Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ5124

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
R200500892
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij beroepschrift met bijlagen, dat op 19 augustus 2005 ter griffie van het hof is binnengekomen, heeft de man één grief aangevoerd, zijn vordering gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep doch uitsluitend voor wat betreft het bevel tot verdeling van de gemeenschap, alsmede dat het hof (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

- voor recht zal verklaren dat de bij de man aanwezige inboedelzaken niet tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoren;

- vast zal stellen dat uitsluitend tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoren het in het beroepschrift onder f. genoemde actief en de aldaar genoemde passiva;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rekestnummer R200500892

BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 21 maart 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. C.E.M. Renckens,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep tegen de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 7 juni 2005.

--------------------------------------------------

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg (zaaknr. 123153/FA RK 05-663)

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde beschikking.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met bijlagen, dat op 19 augustus 2005 ter griffie van het hof is binnengekomen, heeft de man één grief aangevoerd, zijn vordering gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep doch uitsluitend voor wat betreft het bevel tot verdeling van de gemeenschap, alsmede dat het hof (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

- voor recht zal verklaren dat de bij de man aanwezige inboedelzaken niet tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoren;

- vast zal stellen dat uitsluitend tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoren het in het beroepschrift onder f. genoemde actief en de aldaar genoemde passiva;

- de vrouw zal veroordelen om aan de man een bedrag van E. 25.756,50 te betalen.

2.2. Bij verweerschrift dat op 19 september 2005 ter griffie van het hof is binnengekomen, heeft de vrouw verweer gevoerd.

2.3.Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- twee brieven met bijlage(n) van de procureur van de man

van respectievelijk [plaats 1] en 10 januari 2006;

- een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d.

12 januari 2006.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn procureur,

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. D.L.S.M. Essed.

Aan het eind van de mondelinge behandeling is de uitspraak bepaald op heden.

3. De gronden van het hoger beroep

De grief van de man luidt:

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen terzake vanhet toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime

van partijen, dat het Nederlands recht van toepassing is.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Partijen zijn gehuwd geweest.

Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch, waarvan beroep, is (kort gezegd):

- de echtscheiding uitgesproken;

- de verdeling bevolen van de gemeenschap waarin partijen

zijn gehuwd;

- de man veroordeeld om aan de vrouw een

partneralimentatie te betalen van E. 98,- per maand;

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [kind]

bepaald bij de vrouw;

- de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld

op E. 337,- per maand;

- de beslissing omtrent de omgangsregeling aangehouden.

4.2. Het hoger beroep van de man betreft uitsluitend de beslissing omtrent de verdeling van de gemeenschap en het daaraan ten grondslag liggende oordeel van de rechtbank dat op het huwelijksvermogensregime Nederlands recht van toepassing is.

De echtscheidingsbeschikking is inmiddels, op [plaats 1], ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het huwelijk is ontbonden.

4.3. De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat op het huwelijksvermogensrecht van partijen aanvankelijk Engels recht van toepassing was omdat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting een verschillende nationaliteit hadden en Engeland hun eerste huwelijksdomicilie was. Omdat partijen in [datum 6] naar Nederland zijn verhuisd en de vrouw per [datum 2] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen is volgens de man vanaf die laatstgenoemde datum, doch uitsluitend voor de toekomst, Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. De man heeft op basis hiervan zijn vordering in hoger beroep gewijzigd.

4.4. De vrouw heeft zich tegen die wijziging in hoger beroep niet verzet, zodat het hof recht zal doen op de gewijzigde vordering.

De vrouw heeft de stellingen van de man voor wat betreft het toepasselijke recht, bestreden. Zij stelt zich op het standpunt dat het huwelijksvermogensregime (vanaf de datum van de huwelijkssluiting) wordt beheerst door Nederlands recht.

4.5. Het hof overweegt omtrent het toepasselijke recht het volgende.

Partijen zijn op [datum 3] in [plaats 2] (Engeland) gehuwd. Ten tijde van de huwelijkssluiting had de vrouw de Russische- en de man de Nederlandse nationaliteit.

Gelet op de huwelijksdatum dient het geschil omtrent het toepasselijke huwelijksvermogensregime te worden beoordeeld op basis van het Haags Huwelijksvermogensver- drag 1978 (hierna: het Verdrag).

Vast staat, dat partijen vóór hun huwelijkssluiting geen toepasselijk recht hebben aangewezen. Dit betekent dat allereerst dient te worden onderzocht op welk grondgebied partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd (artikel 4 lid 1 van het Verdrag).

4.6. Hierbij geldt voor het hof als uitgangspunt dat als "gewone verblijfplaats" dient te worden aangemerkt: de maatschappelijke woonplaats, waar partijen permanent, althans voor langere tijd beogen te verblijven, dit ter onderscheiding van een meer tijdelijk verblijf dat met "verblijfplaats" wordt aangeduid (Mr. I.S. Joppe, huwelijksvermogensrecht, 2e druk, nr. 43).

4.7. Voor de vaststelling van de eerste gewone verblijfplaats acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- de man was ten tijde van de huwelijkssluiting werkzaam voor een internationale onderneming en was op diverse plaatsen in de wereld werkzaam geweest. In juni 1996 is hij door zijn werkgever overgeplaatst van Moskou naar [plaats 2] in Engeland. Hij bewoonde in [plaats 2] een gemeubileerde huurflat;

- partijen hebben elkaar in Moskou leren kennen. De vrouw is in juli 1997 van Moskou naar [plaats 2] verhuisd en is bij de man gaan wonen;

- in september 1997, dus nog vóór de huwelijkssluiting, heeft de man van zijn werkgever vernomen dat hij per [datum 4] werd ontslagen. Voorts is door middel van outplacement getracht elders een nieuwe baan voor de man te vinden. Partijen zijn het erover eens dat die werkkring in beginsel in ieder willekeurig land zou kunnen worden gevonden;

- de man heeft ingaande [datum 5] een nieuwe werkkring in Nederland gevonden. In [datum 6], derhalve na ongeveer 4 maanden na de huwelijkssluiting, zijn partijen naar Nederland verhuisd en zij hebben zich hier blijvend gevestigd.

4.8. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de voormelde feiten en omstandigheden, niet geconcludeerd dat worden dat partijen op het grondgebied van Groot-Brittanië hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd. De verblijfplaats van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting was immers (uitsluitend) bepaald door de toenmalige werkkring van de man en op het moment van die huwelijkssluiting stond reeds vast dat het dienstverband van de man bij zijn toenmalige werkgever in Engeland zou eindigen. De nieuwe verblijfplaats van partijen was afhankelijk van de nieuwe werkkring van de man c.q. diens mogelijkheden om werk te vinden. Partijen hielden er ten tijde van de huwelijkssluiting dan ook rekening mee dat zij naar een ander land zouden verhuizen.

Die verhuizing heeft ook daadwerkelijk - binnen vier maanden na de huwelijkssluiting - plaatsgevonden.

4.9. Naar het oordeel van het hof dient, gelet op het voorgaande, Nederland te worden aangemerkt als Staat op welks grondgebied partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd, in de zin van artikel 4 lid 1 van het Verdrag, hetgeen betekent dat het huwelijksvermogensregime (vanaf het begin) wordt beheerst door Nederlands recht.

4.10. Het hiervoor overwogene betekent dat de grief van de man faalt, dat de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met wijziging van de gronden als hiervoor is vermeld en dat de gewijzigde eis niet toewijsbaar is.

4.11. Het hof zal aldus beslissen en de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep met wijziging van de gronden zoals in het voorgaande is aangegeven;

wijst af hetgeen bij wijze van vermeerdering van eis in hoger beroep is gevorderd;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Van den Bergh en Van der Velden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 21 maart 2006.