Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4488

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
R200600493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De stelling van de vrouw dat indien het rechtsmiddel van hoger beroep openstaat tegen een beschikking waarbij een bijdrage ten laste van een alimentatieplichtige is vastgesteld, dit rechtsmiddel eerst benut dient te worden, alvorens het mogelijk is een verzoek tot wijziging te kunnen indienen, vindt naar het oordeel van het hof, zeker zo in zijn algemeenheid gesteld, geen steun in het recht. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat het om proces-economische redenen mogelijk efficiënter geweest ware indien de man de door hem gestelde wijziging had ingebracht in het nog lopende hoger beroep, maar nu de man kennelijk om hem moverende redenen heeft gekozen voor het indienen van een wijzigingsverzoek bij de rechtbank is hij daarin terecht ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WG

10 oktober 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R06/00493

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.]

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. N.J.W.M. de Leeuw,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.M. Jonkergouw.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 09 februari 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 9 mei 2006, heeft de vrouw verzocht,

primair: de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek,

subsidiair: zijn inleidend verzoek alsnog af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, (naar het hof begrijpt met vernietiging van voornoemde beschikking)

met veroordeling van de man in de kosten van de onderhavige procedure.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Bij die gelegenheid zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. B.A. Hocks, en de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. H.P. Ruysink, gehoord.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief met bijlage van de procureur van de vrouw d.d. 19 mei 2006;

- de brief met bijlage van de procureur van de vrouw d.d. 25 augustus 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man d.d. 25 augustus 2006;

- de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 4 september 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 22 januari 1988 met elkaar getrouwd.

De door de rechtbank Maastricht bij beschikking van 18 april 1996 uitgesproken echtscheiding is op 13 mei 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn voor zover in de onderhavige zaak van belang geboren:

- [A.], geboren op [geboortejaar] en

- [B.], geboren op [geboortejaar].

Voormelde kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

4.3. Bij beschikking van 12 juli 2005 heeft de rechtbank Maastricht onder meer bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee bovengenoemde kinderen met ingang van 1 september 2004 een bedrag van

€ 250,- per kind per maand dient te voldoen.

Hoger beroep tegen de beschikking van 12 juli 2005

4.4.1. De man kon zich niet verenigen met de beschikking van 12 juli 2005 en heeft daarvan hoger beroep ingesteld bij dit hof. In hoger beroep heeft de man verzocht de beschikking van 12 juli 2005 te vernietigen voor zover daarbij ten laste van hem een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen was vastgesteld en opnieuw rechtdoende alsnog de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen op nihil te bepalen.

4.4.2. Bij beschikking van 20 juni 2006 heeft dit hof het verzoek van de man afgewezen onder bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank Maastricht van 12 juli 2005.

Verzoek tot wijziging van de beschikking van 12 juli 2005

4.5.1. Naast het hoger beroep heeft de man een verzoekschrift ingediend - ingekomen ter griffie van de rechtbank Maastricht op 5 oktober 2005 - strekkende tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Maastricht van 12 juli 2005. De man heeft de rechtbank daarbij verzocht die beschikking te wijzigen en te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, ofwel met ingang van 5 oktober 2005, nihil is.

4.5.2. Nu de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de toewijzing van het wijzigingsverzoek van de man en het verzoek de rechtbank noch onrechtmatig, noch ongegrond voorkwam, heeft de rechtbank het verzoek van de man bij de thans bestreden beschikking van 9 februari 2006 toegewezen en de door de man te betalen bijdrage voor voornoemde kinderen met ingang van 5 oktober 2005 op nihil gesteld.

De vrouw kan zich niet verenigen met deze beschikking en is daarvan in hoger beroep gekomen.

Het hoger beroep tegen de beschikking van 9 februari 2006.

4.6. De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank de man niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in zijn wijzigingsverzoek. De vrouw voert daartoe aan dat indien het rechtsmiddel van hoger beroep openstaat tegen een beschikking waarbij een bijdrage ten laste van een alimentatieplichtige is vastgesteld, dit rechtsmiddel eerst benut dient te worden, alvorens het mogelijk is een verzoek tot wijziging te kunnen indienen.

Deze stelling vindt naar het oordeel van het hof, zeker zo in zijn algemeenheid gesteld, geen steun in het recht. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat het om proces-economische redenen mogelijk efficiënter geweest ware indien de man de door hem gestelde wijziging had ingebracht in het nog lopende hoger beroep, maar nu de man kennelijk om hem moverende redenen heeft gekozen voor het indienen van een wijzigingsverzoek bij de rechtbank is hij daarin terecht ontvankelijk verklaard.

De vrouw heeft voorts ter zitting in hoger beroep nog gesteld dat er aan de zijde van de man geen relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, zodat de rechtbank de man ook om die reden niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Met betrekking tot deze stelling merkt het hof op dat nu de man in zijn wijzigingsverzoek heeft aangegeven dat de rechtbank in de beschikking van 12 juli 2005 is uitgegaan van de jaarcijfers 2003, terwijl uit de thans beschikbare cijfers over 2004 volgens hem blijkt van een gemis aan draagkracht hij voldoende heeft gesteld om in dit wijzigingsverzoek te kunnen worden ontvangen. Het hof zal dan ook de draagkracht van de man tot betaling van de opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen per 5 oktober 2005 opnieuw beoordelen.

4.6.1. Zowel in eerste aanleg als ter zitting van het hof heeft de man onder verwijzing naar de jaarcijfers van 2004 gesteld dat het hem aan draagkracht ontbreekt om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen van partijen te kunnen voldoen.

Het hof overweegt dat de man echter heeft nagelaten zijn financiële situatie op zodanige wijze met in rechte verifieerbare bescheiden inzichtelijk te maken, dat het hof op basis van die gegevens de draagkracht van de man kan beoordelen. De man heeft weliswaar gesteld dat in eerste aanleg de noodzaak ontbrak om zijn wijzigingsverzoek met bescheiden te onderbouwen, nu de vrouw tegen zijn verzoek geen verweer had gevoerd, doch, voor zover deze stelling al juist zou zijn, nu de vrouw in hoger beroep is gekomen en gemotiveerd het gemis aan draagkracht heeft bestreden had het op de weg van de man gelegen zijn stelling nader te onderbouwen.

De man heeft met name nagelaten zijn inkomsten uit zijn eenmanszaak “[Y.] Motor Sport” inzichtelijk te maken, aangezien hij noch de aangifte inkomstenbelasting 2005, noch de (eventueel voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting 2004 en 2005 heeft overgelegd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Dit geldt te meer nu hij daarmee zijn stelling dat het niet goed gaat met de onderneming had kunnen onderbouwen.

Hoewel de man zijn aangifte inkomstenbelasting 2004, de jaarcijfers over 2004 en 2005 en een prognose voor 2006 heeft overgelegd waaruit naar zijn mening blijkt dat de onderneming in 2005 een verlies van € 16.165,- heeft geleden en in 2006 een verlies van circa € 16.900,- zal lijden, is het hof van oordeel dat niet zonder meer van de juistheid van die overgelegde cijfers kan worden uitgegaan, nu de vrouw in hoger beroep een aantal concrete vragen met betrekking tot het inkomen en de vermogenspositie van de man heeft opgeworpen, waarop de man naar het oordeel van het hof geen afdoend antwoord heeft kunnen geven.

Zo heeft de vrouw er ter zitting op gewezen dat blijkens de aangifte inkomstenbelasting 2004 de bank-, giro- en spaartegoeden die bij aanvang van het boekjaar 2004 € 42.803,- bedroegen, aan het eind van het boekjaar 2004 slechts € 19.529,- bedroegen, terwijl de man ter zitting geen afdoende verklaring heeft kunnen geven voor deze substantiële vermogensdaling. Daarnaast blijkt naar het oordeel van het hof uit de jaarcijfers 2005 geenszins van de door de man gestelde en voor het voortbestaan van zijn onderneming door de man noodzakelijk geachte investeringen. De man heeft met betrekking tot de in het kader van de bedrijfsvoering gedane investeringen wel verklaard in september 2004 een Mercedes Vito bus van € 33.000,- te hebben aangeschaft, doch heeft desgevraagd niet kunnen verklaren met welke middelen deze aanschaf is gefinancierd. In tegendeel, hij heeft ter zitting eveneens verklaard dat de bus door de onderneming zou zijn geleasd, zodat de man naar het oordeel van het hof met betrekking tot de financiering van de Mercedes Vito tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

4.6.2. Gelet op het vorenstaande overweegt het hof dat nu de man heeft nagelaten zijn financiële situatie voldoende inzichtelijk te maken met in rechte verifieerbare bescheiden, hij het hof niet in staat heeft gesteld zijn draagkracht te beoordelen, hetgeen voor rekening en risico van de man komt. Het hof is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het de man aan draagkracht ontbreekt om de door de rechtbank bij de beschikking van 12 juli 2005 vastgestelde en bij beschikking van dit hof van 20 juni 2006 bekrachtigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de bovenvermelde kinderen van partijen te voldoen, zodat het hof de bestreden beschikking, waarbij de bij beschikking van 12 juli 2005 vastgestelde bijdrage op nihil is gesteld, zal vernietigen.

Proceskosten

4.6.3. Hoewel de vrouw het hof heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure, ziet het hof nu partijen gewezen echtgenoten zijn geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

4.6.4. Gelet op het voorgaande beslist het hof als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 09 februari 2006;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Kranenburg en Schyns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.