Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3902

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
R200600376
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof staat een faillietverklaring – ondanks ouders jurisprudentie waaruit blijkt dat de faillietverklaring van een v.o.f. het faillissement van haar vennoten meebrengt – niet aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de vennoten in de weg, nu die regeling eveneens als insolventieregeling kan worden aangemerkt en de wetgever heeft gewild dat die regeling voorrang heeft boven een faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BL

19 juni 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600376

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [X.],

procureur: mr. R.L.A. Klaassen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 april 2006, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 11 april 2006, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem alsnog in de gelegenheid te stellen zijn verzoek voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te lichten en hem bovendien daartoe toe te laten.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

[X.] bijgestaan door mr. R.L.A. Klaassen;

de bewindvoerder, O.B.J. Poorthuis.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 april 2006;

de brief van de advocaat van [X.] d.d.12 juni 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft op 1 februari 2006 de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Bij vonnis van die dag is hij voorlopig toegelaten. De totale schuldenlast bedraagt blijkens het aanvraagformulier schuldhulpverlening d.d. 23 maart 2006 en een mondelinge verklaring van de bewindvoerder ter zitting € 75.099,07 waaronder een schuld aan het GAK van € 18.200,43.

Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek tot definitieve toelating afgewezen.

4.1.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 sub b. Fw overwogen, dat er gegronde vrees bestaat dat [X.] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en er gegronde vrees bestaat dat [X.] zijn uit die schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

4.1.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

Nu [X.] op 3 april 2006 niet ter zitting is verschenen teneinde de rechtbank de nodige inlichtingen te verschaffen en het verzoekschrift nader toe te lichten, heeft [X.] de rechtbank onvoldoende in staat gesteld het verzoekschrift te beoordelen. Dientengevolge is de rechtbank van oordeel dat niet de verwachting bestaat dat [X.] zich aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal houden.

4.2.1. [X.] heeft in het beroepschrift aangevoerd, dat hij voornemens was om ter zitting van 3 april 2006 ten overstaan van de rechtbank te verschijnen, doch vanwege persoonlijke omstandigheden (de betreffende ochtend) niet op tijd op de rechtbank verschenen is. [X.] is van mening dat indien de rechtbank het verzoek wel inhoudelijk zou hebben beoordeeld niet het oordeel zou zijn uitgesproken dat “niet de verwachting bestaat dat [X.] zich aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal houden”. Voor dit gewraakte oordeel bestaat geen enkele concrete rechtvaardiging.

4.2.2. Hieraan heeft [X.] ter zitting toegevoegd, dat de schulden die zijn ontstaan aan de VOF gerelateerd zijn. Het gaat dan ook om oude schulden.

De laatste vier maanden is de situatie van [X.] veranderd. De opbrengsten van het café (de BV van de vrouw) bleken niet afdoende om de schulden te kunnen voldoen. [X.] heeft daarom een baan aangenomen bij vervoersbedrijf [A.]. Eerst als aanvulling op zijn werkzaamheden binnen het café. Sinds 1 juni 2006 zijn de werkzaamheden binnen het vervoersbedrijf fulltime. Dit staat nog niet officieel op papier.

4.3. Ter zitting heeft de bewindvoerder aangevoerd, dat het in het begin allemaal wat stroef liep. Als [X.] echter meer doordrongen raakt van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en het feit dat hij deze serieus na zal moeten leven voorziet de bewindvoerder geen problemen. Bezwaarlijk is wel dat er ondanks inkomen van [X.] nog steeds een boedelachterstand bestaat.

Er bestaat bij de bewindvoerder geen vrees dat [X.] de schuldsaneringsregeling niet met succes zal doorlopen.

4.4. Het hof is van oordeel dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd op grond van het volgende.

Ondanks het ontbreken van de artikel 285-verklaring heeft het hof voldoende zicht op de schuldenlast door de mondelinge uiteenzetting van de bewindvoerder ter zitting. Op grond van het gematigd positief advies van de bewindvoerder en hetgeen uit de stukken en ter zitting besprokene blijkt, is het hof van oordeel dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die aan de toelating van [X.] tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan.

4.4.1. Het hof heeft op de zitting geconstateerd dat [X.] is gehuwd onder huwelijkse voorwaarde inhoudende, kort gezegd, de uitsluiting van elke goederenrechtelijke gemeenschap, maar onder (verbintenisrechtelijk) verrekenbeding. Bij de brief van 12 juni 2006 is voor zover nodig gevoegd de akkoordverklaring met de schuldsaneringsregeling van de vrouw van [X.], artikel 284 lid 3 Fw.

4.4.2. Uit de door het hof bij de rechtbank opgevraagde informatie is gebleken dat de [B.], waarvan [X.] vennoot was, op 1 februari 2006 is gefailleerd. Naar het oordeel van het hof staat deze faillietverklaring – ondanks oudere jurisprudentie waaruit blijkt dat faillietverklaring van een v.o.f. het faillissement van haar vennoten meebrengt – niet aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg, nu die regeling eveneens als insolventieregeling kan worden aangemerkt en de wetgever heeft gewild dat die regeling voorrang heeft boven een faillissement.

4.4.3. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep is uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 8 Fw.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[X.]

wonende te [woonplaats], aan de [adres];

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch kennis geeft van deze uitspraak.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Hartog Jager, Pouw en Noordijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.