Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3924

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
R200400506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inmiddels eindvonnis eerste aanleg, belang nog slechts proceskosten, daartoe (deel) materiele beoordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 337
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0400506/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 27 juni 2006,

gewezen in de zaken van:

1. [A.],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap [B.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten (in principaal appel),

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

1. [C.],

wonende te [woonplaats],

tegen wie verstek is verleend,

geïntimeerde,

2. de besloten vennootschap AAZ ADVIESGROEP B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde (in principaal appel),

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 november 2005 in het (principale) hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda in reconventie gewezen vonnis van 17 december 2003.

6. Het tussenarrest van 29 november 2005

Bij genoemd arrest is in principaal appel de zaak naar de rol verwezen voor een akte uitlating (en overige producties) aan de zijde van [A.] en [B.] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

[A.] en [B.] hebben een akte uitlating genomen. Daarbij hebben zij vier producties overgelegd.

AAZ heeft afgezien van het nemen van een antwoord akte.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De beoordeling

8.1. Het hof heeft [A.] en [B.] verzocht zich uit te laten over de vraag of zij het eindvonnis van de eerste aanleg, dat zich in het overgelegde procesdossier bevond, in het geding wilden brengen en om dat stuk, desgewenst, alsnog behoorlijk in het geding te brengen.

Daarbij is hen voorts verzocht aan te geven of tegen dat vonnis een rechtsmiddel is ingesteld en aan te geven wat thans nog het belang is bij hun vorderingen in appel, afgezien van de beslissing over de proceskosten.

8.2. [A.] en [B.] hebben processen-verbaal van getuigenverhoor, een eindvonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, d.d 25 mei 2005 en een herstelvonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, van 17 augustus 2005 in het geding gebracht.

8.3. Genoemd eindvonnis houdt (na herstel van een kennelijke vergissing) als beslissing in conventie in:

Wijst de vorderingen af;

Verwijst [C.] en AAZ in de kosten van het geding en veroordeelt hen tot betaling van deze kosten aan de zijde van [A.] en [B.] gevallen en tot op heden begroot op € 3.200,-- voor salaris van de gemachtigde van [A.] en [B.].

8.4. [A.] en [B.] hebben bij akte van 27 december 2005 medegedeeld dat tegen het eindvonnis c.q. herstelvonnis van de kantonrechter door geen van partijen een rechtsmiddel is ingesteld.

De procedure in eerste aanleg was op tegenspraak gevoerd, zodat het eindvonnis van de kantonrechter op 26 augustus 2005 onherroepelijk is geworden.

8.5. [A.] en [B.] hebben slechts gesteld dat hun belang bij de vorderingen in hoger beroep is dat [C.] geen rechten meer kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentiebeding dan wel dat dit wordt vernietigd onder de bepaling dat geen boete of schadevergoeding is verschuldigd dan wel dat het [A.] is toegestaan om voor [B.] werkzaamheden te blijven verrichten voor de duur van het concurrentiebeding.

8.6. Aldus hebben [A.] en [B.] niet inzichtelijk gemaakt wat thans nog hun belang is bij de vorderingen in hoger beroep, nu

het tijdvak gedurende hetwelk het non-concurrentie beding - zoals gematigd door de kantonrechter - zou gelden, reeds lang is verstreken (1 jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2002, derhalve per 1 februari 2003);

alle vorderingen in conventie, waaronder die om [A.] en [B.] te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van niet nakoming van het (gematigde) concurrentiebeding (dan wel schade als gevolg van niet-nakoming of onrechtmatig handelen) thans onherroepelijk zijn afgewezen;

geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die - in weerwil van hetgeen door de kantonrechter in r.o. 2.7.5 van het tussenvonnis van 3 september 2003 is overwogen en beslist - de gevolgtrekking kunnen dragen dat [C.] thans alsnog enig belang zou hebben bij een vordering op grond van het (gematigde) non-concurrentiebeding.

8.7. Het hof zal de vordering van [A.] en [B.] om het gedeeltelijk eindvonnis (tevens gedeeltelijk tussenvonnis) van de kantonrechter te vernietigen wat betreft de reconventionele hoofdvorderingen niet toewijzen, nu zij daarbij geen belang (meer) hebben.

8.8.1. Wel vormt de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg in reconventie, althans het uitblijven van een veroordeling van [C.] (en AAZ, maar dat is in dit hoger beroep voor zover tegen [C.] voor het navolgende niet van belang) in de totale kosten ad € 1.200,--, een belang in hoger beroep dat vergt dat het hof zich over de materiële kwesties buigt en oordeelt over de beslissing(en) op de hoofdvorderingen (vergelijk HR 14-01-2000, NJ 2000, 188).

8.8.2. Wat betreft de primaire reconventionele vordering tegen [C.] (om voor recht te verklaren dat [C.] geen rechten kan ontlenen aan het overeengekomen non-concurrentiebeding zoals neergelegd in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst tussen [A.] en [C.] en AAZ van 23 december 1999) oordeelt het hof als volgt.

De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen en de eerste grief in dit (principaal) appel is daartegen gericht.

[A.] en [B.] hebben gesteld dat [C.] zijn rechten uit hoofde van het concurrentiebeding heeft verwerkt en dat de volgende feiten het (gerechtvaardigd) vertrouwen hebben gewekt dat [C.] zich niet op het concurrentiebeding zou beroepen:

- dat [A.] [C.] in de tweede helft van december 2001 (mondeling) op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen het dienstverband op te zeggen en dat hij per 1 januari 2002 bij de nieuwe werkgever in dienst wilde treden;

- dat een en ander is bevestigd bij opzeggingsbrief d.d. 26 december 2001;

- dat [C.] [A.] heeft gehouden aan de wettelijke opzegtermijn van 1 maand;

- dat [A.] begin januari 2002 aan [C.] te kennen heeft gegeven dat hij bij [B.] in dienst zou treden, dat er stukken zijn waaruit ook blijkt dat [C.] daarvan op de hoogte was en dat hij er geen bezwaar tegen had (het door [C.] verlenen van medewerking aan overname leasecontract door [B.]) en dat [C.] slechts formeel bezwaar heeft gemaakt bij brief van 17 januari 2002;

- dat [C.] ook in een briefje van 31 januari 2002 niet rept over een verbod om bij [B.] in dienst te treden.

Ten slotte stellen [A.] en [B.] dat [C.], als hij zijn rechten al niet had verwerkt begin 2002, hij dat alsnog heeft gedaan door in deze procedure na de start daarvan niet meer van zich te laten horen.

8.8.3. Het hof oordeelt als volgt: aan het feit dat [C.] meewerkte aan overdracht van één verzekeringscliënt en van de lease-auto aan [B.] mocht [A.] niet het (gerechtvaardigd) vertrouwen ontlenen dat [C.] van al zijn rechten uit het concurrentiebeding afzag.

Dat [C.] in de korte periode tot 17 januari 2002 geen bezwaar maakte tegen indiensttreding van [A.] bij [B.] maakt dit niet anders.

Het hof is van oordeel dat de brief van 17 januari 2002, ook al houdt die niet in de persoonlijke “wens” van [C.] om [A.] aan het concurrentiebeding te houden, wel blijkt dat [C.] zijn recht wilde handhaven, zij het op instigatie van degene die zijn onderneming had overgenomen en met een voorstel tot matiging.

Als [C.] daarna bij brief van 29 maart 2002 aandringt op naleving van het non-concurrentiebeding is dat slechts 2 en een halve maand later; aan stilzitten en/of het zwijgen over [B.] bij het persoonlijke afscheid in die korte periode na de duidelijke brief van 17 januari 2002 kunnen (ondanks bekendheid met het feit dat [A.] bij [B.] in dienst zou treden) reeds daarom geen consequenties worden verbonden.

Uit het feit dat [C.] nadien in de procedure in eerste aanleg is verschenen mag worden afgeleid dat hij zijn rechten wenste te handhaven.

Al zou dat zijn geschied op instigatie van AAZ en al zou [C.] de feitelijke procesvoering aan AAZ overlaten dan is dat in processuele zin niet aan te merken als “stilzitten”.

De conclusie dat [C.] geen rechten meer kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding wordt door deze in reconventie aangedragen feiten dus niet gerechtvaardigd.

8.8.4. Grief I faalt en het hof is, gelijk de kantonrechter, van oordeel dat de primaire reconventionele vordering moet worden afgewezen.

Reeds deze afwijzing brengt mee dat een compensatie van de proceskosten, zoals toegepast in eerste aanleg, is aangewezen, zodat de overige hoofdvorderingen, bij gebrek aan belang, geen bespreking meer behoeven.

8.8.5. Nu de vorderingen van [A.] en [B.] bij gebrek aan belang worden afgewezen kan hun vordering om [C.] in de kosten van het geding in hoger beroep te veroordelen evenmin worden toegewezen (HR 30-09-2005, AS8376).

8.9. AAZ is wel mede gedagvaard in hoger beroep, maar er zijn geen grieven voorgesteld die het vonnis van de kantonrechter betreffen voor zover gewezen tussen AAZ en [A.] en [B.].

[A.] en [B.] zullen dus niet-ontvankelijk worden verklaard in dit hoger beroep, met hun veroordeling in de kosten van dit hoger beroep, gevallen aan de zijde van AAZ.

9. De uitspraak

Het hof:

op de vorderingen van [A.] en [B.] tegen [C.]:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter;

wijst de vorderingen in (principaal) hoger beroep ook voor het overige af,

op de vorderingen van [A.] en [B.] tegen AAZ:

verklaart [A.] en [B.] niet ontvankelijk in het (principaal) hoger beroep;

veroordeelt [A.] en [B.] in de kosten van dit hoger beroep, gevallen aan de zijde van AAZ, tot op deze uitspraak begroot op

€ 241,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Grapperhaus en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 27 juni 2006.