Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4169

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
20-004111-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen moord, meermalen gepleegd; levenslang voor opdrachtgever koelbloedige liquidatie van drie drugskoeriers; verwerping bewijsverweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004111-04

Uitspraak : 12 december 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 oktober 2004 in de strafzaak met parketnummer 01-039048-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, met dien verstande dat het gerechtshof hierna tevens voor de overige, door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten, gelet op artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, na te melden beslissing zal nemen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd onder 1 primair en verdachte deswege zal veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging, voorzover thans nog van belang, over.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 februari 2003 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, kogels in de hoofden en lichamen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en in het hoofd van die [slachtoffer 3] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot de hiervoor bewezen verklaarde feiten overweegt het hof het navolgende.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - op gronden als in de pleitnota aangevoerd - gesteld dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring voor de aan verdachte onder 1 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde feiten te komen.

A.1.

Allereerst is zijdens verdachte het verweer gevoerd dat hij geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van de drie Nederlandse drugsleveranciers.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zelf niet heeft geschoten en dat hij ook niet in de woning aanwezig is geweest toen de schoten vielen. Voorts heeft verdachte geen opdracht gegeven aan de medeverdachte om deze personen om het leven te brengen.

A.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde feiten genoegzaam wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de, in de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

B.1.

In de kern steunt het oordeel van het hof dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1], de verklaringen van de getuige [getuige 1], alsmede op de verklaringen van de getuige [getuige 2].

Uit deze bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, leidt het hof het volgende af.

Op zaterdag 22 februari 2003 zijn verdachte, de medeverdachte [medeverdachte 1] en [getuige 1] in twee auto’s naar Nederland gereden voor het uitvoeren van een zogenaamde ripdeal, dit naar aanleiding van een eerder mislukte drugsdeal in juni 2002. Het oorspronkelijke plan was om XTC-pillen te kopen en te betalen met vals geld. Verdachte had voor dat doel valse eurobankbiljetten meegenomen. [getuige 1] zou als koerier de XTC-pillen naar Duitsland brengen. Ingeval de Nederlandse leveranciers het valse geld zouden herkennen, zou [medeverdachte 1] hen met een pistool bedreigen.

In Nederland aangekomen heeft verdachte diverse contacten met verschillende personen gehad om de deal rond te krijgen. Het was aanvankelijk de bedoeling dat de overdracht van de XTC-pillen in de open lucht zou plaatsvinden. Dit laatste vond geen instemming.

[medeverdachte 1] heeft in Duitsland tegenover de politie verklaard dat verdachte op

24 februari 2003 een nieuw plan had uitgedacht, omdat de Nederlandse leveranciers de verdovende middelen niet naar een door verdachte te bepalen plaats wilden brengen. [medeverdachte 1] moest daarom de Nederlandse leveranciers doden en hij kreeg daarvoor door verdachte geld geboden. Over de prijs is onder meer op 25 februari 2003 onderhandeld (pag. 230, ordner 2). Verdachte bood eerst een bedrag van EUR 5.000,--, daarna EUR 10.000,-- en uiteindelijk lag het bod op EUR 25.000,--. De volgende ochtend heeft verdachte nog EUR 5.000,-- extra geboden, met welk bod [medeverdachte 1] uiteindelijk heeft ingestemd. [medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat [getuige 1] bij de onderhandelingen aanwezig was. Hij, [medeverdachte 1], en verdachte hebben elkaar, net als bij het sluiten van een contract, de hand gegeven en [getuige 1] heeft deze handdruk ter bezegeling doorgeslagen.

Deze verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] vindt naar het oordeel van het hof steun in de verklaring van [getuige 1] waarin deze stelt dat verdachte en [medeverdachte 1] in Nederland herhaaldelijk over geldbedragen hebben gesproken en dat hij een gesprek heeft gehoord over “twentyfive” (pag. 77, ordner 3). Ter gelegenheid van een later verhoor verklaart [getuige 1] dat dat gesprek op 25 februari 2003 heeft plaatsgevonden (pag. 131, ordner 3). Verder heeft [getuige 1] verklaard iets te hebben opgevangen over “twentyfivethousand” en dat verdachte en [medeverdachte 1] elkaar de hand hebben geschud en dat hij die handdruk heeft doorgeslagen (verhoor te Duitsland in het bijzijn van een Nederlandse rechter-commissaris en de raadsvrouw van verdachte d.d.

5 september 2005).

B.2.

Anders dan de verdediging acht het hof niet aannemelijk dat de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn verklaringen heeft afgestemd op die van de getuige [getuige 1] en dat [getuige 1] in opdracht of onder druk van derden zijn verklaringen heeft afgelegd. De (bekennende) verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaringen van [getuige 1] zijn naar het oordeel van het hof op dit punt dermate concreet en authentiek dat het hof deze verklaringen betrouwbaar acht. Ook overigens is uit het dossier onvoldoende gebleken dat enige druk op deze getuige is uitgeoefend om anders dan naar waarheid te verklaren. Het hof acht deze verklaringen aldus geloofwaardig.

B.3.

Voorts vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] steun in de verklaringen van [getuige 2], zoals hij die op 10 maart 2004 tegenover de politie in Berlijn en op 22 juli 2004 in het bijzijn van een Nederlandse rechter-commissaris en de toenmalige raadsman van verdachte heeft afgelegd. [getuige 2] heeft in de gevangenis van [betrokkene 1] vernomen dat de Rus (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) is meegegaan naar Nederland en dat hij de Nederlanders moest vermoorden. De Turk (het hof begrijpt: verdachte) zou hiervan op de hoogte zijn. [medeverdachte 1] zou daarvoor van de Turk een bedrag van EUR 30.000,-- ontvangen. De Turk had hem EUR 30.000,-- geboden.

Het hof hecht ook betekenis aan deze verklaringen van de getuige [getuige 2]. Hoewel [getuige 2] niet uit eigen wetenschap verklaart, is de van [betrokkene 1] ontvangen informatie dermate concreet, dat het hof het ervoor houdt dat deze informatie afkomstig moet zijn van één van de personen die bij de onderhandelingen en de moorden aanwezig is geweest.

C.

Gelet op het vorenstaande is het hof de overtuiging toegedaan dat verdachte van te voren bekend was met het feit dat [medeverdachte 1] op 26 februari 2003 de personen die aanwezig zouden zijn in de woning [adres] te [woonplaats], zou gaan doden. Er is sprake geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, waarbij verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld door met de medeverdachte –al dan niet in opdracht van een ander of anderen- te onderhandelen over de prijs die hij voor de moorden zou ontvangen. Reeds uit het gegeven dat tussen 24 en 26 februari 2003 afspraken zijn gemaakt over de moorden, leidt het hof af dat sprake is geweest van een periode van kalm beraad en rustig overleg voor er door de medeverdachte [medeverdachte 1] uitvoering is gegeven aan de eerder met verdachte gemaakte afspraken.

De overige verweren van de verdediging behoeven naar het oordeel van het hof geen verdere bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 primair is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289, juncto artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1, juncto artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, op grond waarvan niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan de hierna te melden onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, in aanmerking genomen.

Verdachte is als medepleger betrokken geweest bij de moord op drie personen op 26 februari 2003. Vooral de wijze waarop de drie slachtoffers om het leven zijn gebracht, zij zijn van zeer dichtbij door de medeverdachte door het hoofd geschoten en twee van hen hebben ook een nekschot gekregen, acht het hof weerzinwekkend. Er is sprake geweest van een koelbloedige liquidatie.

Verdachte heeft bij dit alles een belangrijke rol gespeeld door met de medeverdachte te onderhandelen over de prijs die hij zou ontvangen voor de moorden.

Door dit handelen is aan de partners, familieleden en vrienden van de slachtoffers een immens en onherstelbaar leed aangedaan.

Dat de moorden op de vroege avond in een woonwijk gepleegd, in de samenleving gevoelens van afgrijzen, angst en onveiligheid teweeg gebracht, behoeft geen betoog.

Gezien de berekende en koelbloedige wijze waarop verdachte –hij heeft hierover immers met de medeverdachte [medeverdachte 1] onderhandeld- tot de opdracht is gekomen om de leveranciers van de XTC-pillen te doden, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte in staat is om ook in de toekomst een soortgelijk feit te begaan. Voorkomen moet worden dat verdachte ooit nog de gelegenheid krijgt om een ander op deze of andere wijze van het leven te beroven.

Gelet op het vorenstaande volstaat naar het oordeel van het hof geen andere sanctie dan een levenslange gevangenisstraf. Het hof heeft in hetgeen naar voren is gekomen omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte noch in zijn opstelling tijdens het strafproces aanknopingspunten gevonden voor een andere beslissing.

Het hof zal, gelet op artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, ten aanzien van de niet aan zijn oordeel onderworpen door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten, bepalen dat in verband met de hierna op te leggen straf, geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 primair bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van moord, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot levenslange gevangenisstraf.

Bepaalt dat aan de veroordeelde voor de niet aan het oordeel van het hof onderworpen bewezen verklaarde en gekwalificeerde feiten, bij inleidende dagvaarding onder parketnummer 01-039048-03 onder 2 en onder 3 ten laste gelegd, geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. A. de Lange,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 12 december 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.