Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ5048

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
KG0500876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

geïntimeerde] heeft sedert [datum 1] van de stichting in huur en gebruik de woning gelegen aan [adres 1] te [plaats]. Op of omstreeks [datum 2] is er in de woning van [geïntimeerde] door de politie een inval gedaan waarbij een hennepkwekerij is ontmanteld. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter te Bergen op Zoom van 27 april 2004 is de huurovereenkomst ontbonden en -kort gezegd - de ontruiming van de woning gelast. [geïntimeerde] heeft tegen dat vonnis hoger beroep aangetekend. In die thans nog bij dit hof aanhangige procedure mag de stichting op 29 november 2005 een antwoordakte nemen. Ter gelegenheid van het pleidooi in de onderhavige zaak heeft de advocaat van [geïntimeerde] naar voren gebracht dat hij ook in die zaak nog pleidooi zal gaan verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. ML

rolnr. KG C0500876/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 17 januari 2006,

gewezen in de zaak van:

STICHTING WONINGBOUW ZEVENBERGEN,

gevestigd te Zevenbergen,

appellante bij exploot van dagvaarding van 17 juni 2005,

verder te noemen: de stichting,

procureur: mr. J.J. Geuze,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: [geïntimeerde]

procureur: mr. J.J.M. Cliteur,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda op 23 mei 2005 gewezen vonnis in kort geding tussen de stichting als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 146231 KG ZA 05288)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de stichting vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevraagde voorziening, met veroordeling van laatstgenoemde in de kosten van beide instanties. Vervolgens heeft de stichting nog bij akte verzocht het onderhavige geschil als spoedappel te behandelen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, de stichting door mr. P.C.H. Jansen en [geïntimeerde] door mr. W.J.G. Schröder. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [geïntimeerde] heeft sedert [datum 1] van de stichting in huur en gebruik de woning gelegen aan [adres 1] te [plaats]. Op of omstreeks [datum 2] is er in de woning van [geïntimeerde] door de politie een inval gedaan waarbij een hennepkwekerij is ontmanteld. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter te Bergen op Zoom van 27 april 2004 is de huurovereenkomst ontbonden en -kort gezegd - de ontruiming van de woning gelast. [geïntimeerde] heeft tegen dat vonnis hoger beroep aangetekend. In die thans nog bij dit hof aanhangige procedure mag de stichting op 29 november 2005 een antwoordakte nemen. Ter gelegenheid van het pleidooi in de onderhavige zaak heeft de advocaat van [geïntimeerde] naar voren gebracht dat hij ook in die zaak nog pleidooi zal gaan verzoeken.

4.1.2. Bij vonnis in kort geding van 23 mei 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda de stichting verboden om uitvoering te geven aan bovengenoemd vonnis van de kantonrechter d.d. 27 april 2005 totdat in hoogste feitelijke instantie een eindbeslissing is genomen op de oorspronkelijke vordering van de stichting.

4.1.3 Tegen dat vonnis in kort geding komt de stichting thans op.

4.1.4. Bij arrest d.d. 24 maart 2005 heeft dit gerechtshof vernietigd het vonnis van de rechtbank Breda d.d. 11 januari 2005 waarbij de ten aanzien van [geïntimeerde] geldende schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris was beëindigd. Daarbij is onder meer overwogen:

"Gezien de bijzondere omstandigheden van [geïntimeerde] in de vorm van zijn licht verstandelijke beperking en zijn sociaal emotionele problematiek acht het hof de tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet zodanig verwijtbaar dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zou moeten worden beëindigd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat aannemelijk is dat [geïntimeerde] de gevolgen van het kweken van hennep niet heeft kunnen overzien en dat dit kweken éénmalig en kortdurend is geweest. Van belang is voorts dat [geïntimeerde] beschikt over een kader waarin hij gerichte hulp en begeleidng krijgt. De sociaal-emotionele begeleiding gebeurt door VG/GGZ MEE West-Brabant, de financiële begeleiding ontvangt [geïntimeerde] van de stichting ASVZ Zuid West. Gebleken is dat [geïntimeerde] zich, in de begeleiding en ondersteuning bij zijn licht verstandelijke beperking en zijn sociaal emotionele problematiek, altijd goed heeft gedragen en zijn financiële situatie onder begeleiding strak heeft georganiseerd."

4.1.5. Vast staat dat de kantonrechter bij zijn uitspraak van 27 april 2005 de inhoud van dit arrest niet heeft kunnen betrekken nu enerzijds de stichting dit arrest niet zelf in het geding heeft gebracht bij haar akte in eerste aanleg van 13 april 2005 en anderzijds [geïntimeerde] van de stichting geen toestemming kreeg dit daarna alsnog in de procedure te brengen.

4.1.6. Tevergeefs komt de stichting in de eerste grief op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het onthouden van dit arrest aan de kantonrechter geen blijk geeft van een fair play ten opzichte van [geïntimeerde]. Uit de hierboven onder 4.1.4 weergegeven overweging blijkt dat het gerechtshof de tekortkoming van [geïntimeerde] verband houdend met de hennepkwekerij niet van doorslaggevend belang heeft geacht in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde]. Aan de stichting kan worden toegegeven dat het hier weliswaar gaat om een belangenafweging in het kader van de schuldsaneringsregeling maar dat neemt niet weg dat die beoordeling ook relevant geoordeeld kan worden voor de beslissing en de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging van de kantonrechter inzake de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming. Gelet op artikel 21 Rv had van de stichting dan ook verwacht mogen worden dat zij dit arrest had ingebracht in de procedure bij de kantonrechter en in ieder geval dat zij [geïntimeerde] zou hebben toestaan dit zelf alsnog in die procedure vóór het wijzen van het vonnis in te brengen. Het hof is van oordeel dat dit feit - namelijk dat de kantonrechter ten onrechte geen kennis heeft kunnen nemen van het arrest van het hof van 24 maart 2005 - en het oordeel dat zulks strijd met het fair play-beginsel oplevert, meebrengt dat de voorzieningenrechter in het executiegeschil zich kon zetten aan de beoordeling van de vraag of voor schorsing van de executie - de uitvoerbaarverklaring bij voorraad - plaats is.

4.1.7. Het vonnis van de kantonrechter is uitvoerbaar verklaard bij voorraad. Die beslissing berust op een belangenafweging van de kantonrechter waarbij hij niet heeft kunnen betrekken bovenbedoeld arrest van het gerechtshof. Dit betekent dat op grond van dit ná het vonnis van de kantonrechter aan het licht gekomen feit opnieuw moet worden afgewogen het belang dat de stichting heeft bij onverwijlde tenuitvoerlegging van de uitspraak van de kantonrechter en het belang dat [geïntimeerde] heeft om in de woning te mogen blijven tot in hoger beroep ten gronde is geoordeeld, met inachtneming van voorgenoemd arrest, over de door de stichting gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het belang van de stichting is in dat opzicht minder dringend nu de hennepkwekerij is ontmanteld en van overlast of gevaarzetting in dat opzicht geen sprake meer is. Weliswaar stelt de stichting zich op het standpunt dat [geïntimeerde] ook andere vormen van overlast heeft bezorgd in het verleden maar uitdrukkelijk is bij gelegenheid van het pleidooi door de vertegenwoordiger van de stichting verklaard dat zij met de executie van het vonnis van de kantonrechter een signaal wil afgeven aan haar overige huurders dat het exploiteren van een hennepkwekerij in de door haar verhuurde woningen niet zal worden geaccepteerd teneinde precedentwerking te voorkomen. Dit belang weegt thans echter minder zwaar dan voormeld woonbelang van [geïntimeerde] voor wie de ontruiming ingrijpende gevolgen zal hebben waarvan het minst genomen de vraag is of die wel kunnen worden hersteld als de belangenafweging ten gronde in de hoofdzaak in appel - waarbij ook voormeld arrest van het hof betrokken kan worden - later alsnog in zijn voordeel zou uitvallen. De eerste grief faalt derhalve.

4.1.8 Ook de tweede grief faalt, nu anders dan de stichting betoogt, de voorzieningenrechter gelet op het bovenstaande terecht heeft aangenomen dat sprake is van een eerst na het wijzen van het vonnis door de kantonrechter bekend geworden nieuw feit. De voorzieningenrechter heeft derhalve op goede gronden tot schorsing van de tenuitvoerlegging beslist zodat in zoverre ook de derde grief faalt. Dit geldt ook voorzover die schorsing betrekking heeft op de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde proceskostenveroordeling nu [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn financiële belang de proceskostenveroordeling op te mogen schorten in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak in appel in het licht van de op hem van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling (hij ontvangt een zakgeld van E. 50,-- per week) ruimschoots opweegt tegen het belang van de woningstichting van onmiddellijke inning van de proceskosten.

4.1.9. Dit alles leidt ertoe dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd en de stichting als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De vierde grief faalt derhalve eveneens.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda d.d. 23 mei 2005;

veroordeelt de stichting in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, tot op heden begroot op aan verschotten E. 291,-- en E. 2.682,-- salaris procureur op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koens, Den Hartog Jager en Adriaansens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 januari 2006.