Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3954

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
C200500829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtelijke woning valt aan te merken als bedrijfswoning. Bekrachtiging vonnis voorzieningenrechter voorzover het de veroordeling van de vrouw tot ontruiming van de echtelijke woning betreft.

De voorzieningenrechter heeft -ongevraagd- aan de veroordeling tot ontruiming de opschortende voorwaarde verbonden dat de man € 60.000,- aan de vrouw dient te voldoen in verband met het verlies van het woongenot. Voorzover de subsidiaire vordering van de vrouw in hoger beroep moet worden beschouwd als eis in reconventie is het hof voordeel dat een dergelijke eis niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan (art. 353 lid 1 Rv). De subsidiaire vordering van de vrouw kan evenmin aangemerkt worden als vermeerdering van eis nu de vrouw in deze procedure niet als eiseres is opgetreden. Het hof acht de door de voorzieningenrechter uit eigen beweging bepaalde tegemoetkoming in de vorm van een opschortende voorwaarde niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KG C0500829/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

tiende kamer, van 18 juli 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. C.F.M.L. van Beukering-Michielsen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 april 2006 in het hoger beroep van het door de voorzieningen- rechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis in kort geding van 21 april 2005 (123828/KG ZA 05-152).

6. Het tussenarrest van 11 april 2006

Bij genoemd arrest is een comparitie van partijen bevolen, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken en om te bezien of een minnelijke regeling tussen partijen mogelijk is.

7. Het verdere verloop van de procedure

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 17 mei 2006. Bij die gelegenheid zijn de vrouw en haar advocaat mr. Van Beukering-Michielsen en de man en zijn advocaat mr. Spoormans gehoord.

Partijen hebben na de comparitie van partijen hun proces-dossiers overgelegd en arrest gevraagd. In aanvulling op het arrest van 11 april 2006 dient met betrekking tot het kort geding in hoger beroep te worden vermeld, dat door de vrouw een akte houdende producties, tevens memorie van antwoord in incidenteel appel is genomen, door de man een akte in appel, tevens houdende overlegging producties en door de vrouw een antwoordakte in appel.

8. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

8.1. Het hof gaat, net als de rechtbank, uit van de navolgende feiten.

Partijen zijn gewezen echtelieden. Bij de echtscheidingbeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 april 2001 is bepaald dat de vrouw bevoegd is tot de bewoning en het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijk stand. Deze inschrijving heeft plaatsgevonden op 9 juli 2001.

De man woont sedert het (feitelijk) uiteengaan van partijen op 13 september 1996 op een bungalowpark in [woonplaats].

Bij vonnis in kort geding d.d. 12 februari 2004 is de man – kort gezegd - veroordeeld om aan de vrouw toegang te verschaffen tot het terrein waarop de woning is gelegen en is aan de man verboden de woning te betreden zolang partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de woning.

Partijen verschillen van opvatting over de vraag tot wanneer de vrouw de woning feitelijk heeft bewoond.

Volgens de man heeft de vrouw tot 5 december 2003 samen met één van de zonen van partijen in de voormalige echtelijke woning gewoond. De vrouw stelt dat haar in november 2004 de toegang tot de woning is ontzegd door de man. Vaststaat dat de vrouw sedert haar vertrek uit de woning heeft verbleven bij haar nieuwe partner de heer [A.] in [woonplaats].

8.2. Op 9 maart 2005 heeft de man de vrouw in kort geding gedagvaard en – kort weergegeven - gevorderd de vrouw te verbieden de woning op het bedrijfsterrein aan de [adres] te [woonplaats] te betreden, alsmede de vrouw te bevelen voornoemde woning te verlaten en niet verder te betreden, met machtiging aan de man om het vonnis zonodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld om binnen drie dagen na de betekening van het vonnis met al de haren en al het hare het pand aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter bepaald dat deze veroordeling pas in werking treedt met ingang van de dag volgende op de dag dat de man een bedrag van € 60.000,- op de (derden)rekening van de raadsvrouwe van de vrouw heeft gestort. Voorts heeft de voorzieningenrechter het overige door de man gevorderde afgewezen (machtiging om de ontruiming zonodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie en de dwangsom).

Zowel de vrouw als de man kunnen zich niet met deze beslissing verenigen en komen hiervan in hoger beroep.

8.3. De vrouw stelt in haar derde grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de woning aan te merken is als bedrijfswoning en dat de woning aan drie zijden wordt omgeven door rijdende of geparkeerd staande vrachtwagens. Volgens de vrouw heeft de man bij het uiteengaan van partijen in 1996 de administratie van de onderneming, die tot dan toe gevoerd werd vanuit de woning, verhuisd naar [woonplaats], zodat de woning niet meer aan te merken is als bedrijfswoning.

De man erkent dat de administratie vanaf 1996 niet meer wordt gevoerd vanuit de woning. Echter, volgens de man blijkt uit het overgelegde bestemmingsplan van de gemeente [gemeenteplaats] dat de woning wel wordt aangemerkt als bedrijfswoning.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de woning, gelet op de onweersproken ligging op het bedrijfsterrein, aan te merken valt als bedrijfswoning. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat ook uit het bestemmingsplan d.d. 19 januari 2004 van de gemeente [gemeenteplaats] blijkt dat de woning wordt aangemerkt als bedrijfswoning. Doch, ook al zou de woning formeel juridisch gezien niet als bedrijfswoning te kwalificeren zijn, dan nog acht het hof het in het kader van dit kort geding van belang dat voldoende vaststaat dat de woning centraal is gelegen op het door hekken omgeven bedrijfsterrein van het transportbedrijf van de man, zodat de woning feitelijk deel uitmaakt van dat terrein. Of de woning aan één of meer zijden wordt omgeven door vrachtwagens acht het hof daarbij niet van doorslaggevende betekenis.

De derde grief van de vrouw faalt derhalve.

8.4. Voorts stelt de vrouw in haar eerste grief dat de man geen belang heeft bij het bestreden vonnis. Het vonnis is tot op heden niet in werking getreden omdat de man het vonnis nog niet heeft betekend en niet aan de voorwaarde van betaling van € 60.000,- heeft voldaan. Volgens de vrouw wil en zal de man geen gebruik maken van de – nog immer gemeenschappelijke - woning, nu hij in [woonplaats] woont en niet voornemens is om in [woonplaats] te gaan wonen. De vrouw is van mening dat zij wel een belang heeft bij het gebruik van de woning, nu zij slechts een tijdelijk onderkomen heeft bij haar vriend in [woonplaats] en het haar aan middelen ontbreekt om in [woonplaats] vervangende huisvesting te kopen. De vrouw wil erg graag naar [woonplaats] terugkeren, nu daar al haar familie en haar vrienden wonen.

De man heeft hiertegen aangevoerd dat hij het vonnis nog niet heeft betekend en het bedrag niet heeft betaald omdat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen dit vonnis. Voorts geeft de man aan dat hij wel een belang heeft bij het gebruik van de woning. Volgens de man is het voor een goede bedrijfsuitoefening en de inbraakgevoeligheid van het bedrijf noodzakelijk dat hij of één van de zonen van partijen in de woning verblijven.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt (r.o. 4.1.-4.4. van het bestreden vonnis), heeft geoordeeld dat het gerechtvaardigd is dat het exclusieve gebruiksrecht van de woning thans voorshands aan de man wordt toegewezen. Het standpunt van de vrouw dat de man geen belang meer heeft bij het vonnis waarvan beroep enkel omdat hij dat vonnis (nog) niet heeft betekend, kan niet als juist worden aanvaard.

Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de alimentatierechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat de vrouw vanaf oktober 2004 samenwoont met haar nieuwe partner als ware zij gehuwd. Door de vrouw is hoger beroep ingesteld tegen de vastgestelde alimentatie, doch zij heeft naar haar zeggen geen grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vastgestelde samenwoning.

De vrouw heeft in hoger beroep nog gesteld dat zij ook het huis aan de [adres] in [woonplaats] zou kunnen betrekken nu dit huis tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort. De man heeft echter voldoende gemotiveerd aangevoerd dat deze woning thans bewoond wordt door huurders, zodat in ieder geval op korte termijn niet te realiseren valt dat de vrouw van deze woning gebruik zal kunnen maken. De vrouw heeft nog gesteld dat zij in december 2003 en na februari 2004, toen zij op grond van het kortgeding-vonnis van 12 februari 2004 terugkeerde in de woning, door de man uit de woning is verjaagd en weggepest. De man heeft een en ander gemotiveerd ontkend. Doch, ook al zou het door de vrouw gestelde (ten dele) juist zijn, dan nog valt de belangenafweging zoals door de voorzieningenrechter gemaakt en door het hof onderschreven, niet alsnog uit in het voordeel van de vrouw.

De eerste grief van de vrouw faalt derhalve. Dit betekent dat het vonnis waarvan beroep bekrachtigd dient te worden voorzover het betreft de veroordeling van de vrouw tot ontruiming.

8.5. Zowel de vrouw als de man hebben een grief gericht tegen de door de voorzieningenrechter opgelegde voorwaarde dat de man aan de vrouw een bedrag van € 60.000,- dient te betalen.

De vrouw is van mening dat een bedrag van € 60.000,- niet voldoende is om een vervangende vergelijkbare woonruimte te kunnen betalen. De vrouw verzoekt subsidiair bij wege van eis in reconventie een bedrag van € 600.000,- vast te stellen dat de man dient te betalen alvorens de vrouw de woning dient te verlaten.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en hij heeft hiertegen tevens incidenteel beroep ingesteld.

8.5.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de vrouw in eerste aanleg niet heeft verzocht om een dergelijke voorwaarde.

Voorzover de subsidiaire vordering van de vrouw dient worden beschouwd als een eis in reconventie, is het hof van oordeel dat een dergelijke eis niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan (art. 353 lid 1 Rv). Het hof is voorts van oordeel dat de subsidiaire vordering van de vrouw tevens niet kan worden aangemerkt als een vermeerdering van eis, zoals door de vrouw bij akte is betoogd, nu de vrouw in deze procedure niet als eiseres is opgetreden. De tweede grief van de vrouw faalt. De vrouw dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar bedoelde subsidiaire vordering.

8.5.2. De man heeft in zijn verweer tegen de tweede grief van de vrouw en in zijn tweede grief het volgende betoogd.

De voorzieningenrechter was niet bevoegd om ambtshalve een tegemoetkoming aan de vrouw toe te kennen voor haar vertrek.

De voorwaarde is opgelegd als een tegemoetkoming in de plaats van het woongenot van de woning. De man acht de voorwaarde onbegrijpelijk nu de vrouw in december 2001 de helft van de opbrengst van verkochte perceelgrond heeft ontvangen (ca. € 310.000,-) en dus voldoende liquide middelen ter beschikking heeft. Bovendien woont zij sedert oktober 2004 bij haar nieuwe partner en zou zij ook een huurwoning kunnen betrekken. Enige geldelijke tegemoetkoming is dus niet aan de orde volgens de man. De voorzieningenrechter heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten wat de titel van betaling van de € 60.000,- zou moeten zijn, alimentatiebetaling of voorschot op de uitkering in het kader van de boedelscheiding. Dit zal volgens de man slechts kunnen leiden tot nieuwe geschillen.

De vrouw heeft hiertegen ingebracht dat wel degelijk door de voorzieningenrechter aan een te treffen voorlopige voorziening een voorwaarde kan worden verbonden. De vrouw acht de voorwaarde begrijpelijk. Zij heeft immers een gebrek aan mogelijkheden om vervangende huisvesting te vinden. Enige betaling ten titel van alimentatie of uit hoofde van overbedeling zal volgens de vrouw niet snel te hoog zijn.

Het hof oordeelt als volgt.

Het verbinden van een opschortende voorwaarde kán door de voorzieningenrechter verbonden worden aan een treffen voorziening (art. 254 lid 1 Rv.).

Het hof acht evenwel met de man de door de voorzieningenrechter in casu geformuleerde voorziening niet aan de orde.

De door de voorzieningenrechter uit eigen beweging bepaalde voorwaarde is – zo verklaarden partijen desgevraagd ter zitting in hoger beroep - ter zitting in eerste aanleg niet aan de orde geweest. Het hof acht geen termen aanwezig om aan de vrouw in het kader van dit kort geding een tegemoetkoming toe te kennen voor het verlies van het woongenot van de woning, nu zij sedert oktober, althans november 2004 bij haar nieuwe partner inwoont. Dat de vrouw dat noodgedwongen zou doen acht het hof niet van doorslaggevende betekenis nu de vrouw woonruimte had of zou kunnen huren, waarvoor een geldelijke tegemoetkoming met een bedrag ineens niet nodig is. Gesteld noch gebleken is dat het huren van een woning door de vrouw niet mogelijk zou zijn en dat zulks door de vrouw is geprobeerd.

Hoewel voorshands voldoende aannemelijk is dat de man een (aanzienlijke) achterstand heeft in de betaling van alimentatie (verschuldigd tot oktober 2004) en dat de vrouw een (aanzienlijk) bedrag zal ontvangen in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, acht het hof zulks overigens geen reden voor de toekenning van een tegemoetkoming aan de vrouw voor het verlies van het woongenot van de woning. Alimentatieachterstand en/of een recht van de vrouw op een uitkering in het kader van de verdeling maken immers geen deel uit van het onderhavige geschil.

De tweede grief van de man slaagt dus.

8.6. Voorts heeft de man in incidenteel beroep gegriefd tegen de afwijzing van de door hem verzochte dwangsom door de voorzieningenrechter. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

Het hof is van oordeel dat de door de man verzochte dwangsom dient te worden afgewezen nu vast is komen te staan dat de vrouw reeds ruim anderhalf jaar niet meer in de woning verblijft en voorts onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw niet zal meewerken aan de ontruiming van de woning.

De eerste grief van de man faalt.

8.7. De man heeft de veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties verzocht. Gelet op de aard van deze procedure zal het hof, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de proceskosten compenseren.

9. De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar subsidiaire vordering zoals nader geformuleerd in haar memorie van grieven;

vernietigt het vonnis in kort geding van de voorzieningen rechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 april 2005 voorzover daarin is bepaald dat de veroordeling tot ontruiming pas in werking treedt zodra de man een bedrag van € 60.000,- op de (derden)rekening van de raadsvrouwe van de vrouw heeft gestort;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst af het overigens meer of anders gevorderde;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeenk-van der Weijden, Philips en Van der Velden en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 18 juli 2006.