Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4049

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
11-12-2006
Zaaknummer
C05/00307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd, kort gezegd, de hoofdelijke veroordeling van [naam 2] en [appellant] tot vergoeding van haar netto loonbetalingen aan [werknemer] met reïntegratiekosten en rente. Werknemer was na burenruzie volledig arbeidsongeschikt geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0500307/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 5 december 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant,

procureur: mr. M.C.W. van der Zanden,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE],

voorheen geheten [naam],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 januari 2005 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Roermond tussen appellant, [appellant], alsmede [naam 2] als gedaagden en geïntimeerde, [geïntimeerde], als eiseres onder zaaknummer 51256/HA ZA 02-506 gewezen vonnissen van 30 juli 2003 en 27 oktober 2004.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van deze vonnissen is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn beroep tegen het vonnis van 30 juli 2003 ingetrokken, tegen het vonnis van 27 oktober 2004 twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis van 30 juli 2003 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep van deze feiten uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [geïntimeerde] is werkgeefster van [werknemer].

b) [werknemer] en [appellant] zijn buren (geweest).

c) Op 7 augustus 2001 omstreeks 3.30 uur werd ten huize van [appellant] geluidsoverlast veroorzaakt, waarover [werknemer] bij [appellant] is gaan klagen.

d) [werknemer] is na een woordenwisseling door [appellant] het huis uitgeduwd. [werknemer] is van buitenaf met zijn rechterarm in aanraking met de ruit van de voordeur gekomen, waardoor hij een slagaderlijke bloeding heeft opgelopen. Verderop is [werknemer] door [appellant] geslagen en door [naam 2] met een bier fles op het hoofd geslagen.

e) [naam 2] is in verband hiermee strafrechtelijk veroordeeld wegens poging tot doodslag. [appellant] is veroordeeld wegens mishandeling door het slaan en vrijgesproken van mishandeling door het gooien met de deur met de slagaderlijke bloeding als gevolg.

f) [werknemer] is als gevolg van de slagaderlijke bloeding volledig arbeidsongeschikt geraakt. [geïntimeerde] heeft hem zijn loon door betaald.

4.3 In deze procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd, kort gezegd, de hoofdelijke veroordeling van [naam 2] en [appellant] tot vergoeding van haar netto loonbetalingen aan [werknemer] met reïntegratiekosten en rente. Bij vonnis van 30 juli 2003 heeft de rechtbank de vordering jegens [naam 2] afgewezen en aan [appellant] een bewijsopdracht verstrekt. Nadat getuigen waren gehoord heeft de rechtbank bij vonnis van 27 oktober 2004 de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellant] grotendeels toegewezen. Dit hoger beroep betreft alleen het laatste vonnis.

4.4 In het vonnis van 30 juli 2003 heeft de rechtbank de standpunten van partijen weergegeven met betrekking tot de oorzaak van de slagaderlijke bloeding van [werknemer] en daarbij de passages uit het proces-verbaal van de politie aangehaald waarop zij zich over en weer ter ondersteuning van hun standpunten beroepen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat niet zonder meer vaststaat dat [appellant], voor wat betreft het voorval bij de voordeur, jegens [werknemer] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt te bewijzen dat de slagaderlijke bloeding van [werknemer] te wijten is aan een gedraging van [appellant] (r.o. 6.9). [geïntimeerde] is toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat [appellant] als de veroorzaker van de slagaderlijke bloeding van [werknemer] kan worden aangemerkt. Tegen dit vonnis zijn geen grieven gericht, zodat het bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt strekt.

4.5 [geïntimeerde] heeft als getuigen doen horen [werknemer], diens toenmalige echtgenote [getuige 1] en een neef van [appellant], [getuige 2]. In contra-enquête is [appellant] zelf gehoord. Bij conclusie na enquête heeft [geïntimeerde] een brief van 7 juni 2004 van forensisch geneeskundige [geneeskundige] in het geding gracht waarin deze ingaat op de mogelijke oorzaak van het letsel van [werknemer].

4.6 In het vonnis van 27 oktober 2004 heeft de rechtbank onder 2.2 overwogen, kort samengevat, dat de cruciale vraag in verband met de aan [geïntimeerde] verstrekte bewijsopdracht is of

(a) [werknemer] de voordeur tegen zijn arm/hand heeft aangekregen toen hij zijn arm opstak ter afwering van de deur toen die door [appellant] werd dichtgesmeten,

dan wel

(b) [werknemer] met zijn vuist door de voordeurruit van [appellant] heeft geslagen.

Tegen dit uitgangspunt zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof hiervan uitgaat.

4.7 Grief I richt zich tegen de waardering van het geleverde bewijs en het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] in het bewijs is geslaagd. Grief II betreft de toewijzing van de vordering en heeft gelet op de toelichting erop naast grief I geen zelfstandige betekenis.

4.8 Getuige [werknemer] heeft verklaard overeenkomstig scenario (a) en deze getuigenverklaring wordt bevestigd door die van zijn toenmalige echtgenote. Aan getuige [getuige 2] is de passage uit het proces-verbaal van de politie voorgehouden waarin hij verklaart: "Later die nacht hoorde ik van [[appellant]] dat [[werknemer]] had geprobeerd de deur tegen te houden toen [appellant] die dicht gooide. Ik dacht in elk geval dat ik dat van [appellant] hoorde, maar ik weet dat niet zeker. Het kan ook door iemand anders zijn gezegd." Bij het getuigenverhoor verklaart hij daarover dat hij niet meer weet van wie hij dat gehoord heeft. Dàt hij dit toen zo heeft horen zeggen wordt door hem niet ontkend, zodat zijn verklaring eveneens steun biedt voor scenario (a). [appellant] heeft in contra-enquête verklaard overeenkomstig scenario (b).

4.9 In zijn toelichting op grief I merkt [appellant] op dat de getuigenverklaringen van [werknemer] en [getuige 1] weliswaar formeel geen partijgetuigenverklaringen zijn, maar materieel wel als zodanig kunnen worden gezien. Hij wijst erop dat [werknemer], en ook [getuige 1], een rechtstreeks eigen belang bij de uitkomst van de procedure hebben. Wat betreft [werknemer] heeft [appellant] gesteld dat deze voornemens is een procedure tot schadevergoeding tegen hem te entameren. Dit laatste is door [geïntimeerde] niet betwist, zodat van de juistheid van deze stelling uitgegaan dient te worden. Dit gegeven brengt op zich niet mee dat [werknemer] in de onderhavige procedure gelijk te stellen is met een partijgetuige, zoals [appellant] wil, maar leidt er wel toe dat de verklaring van [werknemer] met enige terughoudendheid wordt gebruikt. Hetzelfde geldt vanzelfsprekend ook voor de getuigenverklaring van [appellant] zelf. Voor een dergelijke terughoudendheid is geen aanleiding ten aanzien van de verklaring van getuige [getuige 1] nu niets is gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat zij enig belang heeft bij de uitkomst van de onderhavige procedure.

4.10 Met de afgelegde verklaringen, gehanteerd op de wijze als hiervoor aangegeven, is naar het oordeel van het hof door [geïntimeerde] voldoende bewijs geleverd voor scenario (a), terwijl het door [appellant] geleverde tegenbewijs daartegen niet opweegt. Dat betekent dat [geïntimeerde] heeft voldaan aan de haar verstrekte bewijsopdracht.

4.11 In zijn toelichting op grief I gaat [appellant] in op de door de rechtbank gevolgde redenering ten aanzien van het bewijs. Verder komt [appellant] daarin op tegen de betekenis die de rechtbank heeft toegekend aan verklaringen over de plaats waar (het meeste) glas is aangetroffen en aan de brief van [geneeskundige] die hiervoor onder 4.7 is aangeduid. Dit een en ander kan in het midden blijven aangezien het hof op de hiervoor aangegeven gronden ten aanzien van de bewijslevering tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank. Dit brengt ook mee dat het bewijsaanbod van [appellant] dat specifiek betrekking heeft op (het weerleggen van) de opvatting van [geneeskundige] als niet relevant wordt gepasseerd.

4.12 Voor het overige zijn door [appellant] geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden zodat ook zijn algemene bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd.

4.13 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de grieven worden verworpen zodat het vonnis van 27 oktober 2004 bekrachtigd zal worden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 27 oktober 2004 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op E. 600,= aan verschotten en op E. 1.158,= aan salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 december 2006.