.

4.7.2. De man voert aan dat hij geen partij is geweest in de procedures en dat de vrouw in die procedure hardnekkig heeft ontkend dat zij met de man een gemeenschappelijke huishouding voerde.

4.7.3. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de procedures die rond de bijstandsuitkering zijn gevoerd voorshands het bewijs van de gezamenlijke huishouding kan en dient te worden geput en dat de rechtbank met recht de man heeft belast met het tegenbewijs. Daaraan doet niet af dat de vrouw in die procedures de samenwoning ontkende (zonder die ontkenning zou er ook geen procedure zijn geweest, terwijl de ontkenning toen juist in haar belang was, en dus indirect ook in het belang van de man).

4.7.4. Voorts laat het hof bij deze bewijswaardering meewegen dat de man erkent in de betreffende periode een affectieve relatie te hebben gehad met de vrouw en dat partijen regelmatig (en vanaf het late najaar 1988 zelfs 'zo veel als mogelijk' (36 CvA/R)) bij elkaar verbleven. In dit verband is mede van belang dat de vrouw op [datum 3] is gaan wonen op [adres 1] te [plaats] waar de man voordien woonachtig was, terwijl de man dat adres als kantoorruimte is blijven gebruiken en stelt zelf te zijn gaan wonen bij zijn ouders op [adres 2] [plaats] (naar het hof begrijpt het buurpand).

4.7.5. Hetgeen de man onder grief 1 voorts aanvoert kan aan een en ander niet afdoen. De conclusie is dan dat de grief faalt (behoudens hetgeen hierna in rov. 4.10 zal worden overwogen).

4.8. Grief 2 luidt:

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de man niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd.

4.8.1. Het hof is met de rechtbank, mede op gronden als overwogen onder 2.3-2.5 van het eindvonnis, van oordeel dat de man niet geslaagd is in het leveren van het hem opgedragen bewijs. Waar het hier op aankomt is of kan worden vastgesteld dat er zodanige omstandigheden hebben bestaan die, ondanks hetgeen werd overwogen in rov. 4.6.1. en 4.7.4, aan het aannemen van een draagplicht van de man in de weg staan. Zulke omstandigheden heeft het hof niet gevonden. In dit verband is van belang dat hier - anders dan gold in de casus van de door de rechtbank aangehaalde beschikking HR 27 september 1991, NJ 1991/787 - van een wederzijdse (juridische, in de betekenis dat de ene partij gehouden kan worden de ander te verzorgen) verzorgingsrelatie geen sprake hoeft te zijn. Uitgangspunt hier is dat de bijstanduitkering ten onrechte is ontvangen en dat partijen zoveel mogelijk bij elkaar verbleven zodat reeds hierom voorshands aannemelijk is dat de ten onrechte genoten bijstandsinkomsten door en ten behoeve van beide partijen is verbruikt. Binnen de door de redelijkheid en billijkheid beheerste relatie tussen partijen kan dan van de man in beginsel verlangd worden dat hij, als de fraude wordt ontdekt, de helft van het terugvorderingbedrag draagt. Het is aan de man om een en ander te ontzenuwen.

4.8.2. Noch het feit dat de man in de betreffende periode (ook) elders over woonruimte beschikte en noch het feit dat de vrouw de samenleving in de verhaalsprocedure ontkende staat aan het aannemen van de draagplicht in de weg. Daaruit volgt immers niet dat de man niet van de uitkering heeft geprofiteerd.

4.8.3. De conclusie is dan dat de grief faalt.

4.9. Grief 3 luidt:

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de man aan de vrouw dient te voldoen de somma van E. 20.420,11, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2001.

4.9.1. In de toelichting op deze grief bestrijdt de man een drietal grondslagen voor de vordering die door de vrouw zijn genoemd (ongerechtvaardigde verrijking, vergelijking met koude uitsluiting en redelijkheid en billijkheid). In het licht van hetgeen werd overwogen in rov. 4.6.1. behoeft alleen de grond redelijkheid en billijkheid bespreking.

4.9.2. De man stelt hier dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan toekenning van de vordering in de weg staan. Hij voert daartoe aan niet geweten te hebben dat de vrouw fraudeerde en dat hij geen nut heeft gehad van de inkomensbron. Dit betoog faalt. Gelet op de bewijslastverdeling was het aan de man een en ander te bewijzen. Dat is niet gebeurd. Bovendien oordeelt het hof niet aannemelijk dat, gelet op de affectieve relatie en het feit dat partijen zoveel mogelijk samen waren, de man niet zou hebben geweten dat de vrouw een bijstandsuitkering genoot en dat deze uitkering niet, mede met het inkomen van de man, gezamenlijk is verteerd.

4.9.3. Grief 3 faalt.

4.10. Verborgen grief

Onder grief 1 betwist de man dat de vordering van de gemeente is geëxecuteerd, en dat de vrouw heeft betaald of moeten terugbetalen. Naar het hof begrijpt stelt de man zich op het standpunt dat deze omstandigheden aan toewijzing van de vordering in de weg staan.

4.10.1. De grief is in zoverre gegrond. De rechtbank heeft de aard van de vordering van de vrouw miskend. Sprake is van een regresvordering op de man. De vrouw is, als de onderlinge draagplicht in aanmerking wordt genomen, uit eigen hoofde verplicht de gemeente fl. 45.000,- zijnde E. 20.420,11, te betalen. Eerst als zij meer heeft betaald dan haar deel (vgl. artikel 6:10 lid 2: 'voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat') heeft zij voor dat meerdere regres op de man, terwijl de wettelijke rente ook eerst dan begint te lopen, nu de regresvordering en daarmee die rente niet eerder opeisbaar is.

Dat de vrouw inmiddels meer heeft betaald dan haar eigen deel, heeft het hof niet kunnen vaststellen. Alleen blijkt (productie bij MvA) dat per 31 december 2003 nog een bedrag van E. 37.430,11 openstond en dat in 2003 niet meer dan E. 1.097,27 was ingelopen). Er bestaat derhalve slechts een voorwaardelijke vordering van de vrouw op de man.

4.11. Het hof zal een aangepast dictum geven. Het hof ziet geen aanleiding voor een andere proceskostenbeslissing in eerste aanleg. Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, en gelet langdurige affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 21 februari 2002;

vernietigt het vonnis van 10 maart 2004 maar alleen voor zover de man daarin in de eerste alinea van het dictum in conventie is veroordeeld;

en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen hetgeen de vrouw - uit hoofde van het in geding zijnde bijstandverhaal - aan de gemeente [gemeente] meer heeft betaald dan E. 20.420,11 (met een maximum van E. 20.420,11), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop en voor zover de vrouw dit meerdere aan de gemeente heeft betaald;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 januari 2006.