Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4486

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
R200600403 T
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft beslist dat de man dient te worden onderzocht door een psychiater ter beantwoording van de vraag of de man ten tijde van het instellen van de echtscheidingsprocedure in staat was zijn wil te bepalen omtrent de door hem gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 51
FJR 2007, 92 met annotatie van I.J. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

JvdP

5 oktober 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600403

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 15 februari 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 april 2006, heeft de man verzocht de beschikking, waarvan beroep, te vernietigen, voorzover daarbij:

- een door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld;

- is bepaald dat de vrouw jegens de man gerechtigd is de bewoning en het gebruik van de echtelijke woning en de daarbij behorende inboedel gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voort te zetten;

- is afgewezen het verzoek van de man een door de vrouw te betalen vergoeding voor het voortgezet gebruik van die woning te bepalen;

en, opnieuw rechtdoende,

- de verzoeken van de vrouw in eerste aanleg met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud alsnog af te wijzen;

- te bepalen dat de man jegens de vrouw gerechtigd is de bewoning en het gebruik van de echtelijke woning en de daarbij behorende inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voort te zetten;

- te bepalen dat de vrouw voor de duur dat zij de echtelijke woning sedert 1 november 2005 alleen heeft bewoond een door haar aan de man te betalen bijdrage vast te stellen voor gebruik en bewoning van € 250,-- per maand.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 mei 2006, heeft de vrouw verzocht het door de man ingestelde hoger beroep af te wijzen. Bij wege van incidenteel appel heeft zij verzocht de door de man in eerste aanleg verzochte echtscheiding alsnog af te wijzen, met vernietiging van de beschikking, waarvan beroep.

2.3. Bij verweerschrift in het incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 9 juni 2006, heeft de man verzocht het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen, en de beschikking, waarvan beroep ten aanzien van de echtscheiding en de scheiding en deling in stand te laten.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord partijen in persoon en hun raadslieden.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift in principaal appel;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 3 februari 2006;

- de op 14 juli 2006 ontvangen brief met bijlagen van de procureur van de man.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De man heeft ter zitting zijn grieven met betrekking tot de door de vrouw te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning en de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud ingetrokken. Partijen zijn het ter zitting in hoger beroep er over eens geworden, dat een door de vrouw te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning dient te worden betrokken in de boedelscheiding in het geval dat de beslissing met betrekking tot de echtscheiding door het hof zal worden bekrachtigd.

4.2. Partijen zijn op 1 december 1995 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gegeven echt-scheidingsbeschikking, waarvan beroep, is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben geen thans nog minderjarige kinderen.

Echtscheiding

4.3. In eerste aanleg heeft de vrouw de door de man verzochte echtscheiding bestreden en aangevoerd dat geen sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen.

De rechtbank heeft beslist dat het huwelijk als duurzaam ontwricht moet worden aangemerkt, omdat, gelet op de stellingen van partijen en hun houding tijdens de mondelinge behandeling, als vaststaand aangenomen moet worden dat een verzoening tussen partijen is uitgesloten.

4.4. De vrouw heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep herhaalt zij haar stelling, dat geen sprake is van duurzame ontwrichting.

Zij voert daaromtrent aan -samengevat weergegeven- dat de man, die ernstig ziek is, reeds tijdens de samenleving van partijen psychotisch was tengevolge van medicatie, dat hij tengevolge van die medicatie, waaronder morfine, in combinatie met overmatig alcoholgebruik en hevige emoties kort voor zijn vertrek uit de echtelijke woning, in een zodanige psychose is geraakt dat hij niet meer in staat was zijn daden te overzien en dat de man toen en ook thans nog tengevolge van die psychose een verkeerd beeld van de werkelijkheid heeft. Dit alles heeft hem er toe heeft gebracht een verzoek tot echtscheiding in te dienen en zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te volharden in dat verzoek.

4.5. De man heeft die stellingen van de vrouw betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat tot aan het moment dat hij ziek werd, er sprake was van een harmonieus gezin, maar dat in die situatie verandering is gekomen vanaf het moment dat bekend werd dat de man leed aan een ernstige ziekte, die levensbedreigend is en waarvan de man niet zal genezen.

4.6. De man heeft, na zijn voor de gezinsleden onverwachte vertrek uit de echtelijke woning midden in de nacht, de vrouw ondermeer beschuldigd van overspel in het bijzijn van der partijen zoon, hetgeen aanleiding zou zijn geweest om te vertrekken uit de woning en een verzoek tot echtscheiding in te dienen.

4.6.1. Deze stelling van de man wordt niet bevestigd door de zoon en anderen, die ten tijde van het beweerdelijke overspel in de echtelijke woning van partijen aanwezig waren. Deze bewering van de man wordt ook overigens op geen enkele wijze ondersteund.

4.7. De man heeft voorts de vrouw er van beschuldigd een poging te hebben gedaan om hem te vergiftigen met gebruik- making van planten uit de tuin, hetgeen door de vrouw is betwist. De vrouw heeft gemotiveerd aangegeven dat zij geen verstand heeft van planten en juist de man en niet zij weet welke planten partijen in hun tuin hebben. Daarnaar gevraagd ter zitting in hoger beroep, heeft de man geen duidelijke verklaring kunnen geven waarop hij zijn verdenking baseert. De man heeft zelf aangegeven zijn stelling op dat punt niet hard te kunnen maken, doch hij heeft in weerwil daarvan volhard in zijn stelling.

4.8. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat de man op de middag voorafgaande aan zijn vertrek uit de echtelijke woning aan zijn werkgever, die op bezoek was, heeft medegedeeld, dat hij, gelet op zijn slechte gezondheid, blij was dat hij kon terugvallen op de vrouw en zijn kinderen.

4.8.1. De vrouw heeft tevens aangevoerd, dat de man op diezelfde dag voorafgaande aan zijn vertrek uit de woning haar een collier en een ring cadeau heeft gedaan als dank voor de goede verzorging die de vrouw de man gaf.

4.8.2. De man heeft ter zitting in hoger beroep de juistheid van die stellingen van de vrouw bevestigd. Voor de discrepantie tussen die gedragingen van de man en het later op die dag plotselinge vertrek uit de woning uit onvrede met de houding en de gedragingen van de vrouw heeft de man geen verklaring kunnen geven.

4.9. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw nog aangevoerd dat zij in verband met de 49ste verjaardag van de man op [datum verjaardag] -derhalve kort voor zijn vertrek uit de echtelijke woning- een groot feest voor hem heeft georganiseerd, waarbij de man een uiterst gelukkige indruk maakte. De vrouw heeft het hof ter zitting ter bevestiging van haar stelling op dit punt een foto van de man getoond die tijdens dat feest is gemaakt. De man heeft daarop niet gereageerd, ondanks dat het hof hem om een reactie heeft gevraagd.

4.10. De man heeft in het kader van de echtscheidingsprocedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld, dat de beide kinderen van partijen -de man heeft de kinderen van de vrouw geadopteerd- niet meer studeren, maar een betaalde baan hebben. De vrouw heeft zulks ontkend en ten bewijze van haar stelling dat die kinderen nog steeds studeren, een kopie van de collegekaart van de zoon overgelegd en verklaard geen nieuwe collegekaart van de dochter te kunnen overleggen, omdat haar collegekaart een heel jaar geldig is. De man heeft ter zitting in hoger beroep in weerwil van die collegekaarten en hetgeen door de kinderen daaromtrent schriftelijk is verklaard, vastgehouden aan zijn stelling dat de kinderen niet meer studeren.

4.11. Tussen partijen staat in hoger beroep voorts onweersproken vast dat ten tijde van het onaangekondigde vertrek van de man uit de echtelijke woning er sprake was van fors morfinegebruik bij de man in verband met zijn ziekte. Daarbij komt dat de man -naar de stelling van de vrouw- kort voor zijn vertrek uit de woning een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank heeft gebruikt, hetgeen door de zoon van partijen is bevestigd. De man heeft het gestelde alcoholgebruik in combinatie met morfinegebruik niet ontkend.

4.11.1. Bovendien stelt de vrouw dat de man op de avond voorafgaande aan zijn vertrek uit de woning te horen heeft gekregen, dat zijn moeder was overleden, op welke mededeling de man zeer emotioneel heeft gereageerd. Ook deze stelling van de vrouw heeft de man onweersproken gelaten.

4.12. De hiervoor vermelde omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, welke ter zitting in hoger beroep uitvoerig met partijen en hun raadslieden zijn besproken, hebben bij het hof de vraag opgeroepen of het door de man ingediende verzoek tot echtscheiding mogelijk is voortgekomen uit een al dan niet tijdelijke stoornis van zijn geestvermogens tengevolge waarvan hij toen niet in staat was zijn wil te bepalen.

4.13. Voorts is het hof, gelet op het verhandelde ter zitting in hoger beroep, van oordeel dat, indien de voormelde vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, tevens dient te worden beantwoord de vraag of er zich sedert de indiening van het verzoek tot echtscheiding een zodanige wijziging in de geestestoestand van de man heeft voorgedaan, dat hij thans wel in staat is zijn wil te bepalen.

4.14. Tot beantwoording van die vragen acht het hof zich vooralsnog onvoldoende in staat. Derhalve vindt het hof termen aanwezig om een deskundigenonderzoek door een psychiater te gelasten ter beantwoording van de hiervoor vermelde vragen. De man heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard aan een dergelijk onderzoek te willen meewerken.

4.15. Het hof stelt partijen voor als deskundige te benoemen de heer dr. N.J. de Mooij, psychiater, wonende te Velp, Jeruzalem 15, die zich bereid heeft verklaard het voormelde onderzoek te verrichten.

4.16. Aan het deskundigenonderzoek zijn kosten verbonden. Het door de deskundige begrote honorarium bedraagt

€ 1.000,-- inclusief BTW.

4.17. Alvorens tot benoeming van de deskundige over te gaan, dienen partijen in de gelegenheid te worden gesteld zich schriftelijk uit te laten over de vraag of zij kunnen instemmen met de benoeming als zodanig van de voorgestelde deskundige, bij welke gelegenheid zij het hof tevens kunnen berichten of zij kunnen instemmen met de aan het deskundigenonderzoek verbonden kosten en met de aan de deskundige te stellen vragen (zie 4.12. en 4.13.).

4.18. Indien uit het bericht van partijen volgt dat zij kunnen instemmen met de voorgestelde deskundige en met de door de deskundige begrote kosten, zal het hof bij latere beschikking overgaan tot benoeming van die deskundige en tot vaststelling van de door partijen te dragen kosten van het onderzoek, tenzij partijen het hof anders berichten.

Nu beide partijen procederen met een toevoeging zal het hof bij die latere beschikking in dat geval de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig in debet stellen, totdat definitief met betrekking tot de echtscheiding wordt beslist.

4.19. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen zich uiterlijk drie weken na de datum van deze beschikking schriftelijk zullen uitlaten met betrekking tot de hiervoor onder 4.17. gestelde vragen.

houdt iedere verdere beslissing aan tot 26 oktober 2006 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Bijleveld-van der Slikke en Schyns, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 oktober 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.