Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3975

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
C200401075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval, vorderingen ex art 6:108 BW afgewezen (behoefte onvoldoende onderbouwd, over kosten lijkbezorging was er al schikking, overigens geen kosten cfm art. 6:108 BW) ten overvloede en voorlopig oordeel dat de werkgever niet heeft voldaan aan zorgplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0401075/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 3 oktober 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 7 juli 2004,

procureur: mr. R.A.F. Willems,

tegen:

de besloten vennootschap [Y.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. E.A. Leeman,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton locatie ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 8 april 2004 tussen appellante - [X.] - als eiseres en geïntimeerde - [Y.] – als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 310909/5708/03)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 15 januari 2004.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [X.] vier grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de gewijzigde vordering van [X.] met veroordeling van [Y.] in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

[X.] heeft een akte vermeerdering van eis genomen.

[Y.] heeft een antwoordakte na akte vermeerdering van eis genomen.

Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de betreffende memorie.

4. De beoordeling

4.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

4.1.1. [A.], zoon van [X.], was in 1996/97 en, na afwezigheid wegens een operatie, vanaf 29 januari 1998 op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam voor [Y.]. Aanvankelijk werkte hij in loods 17-18, vanaf 17 augustus 1998 werkte hij in een nieuwe loods, hal 20-21.

Op 27 augustus 1998 was [A.] aan het werk met een radiografisch bestuurde bovenloopkraan, waarmee hij pakketten stalen platen verplaatste. Bij een ongeval tijdens zijn werkzaamheden is hij door stalen platen doodgedrukt.

4.1.2. De arbeidsinspectie heeft terzake het ongeval een proces-verbaal opgemaakt, dat is gesloten en ondertekend op 11 maart 1999.

4.1.3. Op verzoek van [X.] heeft in 2002 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.

4.1.4. [Y.] heeft - zonder erkenning van enige schuld - fl. 13.775,45 voldaan na een verzoek van [X.] dat bedrag, conform een volgens [X.] gedane toezegging van een vertegenwoordiger van [Y.], te voldoen terzake de kosten van de begrafenis. Daarna heeft de raadsman van [X.] aan [Y.] bij brief van 30 november 1999 geschreven: “Cliënte acht het geschil naar genoegen opgelost”.

4.1.5. Bij brief van 25 maart 2003 heeft de raadsman van [X.] aanspraak gemaakt op vergoeding van schade terzake -levensonderhoud van [X.] tot maart 2003;

-resterende begrafeniskosten (grafsteen);

-de kosten van de verklaring van erfrecht;

-kleding voor de begrafenis;

-schulden T. (het hof begrijpt:) [A.];

-wekelijks kaarsen en bloemen;

-kopieën rapporten;

-kopieën politiefoto’s;

-telefoonkosten;

-eigen bijdrage advocaat en kosten rechtsbijstand.

4.2.1. [X.] heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd.

Het dodelijke ongeval is [A.] overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. [Y.] heeft niet voldaan aan haar zorgplicht als werkgever, bedoeld in art. 7:658 BW:

[A.] was nog maar 8 dagen werkzaam met de mobiele kraan. Hij had onvoldoende ervaring om deze (zonder begeleiding) te bedienen. Voorts was er onvoldoende ruimte tussen de rijen pallets (slechts 45 cm) om goed met de afstandsbediening te kunnen manoeuvreren en bij calamiteiten een veilig heenkomen te vinden. De ruimte was ook te nauw om de situatie goed in te schatten. Er was geen contact met de overige medewerkers mogelijk ter zake het transport.

Bij conclusie van repliek heeft [X.] hier nog aan toegevoegd dat na het ongeval nadere richtlijnen met betrekking tot de besturing van kranen zijn opgesteld en dat kranen zijn aangepast, zodat de situatie veel veiliger is geworden.

4.2.2. [X.] stelt dat [Y.] jegens haar aansprakelijk is op grond van art. 6:108 BW. Dat betreft (na vermeerdering van eis bij conclusie van repliek) de volgende schadeposten (tot een totaalbedrag van € 17.914,85):

-levensonderhoud tot augustus 2003 ([A.] droeg bij in het levensonderhoud van [X.] door de nodige werkzaamheden voor zijn rekening te nemen en op te treden als chauffeur, maandelijks te waarderen op fl. 200,--);

-levensonderhoud voor de toekomst (tot [X.] 65 jaar is, gekapitaliseerd);

-resterende begrafenis kosten (onder meer voor een graf-steen);

-de kosten van de verklaring van erfrecht;

-kleding voor de begrafenis;

-schulden [A.];

-wekelijks kaarsen en bloemen;

-kopieën rapporten;

-kopieën politiefoto’s;

-telefoonkosten;

-eigen bijdrage advocaat en kosten rechtsbijstand.

4.3. [Y.] stelt dat zij het ongeval betreurt. Zij ontkent aansprakelijkheid. In dat verband verwijst zij naar het rapport van de arbeidsinspectie en naar het gegeven dat de arbeidsinspectie noch officier van justitie haar, [Y.], een verwijt maken. [Y.] heeft nog verwezen naar de algemene instructie voor kraanbediendes, gesteld dat een aantal door [X.] gestelde factoren niet dui-delijk of relevant is, en ontkend dat kranen of instruc-ties (wezenlijk) gewijzigd zijn.

[Y.] heeft ontkend dat [X.] met [A.] in gezinsverband samenleefde en [X.]s’ behoeftigheid terzake de gevorderde kosten ontkend, heeft gesteld dat de kosten van lijkbezorging met de onder 4.1.4 vermelde betaling voldaan zijn en heeft ook de overige posten betwist.

4.4. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, na daartoe te hebben overwogen dat uit het rapport van de Arbeidsinspectie geen andere gevolgtrekking is te maken dan dat [Y.] heeft voldaan aan haar verplichting de bedrijfsvoering zo in te richten als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt en dat een voldoende aanbod van [X.] tot het leveren van tegenbewijs ontbreekt.

4.5. Tegen deze beslissing en overwegingen richten de grieven zich.

4.6.1. Het hof heeft de indruk dat het [X.] niet louter om voldoening van haar materiële schade te doen is, maar mede (of misschien ook vooral) om het verwerven van inzicht wat betreft de toedracht van het ongeval en om de vaststelling of de werknemer en/of de werkgever enig verwijt treft terzake het ongeval.

4.6.2. Het hof kan zich over de kwestie van de aansprakelijkheid niet ten gronde buigen, omdat het op na te noemen gronden van oordeel is dat de verschillende schadeposten moeten worden afgewezen.

Anders dan de kantonrechter is het hof echter – dit dus geheel ten overvloede – vooralsnog van oordeel dat de omstandigheden van het geval veeleer wijzen in de rich-ting dat [Y.] niet alle redelijkerwijs nodige inrichting van werktuigen of gereedschappen heeft voorzien en/ of maatregelen heeft getroffen en/of aanwijzingen verstrekt om te voorkomen dat [A.] schade zou treffen en dat, zou de aansprakelijkheidsvraag ten gronde beoordeeld moeten worden, een nader onderzoek zou moeten plaatsvinden in het kader van het bewijsaanbod van [Y.].

Wat betreft die omstandigheden van het geval, in het bijzonder blijkend uit rapportage arbeidsinspectie en de verklaring van [B.] in het voorlopig getuigenverhoor, acht het hof met name van belang dat vooralsnog aannemelijk is

- dat [A.] sinds 8 werkdagen een kraan bediende die qua bediening en werkwijze enigszins afweek van de eerder door hem bediende kraan/kranen;

- dat zijn opleiding met die specifieke nieuwe kraan in wezen bestond uit zelfstandig werken ter plekke met begeleiding en beoordeling door een ervaren kraanbediende, maar dat er niet apart geoefend is (pv arb. insp. p.13);

- dat er ten tijde van het ongeval geen criteria waren voor de beoordeling van een kraanbediende, maar dat ten tijde van het opstellen van het rapport van de Arbeidsinspectie gewerkt werd aan een “opleidingsplan kraanbediende” (reeds geadviseerd in een Risicoinventarisatie en evaluatie van 1995)(bijlage 15 pv arb. insp.)

- dat [Y.] wel heeft gesteld dat er een algemene in-structie was over het achter de kraan met last aanlopen (W I nr. 09.108), bevestigd door [B.], (o.m. pv arb.insp. p. 11), die ook verklaart dat “er” een lijst met aandachtspunten hangt, maar dat onvoldoende is gesteld over de naleving van die instructie in deze of andere loodsen en/of van controle op die naleving;

- dat het ongeval heeft plaatsgevonden terwijl en omdat [A.] zich bevond in de nauwe ruimte tussen pallets met platen;

- dat een dergelijke positie in ieder geval werd ingenomen ten tijde van het verwijderen van de lepels van de kleminrichting (pv arb. insp. p.4, 6 en 9);

- dat inmiddels gewerkt wordt met kranen met automatische grijpers, zodat de werknemer zich niet meer tussen de pallets hoeft te begeven om de hijslast los te maken (voorlopig getuigenverhoor [B.]);

- dat het werken met een kraan die lasten tilt tot 6000 kg, terwijl die lasten een slingerende beweging kunnen maken, het risico van een ongeval meebrengt en dat dat risico zich verwezenlijkt heeft.

4.7. Zoals hiervoor overwogen dienen de schadeposten om verschillende redenen te worden afgewezen:

- de kosten levensonderhoud omdat [X.], gelet op het verweer van [Y.], onvoldoende feiten heeft gesteld omtrent haar behoefte om daaruit een verplichting tot vergoeding van gederfd levensonderhoud af te leiden;

- de kosten voor de grafsteen/het grafmonument en weke-lijks kaarsen en bloemen: omdat [Y.] mocht aannemen dat met de onder 4.1.4 genoemde betaling deze, in begin-sel als kosten van lijkbezorging aan te merken kosten waren voldaan en voor zover – zoals [Y.] (subsidiair) betoogt - de grafsteen als monument en bloemen en kaarsen niet aan te merken zouden zijn als kosten van lijkbezorging: omdat art 6:108 BW geen grondslag biedt voor de vordering;

- de kosten voor de verklaring voor erfrecht en de (aflossing van) schulden van [A.] omdat dit posten zijn die ten laste van diens boedel komen terwijl [X.] niet in haar hoedanigheid van erfgename procedeert, maar ex art. 6:108 BW voor zichzelf;

- de kosten van kleding voor de begrafenis omdat deze niet zijn aan te merken als kosten van lijkbezorging en dus niet in aanmerking komen voor vergoeding op de voet van art. 6:108 BW;

- de kosten van kopieën en telefoonkosten: omdat deze kennelijk zijn gevorderd als buitengerechtelijke kosten en deze, evenals de eigen bijdrage advocaat, het lot van de hoofdvordering delen.

4.8. Het vorenstaande betekent dat [Y.]s bezwaren tegen de eis zoals die in hoger beroep is gewijzigd (naar ’s hofs oordeel, gelet op de appeldagvaarding veeleer te beschouwen als herstel van een kennelijke omissie) en ook haar overige verweren buiten beschouwing kunnen blijven; dat het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd, dat de door [Y.] gevorderde wettelijke rente over € 650,-- (de proceskosten van [Y.] in eerste aanleg) vanaf 28 april 2004 moet worden toegewezen en dat [X.], als in het ongelijk gestelde partij, moet worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep.

Het hof geeft [Y.] in overweging om af te zien van het incasseren van de proceskosten, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6.2 is overwogen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] tot betaling van de wettelijke rente over € 650,-- vanaf 28 april 2004;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Y.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 241,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris procureur;

Dit arrest is gewezen door mrs. Grapperhaus, Spoor en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 oktober 2006.