Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4483

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
R200600901
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft partijen ter zitting voorgehouden dat de kinderen slachtoffer worden van het gebrek aan communicatie tussen partijen en dat het voor de man en de vrouw in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat er onder leiding van een ervaren mediator bemiddelingsgesprekken zullen plaatsvinden. De partnerstrijd tussen partijen dient te worden beslecht voordat eventuele hulpverlening voor de kinderen mogelijk is. Het hof acht forensische conflictbemiddeling aangewezen, waarbij de bemiddeling voor partijen een verplicht karakter heeft.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 822
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/49

Uitspraak

BL

26 oktober 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600901

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Tussenbeschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. F.C.J.J. Jessen,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. M. Koppelmans – de Goey.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juli 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 2 augustus 2006, heeft de man verzocht voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voornoemde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I. de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man te bepalen;

II. een omgangsregeling te bepalen, waarbij met name rekening wordt gehouden met de zwaarwegende belangen van de minderjarige kinderen;

III. te bepalen, dat de man alleen met het gezag over de minderjarige kinderen wordt belast.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2006, heeft de vrouw verzocht het beroep van de man ongegrond te verklaren en voornoemde beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2006.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man bijgestaan door zijn advocaat mr. M.M.A.M. Op de Coul-Wösten;

- de vrouw bijgestaan door haar advocaat mr. M. Koppelmans-de Goey;

- de heer Van Seeters namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- de heer Van Iersel namens de Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting).

De minderjarige [C.] is in de gelegenheid gesteld zijn mening aan het hof kenbaar te maken in raadkamer buiten de aanwezigheid van de overige betrokkenen. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaande aan de mondelinge behandeling in hoger beroep gehoord. Het hof heeft, hetgeen [C.] heeft verklaard, kort samengevat aan de aanwezigen op de mondelinge behandeling medegedeeld.

De minderjarige [D.] en [E.] zijn behoorlijk opgeroepen, doch niet verschenen. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling hebben [D.] en [E.] hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondeling behandeling in eerste aanleg d.d. 30 juni 2006;

- de faxbrief van de advocaat van de man d.d. 9 augustus 2006;

- het eerste plan van aanpak van de stichting van 22 mei 2006, ingekomen ter griffie d.d. 10 augustus 2006;

- de brief met bijlage van de stichting d.d. 10 augustus 2006;

- de brief met bijlagen van de raad d.d. 11 augustus 2006, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2006;

- de brief met bijlage van de stichting van 24 juli 2006, ingekomen ter griffie d.d. 10 augustus 2006;

- de faxbrief van de advocaat van de vrouw d.d. 14 augustus 2006;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 16 augustus 2006;

- de brief van de stichting d.d. 23 augustus 2006;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 23 augustus 2006;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 6 september 2006 en 25 september 2006;.

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 28 september 2006;

- de faxbrief van de advocaat van de vrouw d.d. 3 oktober 2006;

- de brief van [E.] ingekomen ter griffie d.d. 3 oktober 2006 en de brief van [E.] door [C.] overgelegd tijdens het minderjarigenverhoor;

- de faxbrief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 4 oktober 2006;

- de brief van [D.] ingekomen ter griffie d.d. 5 oktober 2006 en de brief van [D.] door [C.] overgelegd tijdens het minderjarigenverhoor;

- de faxbrief van de advocaat van de vrouw d.d. 12 oktober 2006;

- de faxbrief van de advocaat van de man d.d. 12 oktober 2006.

2.5. Bij beschikking van 5 september 2006 heeft het hof het verzoek van de man tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij voorraad van de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, waarvan beroep, afgewezen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 26 september 1980 te Vught met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2005 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 21 november 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [C.], geboren te [geboortejaar];

- [D.] geboren te [geboortejaar];

- [E.] geboren te [geboortejaar].

Beide ouders zijn met het gezag over de kinderen belast. De kinderen zijn met ingang van 20 maart 2006 ondertoezicht gesteld van de stichting.

4.2. Bij beschikking van 23 juni 2004 in het kader van de voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de raad verzocht een zogeheten quick-scan onderzoek uit te voeren teneinde advies uit te brengen over de verblijfplaats van de kinderen. Daarbij heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man voorlopig, in afwachting van de quick-scan, belast wordt met de opvoeding en verzorging van de kinderen. Voorts is de definitieve beslissing inzake de omgangsregeling aangehouden met het verzoek aan de stichting Kompaan de voorlopige omgangsregeling van elke woensdagmiddag van 13.30 uur tot 15.30 uur te begeleiden.

Voorts heeft de rechtbank partijen verwezen naar de Raad voor de Rechtsbijstand teneinde met behulp van bemiddelingsgesprekken de onderlinge communicatie weer op gang te brengen.

Op 3 augustus 2004 heeft de raad voornoemd rapport uitgebracht. De raad adviseert de rechtbank om de verblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de man te bepalen.

Op 1 december 2004 heeft de rechtbank in de procedure voorlopige voorzieningen - naar aanleiding van de quick-scan inzake de toevertrouwing - de raad verzocht een vervolgonderzoek in te stellen naar de vraag aan wie van partijen de kinderen dienen te worden toevertrouwd en naar de mogelijkheden van een omgangsregeling.

Op 21 december 2004 heeft de rechtbank in vorenbedoelde procedure de raad voorts verzocht in het onderzoek tevens te betrekken de vraag welke gezagsvoorziening na echtscheiding het meest in het belang van de kinderen is.

Bij beschikking van 3 juni 2005 betreffende wijziging voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank voorlopig in afwachting van het advies van de raad tussen de vrouw en de kinderen een omgangsregeling vastgelegd.

Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank in afwijking van de raadsrapportage van 27 januari 2006 de hoofdverblijfplaats van [D.] en [E.] bij de vrouw bepaald en heeft inzake de uitoefening van het omgangsrecht de volgende voorlopige regeling vastgesteld:

de man is gerechtigd tot omgang met de minderjarigen [D.] en [E.] gedurende:

- een weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur;

- eens per veertien dagen een middag of avond, in overleg met de vrouw en de gezinsvoogd te bepalen;

- de helft van de schoolvakanties.

de rechtbank heeft de beslissing inzake de hoofdverblijfplaats van [C.] en de definitieve beslissing inzake de omgangsregeling aangehouden tot de zitting van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 februari 2007.

4.3. De rechtbank heeft ten aanzien van het gezag overwogen dat het van groot belang is dat beide ouders zijn betrokken bij de hulpverlening aan de kinderen. Dit zal aanzienlijk beter verlopen wanneer beide ouders het gezag hebben.

Ten aanzien van het hoofdverblijf heeft de rechtbank overwogen dat beide ouders in staat zijn de kinderen op een goede wijze een hoofdverblijf te bieden, doch dat de kinderen, wanneer zij bij de vrouw zouden wonen, met beide ouders kunnen opgroeien, terwijl te vrezen valt dat de kinderen wanneer zij bij de man wonen, nauwelijks een band en contact met hun moeder zullen hebben. Derhalve heeft de rechtbank, in afwijking van het advies van de raad, het hoofdverblijf van de kinderen [D.] en [E.] bij de vrouw bepaald. Gelet op de verstoorde verhouding van [C.] en zijn moeder, acht de rechtbank het in het belang van [C.] dat hij voorlopig zijn hoofdverblijfplaats bij de man houdt, zodat in alle rust gewerkt kan worden aan het herstel van de relatie met zijn moeder.

Ten aanzien van de omgang acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij met hun beide ouders een ruim contact hebben. De rechtbank heeft ten aanzien van [C.] het advies van de raad gevolgd, inhoudende dat thans geen vaste omgangsregeling zal worden bepaald teneinde hem ruimte te bieden om zichzelf, met hulp, te hervinden in de relatie met zijn moeder.

4.4. In zijn beroepschrift en ter zitting stelt de man dat de hoofdverblijfplaats van [D.] en [E.] niet bij de vrouw moet zijn. De rechtbank heeft in haar beschikking beslist in afwijking van een zeer uitgebreid en grondig advies van de raad, waarbij met name werd voorgesteld de man alleen met het gezag te belasten en het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen.

De man acht het bepaald onwaarschijnlijk, dat in de mogelijkheden van de opvoeding van de kinderen door de vrouw zich ineens grote verbeteringen zouden voordoen. Naar de mening van de man mogen de kinderen niet nog eens blootgesteld worden aan en de dupe worden van een machtstrijd van de vrouw. Uiteraard zal de man het contact van de kinderen met de vrouw niet tegengaan, omdat dit voor de kinderen van belang is. De man heeft veel hulpverlening ingeschakeld en wil er alles aan doen om het voor de kinderen zo goed mogelijk te maken.

De man ondersteunt geheel de omgangsregeling van woensdagmiddag en in de weekenden en heeft zich ter zitting onvoorwaardelijk akkoord verklaard met de door de vrouw voorgestelde vakantieregeling.

Mocht het hof beslissen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben, dan wenst de man een zodanige omgangsregeling waarbij hij voor een groot deel ook voor de kinderen kan zorgen.

4.5. In haar verweerschrift en ter zitting stelt de vrouw dat zij gedurende het onderzoek van Fora nog deels in het ziekenhuis verbleef en in ieder geval op dat moment ernstig ziek en verzwakt was en veel zware medicijnen slikte hetgeen een gedragsbeïnvloeding teweegbracht.

De vrouw is nu in staat om te laten zien dat zij ook in staat is tot hetgeen zij in de afgelopen jaren altijd heeft aangegeven, namelijk met de man constructieve gesprekken aan te gaan over de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Uit alles blijkt volgens de vrouw dat zij vanaf de datum dat de kinderen bij haar verblijven de man volledig betrekt in de leefwereld van de kinderen en de man ook alle ruimte biedt om zijn vaderrol in dit kader te vervullen.

De vrouw heeft gedurende de afgelopen jaren aangegeven dat zij graag in overleg met de man en samen met de man zo goed als mogelijk de opvoeding ter hand wilde nemen. Zij heeft in eerste instantie ook geopteerd voor co-ouderschap. De vrouw geeft aan dat zij alle bereidheid heeft om een uiteindelijke omgangsregeling vast te stellen tussen de man en de kinderen die ook de man de gelegenheid geeft om een deel van de opvoedingstaken op zich te nemen indien de man bereid is tot overleg met de vrouw hierin.

4.6. Namens de stichting heeft de heer van Iersel ter zitting gesteld dat sprake is van een zorgelijke situatie bij alle drie de kinderen. Er is sprake van een impasse die doorbroken moet worden. Wil hulpverlening aan de kinderen kans van slagen hebben, dan dienen de ouders eerst de partnerstrijd te staken. Zijn de ouders daartoe niet bereid en kan dientengevolge de hulpverlening aan de kinderen niet opgestart worden, dan zou plaatsing van de kinderen op een neutrale plek aan de orde kunnen komen.

4.7.1. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht overweegt het hof als volgt.

Ter zitting is gebleken dat de onderlinge communicatie van partijen zeer te wensen overlaat en dat zij elkaar als ouder niet, althans onvoldoende, respecteren. Het hof is gebleken dat partijen elkaar op partnerniveau voortdurend verwijten maken over en weer, toegespitst op het handelen van de ander. Zij slagen er hierbj niet in om het welzijn van hun kinderen voorop te stellen. Partijen dienen evenwel te beseffen dat zij daarin – in het belang van de kinderen – verandering dienen te brengen. Het hof heeft hen dan ook ter zitting voorgehouden dat de kinderen slachtoffer worden van het gebrek aan communicatie tussen partijen en dat het voor de man en de vrouw in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat er onder leiding van een ervaren mediator bemiddelingsgesprekken zullen plaatsvinden. De partnerstrijd tussen partijen dient te worden beslecht voordat eventuele hulpverlening voor de kinderen mogelijk is. Het hof acht forensische conflictbemiddeling aangewezen, waarbij de bemiddeling voor partijen een verplicht karakter heeft. In eerste aanleg zijn partijen reeds verwezen naar de Raad voor de Rechtsbijstand teneinde door middel van (vrijwillige) bemiddeling communicatieverbetering tussen hen te bewerkstelligen, doch partijen zijn er niet in geslaagd dit traject daadwerkelijk in te gaan.

4.7.2. De forensische conflictbemiddelaar zal gesprekken met partijen dienen te voeren teneinde de communicatie tussen hen weer op gang te brengen en te trachten het wantrouwen van partijen ten opzichte van elkaar weg te nemen. De forensische conflictbemiddeling strekt mede tot doel om te komen tot afspraken omtrent de geschilpunten van partijen met betrekking tot het gezag over de (drie) kinderen, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het tot stand brengen van een (uitgebreide) omgangsregeling. Partijen zijn ter zitting akkoord gegaan met de door het hof voorgestelde forensische conflictbemiddeling.

Na de zitting hebben de advocaten van partijen bij faxbrief van 12 oktober 2006 het hof verzocht mr. L. Stam, mediator te ’s-Hertogenbosch, te benoemen tot forensisch mediator. Na telefonisch contact op 13 oktober 2006 heeft mr. Stam zich bereid verklaard de opdracht tot bemiddeling te aanvaarden.

4.7.3. Het hof zal mr. L. Stam, forensisch conflictbemiddelaar te ’s-Hertogenbosch benoemen tot deskundige met de opdracht bemiddelingsgesprekken met partijen te voeren. Het hof zal voorts het voorschot op de kosten van de deskundige, tevens, zo enigszins mogelijk, het maximale honorarium, vaststellen op € 3.500,-- (inclusief BTW). Dit voorschot zal door partijen bij helfte dienen te worden gedragen, hetgeen het hof reeds ter zitting aan partijen heeft medegedeeld.

Aan de vrouw wordt geen voorschot opgelegd, nu aan haar een toevoeging is verleend.

4.7.4. Partijen hebben (nog) geen overeenstemming bereikt over de definitieve verdeling van de kosten welke verband houden met de forensische conflictbemiddeling.

4.7.5. De deskundige dient aan het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van de bemiddelingsgesprekken.

4.7.6. Bij deze tussenbeschikking zijn een informatieblad voor deskundigen en regels geldende voor een deskundigenonderzoek gevoegd.

4.7.7. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.8. Ten aanzien van de omgang tussen de kinderen en partijen gaat het hof ervan uit dat de thans geldende voorlopige regeling wordt gehandhaafd. Van deze omgangsregeling kan in overleg met de heer Van Iersel van de stichting afgeweken worden.

5. De beslissing

bepaalt dat een deskundigenonderzoek in de vorm van forensische conflictbemiddeling zal worden verricht met de in rechtsoverweging 4.7.2. geformuleerde opdracht;

benoemt hierbij tot deskundige mr. L. Stam, advocatenkantoor Van der Kruijs, Prins Bernhardstraat 1, 5211 HE ’s-Hertogenbosch, tel: 073-6122266;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van het hof;

verzoekt de deskundige tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek zal aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot van de man is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op vier maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 3.500,-- (inclusief BTW) tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;

bepaalt dat de griffier een specificatie van het voorschot bij het afschrift van deze beschikking meezendt aan de procureurs van partijen;

verstaat dat aan de vrouw geen voorschot wordt opgelegd, nu aan deze partij een toevoeging is verleend en stelt dit gedeelte van het voorschot in debet;

bepaalt dat de man € 1.750,-- overmaakt naar rekeningnummer 19.23.25.787 ten name van Arrondissement 536 te ’s-Hertogenbosch onder vermelding van het rekestnummer;

verzoekt de deskundige, indien de kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig te berichten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze tussenbeschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van deze tussenbeschikking (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen verzoeken;

bepaalt dat het de deskundige vrij staat in het uit te brengen verslag al datgene op te merken wat naar haar inzicht dienstig kan zijn, óók indien dit niet rechtstreeks uit de opdracht voortvloeit;

benoemt mr. Smeenk – van der Weijden tot raadsheer – commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verstaat dat de thans geldende omgangsregeling wordt gehandhaafd zoals overwogen in rechtsoverweging 4.8.;

houdt in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk – van de Weijden, Raab en Vlaardingerbroek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.