Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4771

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
20-007240-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Daderschap van de rechtspersoon

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming 13
Wet milieubeheer 10.3
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-007240-05

Uitspraak : 5 december 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 maart 2005 in de strafzaak met parketnummer

01-075390-01 tegen:

[verdachte] V.O.F.,

statutair gevestigd te [plaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het beroepen vonnis bevestigen, zulks - gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen - met uitzondering van de bewijsvoering, de motivering van de aan de verdachte opgelegde straf en de toegepaste wetsartikelen.

Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen.

De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De hierna volgende overwegingen onder 'Op te leggen straf' worden door het hof in de plaats gesteld van de overwegingen door de eerste rechter die hebben geleid tot oplegging van straf aan verdachte.

Tevens zal het hof de hierna te noemen Toepasselijke wetsartikelen in de plaats stellen van de artikelen die de eerste rechter aan de strafoplegging ten grondslag heeft gelegd.

Voorts leest het hof de overweging van de eerste rechter met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging (in verband met de gestelde dubbele vervolging) verbeterd, in die zin dat kennelijk ten gevolge van een verschrijving bij de datum van de dagvaarding na verwijzing het jaartal 2004 in plaats van 2005 staat vermeld.

Voorts leest het hof die overweging, maar dan in verband met hetgeen is overwogen omtrent het tijdsverloop, verbeterd in die zin dat kennelijk tengevolge van een verschrijving bij de datum waarop hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van 25 oktober 2002 als jaartal 2004 staat vermeld, in plaats van 2002.

Tenlastelegging en bewezenverklaring

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging en bewezenverklaring over.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A2

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vrijspraak van de verdachte bepleit om reden dat het tenlastegelegde handelen niet aan de verdachte kan worden toegerekend, in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.

A3

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de betreffende gedraging aan de rechtspersoon in redelijkerheid kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- als het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Daarbij verdient opmerking dat laatstbedoelde criteria - die zijn ontwikkeld in HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 en die naar het geval dat in die zaak aan de orde was, plegen te worden aangeduid als "ijzerdraadcriteria" - weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijke persoon (dus met het oog op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon), maar dat zij in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon.

A4

Het hof stelt vast dat :

- verdachte, blijkens een zich in het dossier bevindend uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel Oost-Brabant, d.d. 18 mei 2001, zich bedrijfsmatig bezighoudt met: "grondwerken, bomen rooien, maaien van sloten, een en ander in de ruimste zin";

- verdachte in het kader van een aangenomen werk betrokken was bij de verwijdering van afval voortkomend uit reconstructiewerkzaamheden aan de [adres] [plaats];

- aan verdachte opdracht was verleend tot het afvoeren van onder meer snoeihout en boomstobben - naar het hof begrijpt: afkomstig van voormelde reconstructiewerkzaamheden - naar een perceel aan de "[perceel]" te [plaats] en dat aldaar deze afvalstoffen dienden te worden verstookt;

- aan "[verdachte], wonende te [plaats], [adres]" in dit verband een stookvergunning was afgegeven door de gemeente Oirschot, geldig voor dat perceel;

- vaststaat dat tevens pallets, behandeld hout en stroomkabels werden verbrand;

- tussen boomwortels van bomen die langs de verharde weg hebben gestaan, (delen van) stroomkabel kunnen zitten;

- de bewezen gedragingen feitelijk werden verricht door[werknemer];

- deze [werknemer] in de tenlastegelegde periode werkzaam was bij die rechtspersoon;

- [werknemer] ter uitvoering van zijn werkzaamheden werkopdrachten aannam van één der vennoten van verdachte, waarbij deze [werknemer] slechts in algemene zin werd verteld waaruit de werkzaamheden zouden bestaan;

- deze [werknemer] deze werkzaamheden met een grote mate van zelfstandigheid mocht uitvoeren c.q. diende uit te voeren;

- op de werkzaamheden van [werknemer] geen toezicht werd gehouden door verdachte;

- er geen bij die [werknemer] bekende richtlijnen waren voor de uitvoering van zijn werk anders dan algemene veiligheidsvoorschriften (door de getuige [werknemer] aangeduid als "VCA-normen").

A5

Gelet op de onder A4 weergegeven gebleken feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat de verweten gedraging mede tegen de achtergrond van de criteria die plegen te worden aangeduid als de "IJzerdraadcriteria" in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang dat het verbranden van afval van rooiwerkzaamheden valt onder de normale bedrijfsuitoefening, dat verdachte de feitelijke werkzaamheden aan die [werknemer] overliet, dat [werknemer] handelde ten behoeve van de rechtspersoon als werknemer in dienstbetrekking en dat verdachte aan die [werknemer] een grote vrijheid liet voor de wijze waarop hij zijn werkzaamheden kon uitvoeren.

De verdachte heeft, door het niet uitoefenen van toezicht en het nalaten aanwijzingen te geven met betrekking tot de vraag hoe [werknemer] diende te handelen indien het te verbranden materiaal naast snoeihout en boomstobben ook ander materiaal zou bevatten, niet de zorg betracht die onder de vastgestelde omstandigheden in redelijkheid van hem kon worden gevergd. Immers, verdachte wist dat tussen wortels van de bomen die langs een weg hebben gestaan (resten van) stroomkabels kunnen zitten.

Het hof verwerpt het verweer.

A6

Het hof acht bewezen dat [werknemer] met opzet heeft gehandeld. [werknemer]' opzet is naar het oordeel van het hof en gelet op de onder A4 genoemde feiten en omstandigheden aan de verdachte toe te rekenen.

A7

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat pallets geen "onschadelijk onbewerkt hout" zijn, reeds omdat de planken die tezamen de pallet vormen, middels (metalen) spijkers onderling met elkaar verbonden zijn.

Op te leggen straf

B1

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft opzettelijk op de bodem afvalstoffen verbrand en niet de van haar te verwachten milieuhygiënische maatregelen genomen ter voorkoming van verontreiniging door haar handelen. Het hof acht dit feit van bijzondere ernst, nu verdachte een grondverzetbedrijf exploiteert en regelmatig met de noodzakelijke afvoer of verwerking van afvalstoffen in aanraking komt en als zodanig de daaromtrent geldende regelgeving heeft te respecteren. Voorts rekent het hof verdachte aan dat - zoals is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting - zij het feitelijke handelen geheel overliet aan een werknemer zonder daarbij op zodanige wijze toezicht te organiseren dat dergelijke feiten worden voorkomen.

Gelet op het voorgaande acht het hof het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden.

B2

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden en dat dit ertoe zou dienen te leiden dat aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf zal worden opgelegd.

Ter toelichting heeft de raadsman gesteld dat de omstandigheid dat de strafzaak reeds eerder in hoger beroep bij het hof werd aangebracht, dat het hof bij arrest van 30 juli 2004 het beroepen vonnis heeft vernietigd en de zaak heeft terug gewezen naar de rechtbank

's-Hertogenbosch teneinde op de bestaande dagvaarding te worden berecht en afgedaan, naar het hof het verweer begrijpt, vertragend heeft gewerkt op het procesverloop.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de hierdoor ontstane vertraging in het bijzonder niet aan de verdachte is toe te rekenen.

B3

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze op zijn redelijkheid te beoordelen termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 2 mei 2001, het moment waarop de politie verdachte gelastte haar werkzaamheden te staken.

Voorts blijkt uit de inhoud van het dossier dat:

- verdachte op 25 oktober 2002 bij verstek werd veroordeeld door de rechtbank

's-Hertogenbosch;

- op 28 oktober 2002 door de verdachte hoger beroep werd ingesteld, gevolgd door het hoger beroep van de officier van justitie op 29 oktober 2002;

- op 30 juli 2004 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch de zaak werd verwezen naar de rechtbank, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan;

- de rechtbank op de bestaande dagvaarding op 14 maart 2005 opnieuw vonnis heeft gewezen;

- de verdachte tegen dit veroordelend vonnis op 14 maart 2005 hoger beroep heeft ingesteld;

- het hof vervolgens op 5 december 2006 eindarrest zal wijzen.

B4

Naar het oordeel van het hof is - gelet op de onder B3 weergeven omstandigheden - de op redelijkheid te beoordelen termijn niet overschreden en daarmee verdachtes recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn niet geschonden. De termijn gedurende welke verdachte onder de dreiging van een strafvervolging heeft doorgebracht is weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk lang. Daarbij neemt het hof in aanmerking alle omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de invloed van de verdachte en diens raadsman op het procesverloop, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

De stelling van de raadsman dat de omstandigheid dat de zaak moest worden teruggewezen naar de eerste rechter ten gevolge van een verzuim dat niet aan de verdachte is toe te rekenen, doet aan dit oordeel van het hof niet af.

Het hof verwerpt het verweer.

B5

Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van aan de verdachte op te leggen geldboete evenwel rekening gehouden met de lange duur waaronder verdachte onder de dreiging van een stafrechtelijke vervolging heeft moeten leven. Het hof acht derhalve een geldboete van de hoogte als door de advocaat-generaal gevorderd en door de eerste rechter opgelegd, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 13 van de Wet bodembescherming en artikel 10.3 van de Wet milieubeheer,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Kempen, griffier,

en op 5 december 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

- 5 - 20-007240-05